12 mei 2018

Recht op zitting bij interne tuchtrechter

In deze zaak heeft de tuchtrechter van de KNVB een sanctie opgelegd aan een speler vanwege betrokkenheid bij een vechtpartij na een wedstrijd.  De speler had beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB, ook een orgaan van de KNVB). Die wees het beroep af en liet de sanctie in stand, zonder de speler zelf te horen.
De rechter vernietigt de uitspraak van het CvB. De CvB had de speler zelf moeten horen tijdens een mondelinge behandeling. De uitspraak van het CvB was namelijk gebaseerd op getuigenverklaringen waartussen verschillen bestonden. De speler had daar ook op gewezen tijdens de procedure bij het CvB.
"Deze onduidelijkheid over de mate van betrokkenheid van [de speler] [door de verschillen tussen de verklaringen] toont het belang van een nieuwe mondelinge behandeling. Het ging immers om een forse sanctie, die tot een zorgvuldige heroverweging noopte en de CvB had de kennelijke onduidelijkheden kunnen ondervangen door alle betrokkenen zelf nog eens te horen. Reeds hierom had de CvB, de criteria van paragraaf 1.7 HTA hanterend, in redelijkheid niet kunnen besluiten dat een nieuwe mondelinge behandeling onnodig was, en zeker niet zonder dit besluit te motiveren. De CvB heeft in haar uitspraak weliswaar toegelicht dat “appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht”, maar dat acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden volstrekt ontoereikend. " 
Het feit dat bij de KNVB de tuchtrechtelijke organen worden bemand door vrijwilligers, die op jaarbasis circa 30.000 tuchtrechtelijke zaken behandelen, maakt dat niet anders: het CvB had de speler moeten horen.


ECLI:NL:RBMNE:2018:1918




Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van
[eiser] ,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

Partijen zullen hierna [eiser] en KNVB genoemd worden.

1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 augustus 2017,
- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 15 november 2017.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.
1.3.
De KNVB heeft schriftelijk opmerkingen gemaakt op het proces-verbaal van comparitie, dat buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt. Die opmerkingen zijn in het procesdossier gevoegd.

2De feiten

2.1.
[eiser] voetbalde in het seizoen 2016-2017 in het eerste elftal van [voetbalvereniging 1] . Op 25 september 2016 heeft dit elftal de competitiewedstrijd tegen het eerste elftal van [voetbalvereniging 2] gespeeld. Meer dan twee uur na de wedstrijd is op het sportcomplex van de thuisclub een vechtpartij uitgebroken, waarbij spelers en supporters van beide clubs waren betrokken, onder wie ook [eiser] .
2.2.
[voetbalvereniging 2] heeft de KNVB geïnformeerd over de vechtpartij. De Tuchtcommissie van de KNVB (hierna: TC) heeft de zaak vervolgens in behandeling genomen. Zij heeft (onder andere) [eiser] opgeroepen voor een mondelinge behandeling. [eiser] heeft gehoor gegeven aan die oproep. Hij wist niet precies wat hem werd verweten en had geen juridische bijstand.

11 mei 2018

Lid heeft recht op kopie ledenlijst?

Een Stichting is lid van de vereniging "BVKZ" . De Stichting verzoek het bestuur van de vereniging om een kopie van de ledenlijst, omdat het een gebruik wil maken van het recht van 10% van de leden om te verzoeken om een extra ALV. Het bestuur weigert een kopie van de ledenlijst te verstrekken. In dit hoger beroep (in kort geding) oordeelt de rechter dat het bestuur een kopie van de ledenlijst moet verstrekken.

Dat is een opvallende uitspraak. In dit geval lijkt het te gaan om een kleine vereniging. Maar wat nu als 1 lastig lid verzoekt om de ledenlijst van een vereniging met honderden of duizenden leden?

Dit klemt te meer, omdat de dragende overweging van het Hof tamelijk kort door de bocht is:
" Voorts heeft te gelden dat op grond van artikel 16 lid 2 van de statuten van [de vereniging] BVKZ een quorum van 10 % van de leden nodig is om een verzoek tot het bijeenroepen van een (extra) algemene ledenvergadering aan BVKZ te kunnen doen en dat pas na afwijzing van dat verzoek door het bestuur van BVKZ, [de Stichting als lid, c.s.] zelf kunnen overgaan tot bijeenroeping. Om een dergelijk verzoek te kunnen doen dienen [de Stichting als lid c.s.] over een actuele ledenlijst te kunnen beschikken."
Het is niet zo dat de vereniging BVKZ een speciale regeling heeft in de statuten, de vereniging heeft eenvoudigweg de regeling van artikel 2:41 lid 2 BW overgenomen. Dit geldt dus voor alle verenigingen in Nederland. Het Hof geeft ook niet dat de Stichting als lid in een speciale positie verkeert. Kortom, op basis van dit argument heeft elk lid van elke vereniging in Nederland recht op een kopie van de ledenlijst, als dat lid stelt dat het wil proberen de steun te verwerven onder 10% van de leden om een verzoek om een extra ALV in te dienen.

Het Hof stelt nog dat:
" Voorop stelt het hof dat er geen bijzondere rechtsregel bestaat op grond waarvan een vereniging gehouden is steeds een ledenlijst aan een lid van die vereniging te verstrekken. Uit al hetgeen hiervoor overwogen is en uit artikel 16 lid 2 van de statuten en artikel 2:8 BW volgt naar het oordeel van het hof dat BVKZ daartoe in het onderhavige geval wel gehouden is. Zonder actuele ledenlijst kunnen [appellanten c.s.] als leden van BVKZ immers niet gebruik maken van de bevoegdheid die de statuten hun toekennen."
Volgens mij is het "onderhavige geval"  echter niet meer dan dat er een lid is van een vereniging dat steun wil zoeken onder de andere leden voor zijn wens een verzoek om een extra ALV in te dienen, en dat daarvoor contact op wil nemen met die andere leden.

Het hof bepaalt dat het bestuur een "actuele ledenlijst (met namen, adressen, telefoonnummers en e-mailadressen)" aan het lid moet geven.
Er kunnen al met al wel vraagtekens worden geplaatst bij deze uitspraak, die dan wel in hoger beroep is, maar nog steeds in kort geding. 
Bovendien heeft de vereniging geen beroep gedaan op de bescherming van de privacy van de leden, mogelijk omdat bij deze vereniging de leden allemaal zelf ook rechtspersonen zijn, en omdat de ledenlijst ook op de website staat van de vereniging (maar dat zou een verouderde versie zijn).

Al met al zou ik als bestuur nu  zeker niet opeens een kopie van de ledenlijst gaan geven als een lid erom verzoekt, maar eerst af te wachten of er andere rechters de lijn van deze uitspraak gaan volgen. Bovendien kan de vereniging in deze zaak nog in cassatie gaan (zijn gegaan) bij de Hoge Raad.

ECLI:NL:GHSHE:2018:2005 (update 10.08.2018; met juiste ECLI).

arrest van 8 mei 2018

in de zaak van

1Coöperatie [de coöperatie] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Stichting [de stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna tezamen aan te duiden als [appellanten c.s.] , en afzonderlijk als de Coöperatie en de Stichting,


tegen

Branchevereniging Kleinschalige Zorg ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als BVKZ,


op het bij exploot van dagvaarding van 18 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 juli 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:4744; niet gepubliceerd], door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten c.s.] als eiseressen en BVKZ als gedaagde.

3De beoordeling


3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. a) BVKZ is op 16 juni 2011 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van kleinschalige zorg . Zij is belangenbehartiger en lobbyist voor de kleine zorgaanbieder op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. De Coöperatie en de Stichting zijn beide lid van BVKZ.
b) De Coöperatie is opgericht op 7 mei 2015. Zij heeft als doel te voorzien in de collectieve en individuele materiele belangen en behoeften van haar leden, met name in de zorg- en welzijnssector. De Stichting is één van de oprichters van de Coöperatie en thans lid van de Coöperatie.
c) De heer [de voorzitter van de coöperatie] (hierna te noemen: [de voorzitter van de coöperatie] ) is voorzitter van de Coöperatie. Van 16 juni 2015 tot 13 december 2016 heeft [de voorzitter van de coöperatie] , als tweede penningmeester, ook deel uitgemaakt van het bestuur van BVKZ. Tijdens de algemene ledenvergadering van BVKZ van 13 december 2016 is [de voorzitter van de coöperatie] als bestuurder van BVKZ ontslagen. [de voorzitter van de coöperatie] is tevens voorzitter van de Stichting.
d) Tijdens de algemene ledenvergadering van 13 december 2016 heeft [de voorzitter van de coöperatie] aan de hand van door hem uitgereikte stukken onder meer een tiental bezwaren kenbaar gemaakt die hij tijdens zijn tweede penningmeesterschap aan het bestuur van BVKZ had geuit.

8 mei 2018

Penningmeester vereniging aansprakelijk

Kernpunten

  • De penningmeester van een vereniging was ook werkzaam als zelfstandig accountant. Die penningmeester onttrekt (ten minste) € 97.637,00 aan de vereniging en gebruikt dat geld voor zichzelf voor voor zijn bedrijf. 
  • " [De vereniging] wijst erop dat [de penningmeester] in de besprekingen van 28 maart 2009 en 28 april 2009 heeft erkend dat hij op onrechtmatige wijze geld heeft onttrokken aan [de vereniging] . (...) De erkenning waarop [De vereniging] zich beroept (in het besprekingsverslag van 29 april 2009) houdt in dat [de penningmeester] erkent dat hij gelden heeft onttrokken aan [bond 1] die hij voor zichzelf of zijn onderneming heeft gebruikt. Die erkenning beperkt zich tot een bedrag tussen de € 60.000,- en de € 75.000,-." 
  • " De rechtbank vindt dat [de penningmeester] onvoldoende heeft betwist dat hij de administratie van [bond 1] ondeugdelijk heeft gevoerd [de vereniging is ontstaan uit een fusie van Bond 1 met Bond 2]. In feite erkent hij dat hij de administratie van [bond 1] niet deugdelijk heeft gevoerd doordat hij naar eigen zeggen “de zaken van [bond 1] , [vereniging] en [andere vereniging] administratief niet voldoende gescheiden heeft gehouden”. [De penningmeester] heeft in die zin dus onvoldoende weersproken dat hij zijn taak als bestuurder (penningmeester) onbehoorlijk heeft vervuld door een ondeugdelijke administratie te voeren." 

ECLI:NL:RBMNE:2017:5186 (tussenuitspraak) en ECLI:NL:RBMNE:2018:1891 (einduitspraak)


TUSSENUITSPRAAK

2 De feiten
2.1.
[De vereniging] is op 31 december 2008 ontstaan door een fusie van de [bond 1] ( [bond 1] ) en de [bond 2] ( [bond 2] ). [de penningmeester] was vanaf 6 juli 1997 bestuurder van de [bond 1] in de functie van penningmeester. [de penningmeester] was accountant van beroep en werkzaam bij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), waarvan hij 75% van de aandelen hield. Na de fusie van [bond 1] en [bond 2] is [de penningmeester] bestuurder van [De vereniging] geworden. De heer [bestuurder] is toen bestuurder van [De vereniging] in de functie van penningmeester geworden.

3Het geschil
3.1.
Het gaat in deze procedure kort gezegd om het volgende. [De vereniging] vindt dat [de penningmeester] zijn taak als penningmeester niet naar behoren heeft vervuld. Hij heeft volgens [De vereniging] de administratie niet deugdelijk gevoerd, geld uit [bond 1] gehaald en onder andere voor zichzelf besteed. Dat heeft zij begin 2009 ontdekt toen [bestuurder] penningmeester werd en onregelmatigheden in de boekhouding zag. [De vereniging] vordert het bedrag terug dat [de penningmeester] in ieder geval ten onrechte uit [bond 1] heeft gehaald en voor zichzelf of zijn onderneming heeft gebruikt. [de penningmeester] vindt dat hij zijn taak naar behoren heeft vervuld. Voor zover er onregelmatigheden in de boekhouding zijn, moeten die bedragen worden verrekend met geld dat hij nog tegoed heeft van [bond 1] / [De vereniging] . Ook heeft [de penningmeester] een aantal formele verweren gevoerd.
in conventie
3.2.
[De vereniging] vordert samengevat:
a.   dat de rechtbank voor recht verklaart dat [de penningmeester] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke taakvervulling tegenover [De vereniging] als bedoeld in artikel 2:9 BW en dat [de penningmeester] de daardoor geleden schade en nog te lijden schade moet vergoeden;
b.   veroordeling van [de penningmeester] tot betaling van € 97.637,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 april 2009 of 18 juni 2015 of de dag van dagvaarding;
c.   veroordeling van [de penningmeester] in de proceskosten.
3.3.
[de penningmeester] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[de penningmeester] vordert samengevat:
a.   veroordeling van [De vereniging] tot betaling van € 494.340,28, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de dag van de conclusie van eis in reconventie;
b.   veroordeling van [De vereniging] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
3.5.
[De vereniging] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.