28 december 2014

Royement en jarenlang afwijken van statuten

Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:6094

Constructie waarbij een vereniging afhankelijk van het ledenaantal een ledenraad of ALV heeft. Ledenaantal zweeft rondom de grens. Vereniging heeft al jarenlang een ALV, geen ledenraad. Geroyeerd lid voert zonder succes aan dat het besluit tot ontzetting nietig zou zijn omdat het bestuur niet conform de statuten door de Ledenraad benoemd is, maar door de ALV. Vacatures in bestuur maken bestuur niet onbevoegd, gelet op statutaire regeling. Inhoudelijke toetsing van de gronden van het ontzettingsbesluit niet mogelijk omdat vervaltermijn is verstreken.

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

de vereniging [eiseres] ,  tegen

[gedaagde] ,  gedaagde.

14 december 2014

Scriptie mr. Groen - de Kimpe "Verboden verenigingen"

J.G. Groen - de Kimpe, Verboden verenigingen, Celsus 2014 
te bestellen via: http://www.celsusboeken.nl/?p=1969

Deze in boekvorm uitgegeven, doch niet zeer omvangrijke scriptie over verboden verenigingen is alleen al lovenswaardig omdat grondige bestudering van dit lastige onderdeel van het verenigingsrecht een goede zaak is. Auteur analyseert de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak van vereniging Martijn en komt met een aantal nieuwe argumenten.

1. Volgens auteur kan uit de opmerking van de Minister in Kst 17476, nr. 5-7, onder 8, dat de eerder genoemden voorbeelden van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde evenzeer in strijd zijn met de goede zeden, niet worden afgeleid dat "goede zeden" en "openbare orde" hetzelfde zijn. Het feit dat de specifieke opgesomde voorbeelden met beide in strijd zijn, sluit niet uit dat er ook werkzaamheden kunnen zijn die slechts in strijd zijn met één van beiden. Dit is relevant, nu art. 2:20 BW slechts strijd met de openbare orden aanmerkt als grond voor verbodenverklaring, waarbij de zinsnede "of goede zeden" geschrapt is. Volgens auteur is het schrappen van die zinsnede problematisch, omdat het de vraag oproept of er in dat geval nog wel grond is voor een ontbinding en verbodenverklaring van de rechtspersoon. Auteur constateert een leemte in het criterium van art. 2:20 BW.

2. Dit lijkt volgens auteur aan de orde in de zaak van Vereniging Martijn. De Hoge Raad benadrukt in zijn uitspraak dat uit de MvA blijkt dat met openbare orde in art. 2:20 BW hetzelfde bedoeld zou zijn als met goede zeden als bedoeld in artikelen 10 lid 2 en art. 11 lid 2 EVRM. Auteur veronderstelt dat de Hoge Raad bewust terugvalt op strijd met de goede zeden omdat de vaststelling dat de werkzaamheden van Vereniging Martin in strijd zijn met de openbare orde, omstreden is. De Hoge Raad begaat hier een misstap volgens auteur "door te beweren dat me openbare orde in art. 2:20 BW hetzelfde is bedoeld als met de goede zeden". Door te stellen dat met "strijd met de openbare orde" hetzelfde is bedoeld als "strijd met de goede zeden" wordt aansluiting gezocht bij de wettekst van art. 2:15 en art. 2:16 BW oud (1976), wat tot gevolg "kan hebben" dat de kant wordt opgegaan die door de wetgever als ongewenst is omschreven - auteur doelt hier vermoedelijk op alinea 8 van de MvA.

3. In zijn uitspraak past de Hoge Raad de criteria toe van de Vona v. Hungary zaak (EHRM 9 juli 2013, nr. 35943/10), volgens auteur ten onrechte, omdat het in tegenstelling tot de zaak van Vereniging Martijn, in die zaak ging om de bescherming van de democratie er sprake van een politieke beweging.

4. Tot slot merk ik op dat Van der Ploeg in NJB 15 november 2013, pagina 2810, de MvA onjuist citeert door een (cruciale) komma toe te voegen: "Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel [[,]] die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.". Die eerste komma, tussen vierkante haken, staat niet in de MvA, die voegt Van der Ploeg zelf toe, daarmee -how convenient- van een beperkende bijzin een uitbreidende bijzin makend. De afwezigheid van de komma in de MvA ondergraaft zijn betoog op pagina 2810, linker kolom. Door de afwezigheid van de komma in de MvA is de zinsnede "die ... samenleving" een beperkende bijzin en dus een cumulatieve voorwaarde.

11 december 2014

Lidmaatschap bestuurslid kan niet worden opgezegd

Rechtbank Limburg 10 december 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:10712

Bestuur zegt (bij meerderheidsbesluit) het lidmaatschap op van een ander bestuurslid. Volgens de rechter in kort geding is dit ongeldig, omdat zo het bestuurslidmaatschap beeindigd kan worden door bestuur, terwijl alleen de ALV bestuursleden kan ontslaan. Lastige situatie: enerzijds leggen de statuten de bevoegdheid tot opzeggen van het lidmaatschap bij het bestuur, anderzijds komt de bevoegdheid tot ontslag van bestuursleden toe aan de ALV. Kan er zo even niets over vinden in de literatuur. Vergelijk:  Rb. Leeuwarden 21 februari 2001, LJN AB0170 (Behoud Waddenzee)
Vonnis in kort geding van 10 december 2014
in de zaak van
[eiser] eiser, tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
SCHIETSPORTVERENIGING “A-TEAM”, gedaagde.

10 december 2014

De vervaltermijn, het begrip 'orgaan', en een kerkelijke stichting

Rechtbank Midden Nederland, 26 november 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:6400

Stichtingenrecht, bij uitzondering. De rechter bevestigt dat de vervaltermijn van één jaar, om vernietiging van een besluit te vorderen, hard is en niet verlengd kan worden, noch door stuiting, noch door afstand van de termijn door de vereniging: "de voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de Stichting belang heeft bij haar verzoek, mede gelet op het feit dat de vervaltermijn uit artikel 2:15 lid 5 BW op 29 november 2014 verstrijkt, de rechtspersoon daar geen afstand van kan doen en de stuitingsregeling van artikel 3:316 BW niet van toepassing is." 
Volgens de heersende leer moet de rechter vervaltermijnen in het algemeen ambtshalve toepassen, dus ook als partijen er niet over beginnen (ECLI:NL:PHR:2013:CA1970, r.o. 2.5). In dat licht kan worden opgemerkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een vervaltermijn in plaats van een verjaringstermijn onder overweging dat "[a]nders dan van verjaring kan van het verval geen afstand door de rechtspersoon worden gedaan, waardoor de rechtszekerheid wordt gediend, die juist bij de materie der geldigheid van besluiten zo'n grote rol speelt." (Kst 17725, nr. 3, p. 62). Verder: 1 dag te laat, is te laat (Kollen, p. 445, NJ 2001, 610)

Verder een analyse van wat een orgaan is, omdat alleen van besluiten van een "orgaan" vernietiging kan worden gevorderd. "Tekst &; Commentaar" en Dijk/Van der Ploeg worden geciteerd, niet de Asser-serie. Kollen was mogelijk minder voor de hand liggend in een zaak over een stichting. Conclusie:"Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de Kleine Synode worden aangemerkt als een orgaan van de Stichting. Op grond van artikel 14, tweede lid van de statuten van de Stichting heeft de Kleine Synode een duidelijke welomschreven bevoegdheid om binnen de Stichting een functie vervullen en een besluit te nemen, te weten het bewerkstelligen van de ontbinding van de stichting. Dit wordt nog duidelijker indien men beziet dat het bestuur op dat besluit niet of nauwelijks invloed kan uitoefenen[,] omdat dit besluit niet in[,] maar na overleg met het bestuur wordt genomen."

Het betreft een zeldzaam (uniek?) voorbeeld van de verzoekschriftprocedure van art. 2:15 lid 3 sub b, waarbij het bestuur van een rechtspersoon vernietiging door de rechter vordert van een besluit van de rechtspersoon zelf, zij het van een ander orgaan. Het bestuur zou dus in principe als eiser en als gedaagde moeten optreden. Daarom schrijft de wet voor dat de rechter eerst een persoon benoemt, die als gedaagde zal optreden. De rechter merkt op dat die persoon het besluit niet hoeft te verdedigen, hij kan zich ook refereren aan het oordeel van de rechter. 

Enigzins cryptische overweging over dat het naderende einde van de vervaltermijn voor een vereist belang zou zorgen - dit lijkt eerder betrekking te hebben op spoedeisendheid. Echter, hoewel op grond van art. 2:15 lid 3 sub b de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd is, betekent dat niet spoedeisendheid vereist is, of dat het zou gaan om een voorlopige voorziening, of om een kort geding (voor zover dat al mogelijk zou zijn in een verzoekschriftprocedure). Bovendien: redelijk belang wordt genoemd in art. 2:15 lid 3 sub a, niet in sub b (zo ook Kollen, p. 446); voorts valt lastig in te zien hoe de met ontbinding bedreigde stichting geen belang zou kunnen hebben bij haar voortbestaan. 

Voor de liefhebber nog: kerkelijk recht. 
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
handelskamer
Beschikking van de voorzieningenrechter van 26 november 2014 in de zaak van
de stichting STICHTING KERK EN WERELD verzoekster,
en het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap PROTESTANTSE KERK IN NEDERLAND belanghebbende.


8 december 2014

Oproep: juristen en advocaten verenigingsrecht

Oproep

Op de pagina "over en advies" noem ik een aantal juristen en advocaten die gespecialiseerd zijn in verenigingsrecht (volgens eigen opgave). Ik ontvang met enige regelmaat vragen n.a.v. dit weblog en verwijs dan altijd naar die pagina voor specialisten. Zelf kan ik helaas geen uitgebreid advies geven.

Ik zou graag meer specialisten noemen op die pagina. Bent u jurist of advocaat met aantoonbare ervaring / specialisatie in het verenigingsrecht, en met affiniteit voor het adviseren van leden en besturen bij conflicten in verenigingen, neem dan contact met mij op. In deze email kunt u opnemen: uw website, een kort stukje van +/- 25 woorden over uw praktijk, welk stukje ik kan plaatsen op genoemde pagina, en eventueel een toelichting op de genoemde punten van ervaring en affiniteit.
Een specialisatie in VVE-recht of arbeidsrecht in sportverenigingen is minder relevant dan goede kennis van boek 2 BW.

Mijn emailadres staat op deze pagina. In ieder geval tot 1 december 2015 zijn reacties zeer welkom.