27 september 2017

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuursleden


Rechtbank Midden-Nederland 6 september 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:4373



Deze zaak gaat over bestuursaansprakelijkheid bij een vereniging, maar de omstandigheden zijn atypisch. Het gaat over een bedrijventerrein dat wordt ontwikkeld door drie bedrijven die de " ontwikkelingscombinatie" vormen, waarbij een (gewone) vereniging wordt opgericht om de gemeenschappelijke voorzieningen in eigendom te krijgen en te beheren. Van drie (van de vier) bedrijven wordt een werknemer bestuurslid van de vereniging. De vereniging koopt de riolering op het bedrijventerrein voor € 1 van de ontwikkelingscombinatie. De riolering is (bij oplevering) al gebrekkig, en de kosten voor herstel zijn € 500.000. Uiteindelijk komen de kopers van de bedrijfsruimtes, als leden, in actie, vormen een nieuw bestuur, en de vereniging stelt de oude bestuursleden persoonlijk aansprakelijk.

De rechter wijst de vorderingen af. De bestuursleden kunnen, volgens de rechter, geen persoonlijk ernstig verwijt gemaakt worden. " Wat [de vereniging] betreft is de eerst verantwoordelijke daarvoor de ontwikkelingscombinatie. Daarom ligt het voor de hand dat [de vereniging] in eerste instantie de ontwikkelingscombinatie aanspreekt tot vergoeding van haar schade op grond van wanprestatie, en niet (direct) haar voormalige bestuurders. Dit geldt temeer omdat renovatie van de riolering volgens [de vereniging s] mogelijk € 500.000 zal gaan kosten en het verhalen daarvan op [de bestuursleden] zeer ingrijpende gevolgen kan hebben voor hen en hun families. "Ook als [de ontwikkelingscombinatie niet aansprakelijk kan worden gesteld] treft [de bestuursleden] niet een voldoende ernstig verwijt. Daarbij gaat de rechtbank er, ook veronderstellenderwijs, vanuit dat het voor de leden van [eiseres] in 2012 al wel voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de ontwikkelingscombinatie haar vermoedelijk een gebrekkig rioleringsstelsel heeft geleverd. [De ALV had toen op twee manieren in actie kunnen komen.] De algemene ledenvergadering van [de vereniging] heeft echter nagelaten om een van deze twee wegen te bewandelen en ook dat kan haar worden verweten."
Naar mijn mening gaat de rechter hier ver buiten het kader voor het beoordelen van een persoonlijk ernstig verwijt, zoals gesteld in het (overigens wel door de rechter aangehaalde) arrest Staleman / Van de Ven van de Hoge Raad. Of het schadebedrag groot is, en of moeten betalen van schadevergoeding ernstige gevolgen heeft voor de bestuursleden, kan hooguit een grond zijn voor rechtelijke matiging (artikel 6:109 BW), maar staat volkomen los van de vraag of aan de bestuursleden een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt - en dat nog afgezien van de mogelijke aanwezigheid van een bestuursaansprakelijkheidsverzekering. Ook het beroep op eigen schuld van de ALV, staat volkomen los van aansprakelijkheid (artikel 2:9 BW), en kan hooguit relevant zijn voor rechtelijke matiging en omvang van de vergoedingsplicht (artikel 6:101 lid 1 BW). Tot slot blijft het meest opvallende aspect onderbelicht, namelijk dat de bestuursleden kennelijk werknemers waren in de uitoefening van hun functie. Men kan dan denken aan werkgeversaansprakelijkheid, artikel 6:170 BW, inclusief de regeling van draagplicht in artikel 6:170 lid 3.

Vonnis van 6 september 2017


in de zaak van
de vereniging [eiseres] ,

tegen 1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],


Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

2De feiten

2.1.
In 2006 zijn vier vastgoedontwikkelaars een samenwerkingsverband aangegaan (hierna: de ontwikkelingscombinatie). De ontwikkelingscombinatie heeft op 3 juli 2006 industriegrond aangekocht aan de [locatie] in [vestigingsplaats] met het doel een perceel van ongeveer 3 ha te bebouwen met bedrijfspanden (hierna: het bedrijvenpark).
2.2.
De participatie in de ontwikkelingscombinatie was als volgt:
  • -
    [bedrijfsnaam 1] BV (hierna: [bedrijfsnaam 1] ): 40%
  • -
    [bedrijfsnaam 2] BV (hierna: [bedrijfsnaam 2] ): 30%
  • -
    [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ): 20%
  • -
    [bedrijfsnaam 4] : 10%.

2.3.
Op 31 januari 2007 is [eiseres] opgericht. Vanaf die datum bestond het bestuur van [eiseres] uit drie personen die tegelijkertijd verbonden waren aan de ontwikkelingscombinatie: [gedaagde sub 1] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 3] ) werd voorzitter van [eiseres] , [gedaagde sub 2] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] ) werd penningmeester en de heer [A] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] ; hierna: [A] ) werd secretaris.
2.4.
De statuten van [eiseres] (hierna: de statuten) luiden, voor zover in deze procedure relevant, als volgt:
‘[…] Artikel 3
  1. Het doel van de vereniging is het in eigendom verkrijgen, beheren en onderhouden van één of meer ontsluitingswegen en de tot gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen gelegen op het “Bedrijvenpark [eiseres] ”.
  2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door:
a. het in eigendom verwerven, beheren, onderhouden en zo nodig vernieuwen van de ontsluitingswegen en de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde zaken, leidingen, rioleringen en andere voorzieningen op, in, aan en boven het park “Bedrijvenpark [eiseres] ”;
b. […].’
2.5.
In het kader van de werkzaamheden van de ontwikkelingscombinatie heeft [gedaagde sub 1] zich bezig gehouden met de verkoop van ongeveer 60 objecten in het bedrijvenpark (hierna: de bedrijfsunits) en heeft hij meegewerkt aan de ontwikkeling ervan. Ook [gedaagde sub 2] heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van het bedrijvenpark. Directievoerder namens de ontwikkelingscombinatie was de heer [B] (hierna: [B] ), werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] .

23 september 2017

Zwaardere tuchtrechtelijke straf dan in richtlijn

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:7792


In deze zaak laat het hof, in hoger beroep in kort geding, een door de tuchtcommissie van de KNVB opgelegde straft in stand. De tuchtcommissie had niet de (volgens de richtlijnen) gebruikelijke straf van aftrek van 2 winstpunten opgelegd, omdat de overtreding was gemaakt in de nacompetitie en winstpunten niet relevant zijn in de nacompetitie. Daarom was het team uit de nacompetitie gehaald. Het hof vindt dit geen onredelijke straf. 
Interessant is vooral dat de KNVB de straf had opgelegd op 25 juli, dat de rechtbank uitspraak had gedaan op 10 augustus (link), en dat het arrest in hoger beroep op 4 september is gewezen. 



arrest in kort geding van 4 september 2017
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [voetbalvereniging X] ,
appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres,

tegen: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Koninklijke Nederlandse Voetbalbond,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: KNVB,

1Het geding in eerste aanleg


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 10 augustus 2017 (hierna: het bestreden vonnis) [ ECLI:NL:RBMNE:2017:4373 ] dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland 
(locatie Utrecht) tussen partijen heeft gewezen.

3 De vaststaande feiten

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.18 van het bestreden vonnis. In aanvulling en ter correctie daarop gaat het hof nog uit van de volgende feiten: