30 maart 2014

Ontzegging (Waterkip)

Rechtbank Arnhem 11 juli 2011 (Waterkip)
ECLI:NL:RBARN:2011:BR3147


Deze uitspraak is even blijven liggen. Royement dochter vanwege gedrag ouders, terwijl dochter niets wordt verweten, is nietig. Daarnaast onzorgvuldige procedure: de ALV is bevoegd tot royeren, maar de uitnodiging voor de extra ALV is verhullend. "Dit maakt dat het besluit gezien de voorbereiding daarvan op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Het besluit is dan ook, voorshands geoordeeld, ingevolge artikel 2:15 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist."

Vonnis in kort geding van 11 juli 2011
in de zaak van
1. [eiser .1], en 2. [eiser.2],
in hun hoedanigheid van ouders die het gezag uitoefenen over hun op [datum] geboren dochter [naam dochter], eisers, tegen
de vereniging BARNEVELDSE ZWEMCLUB "DE WATERKIP", gedaagde,

Klassieker: ontstaan informele vereniging (The Lord’s Choir)

Klassieker: Gerechtshof Arnhem 14 april 2009
ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2178

Klassieker over het ontstaan van een informele vereniging (een vereniging zonder statuten).

Zowel de parochie als het koor meent eigenaar te zijn van een drumstel. De parochie betwist dat het koor een rechtspersoon is. Het koor stelt dat zij een informele vereniging is.

4.11 Het hof overweegt dat niet elk samenwerkingsverband van leden een vereniging is in de zin van artikel 2:26 BW. Voor het zijn van een vereniging is vereist dat de oprichters bij meerzijdige rechtshandeling een rechtspersoon tot stand brengen. Dit is het geval indien het verband een eigen identiteit onderscheidt van de leden en als eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt door zich als subject van rechten en verplichtingen te gedragen. Voor het bestaan van een vereniging is niet vereist dat er een rechtshandeling is waarbij zij is opgericht. Een vereniging kan ontstaan doordat een samenwerkingsverband van personen als eenheid gaat deelnemen aan het rechtsverkeer. Niet noodzakelijk is dan dat het doen ontstaan van een rechtspersoon door de samenwerkenden uitdrukkelijk is gewild. Om als informele vereniging in de zin van artikel 2:30 BW te worden aangemerkt is evenmin vereist dat het verband statuten heeft of is ingeschreven in het handelsregister.
4.12 De parochie heeft niet gemotiveerd betwist dat het koor is opgericht door een aantal musici met het doel eucharistievieringen muzikaal te omlijsten, dat het koor een bestuur en andere organen – waaronder een feestbestuur, een lectorencollege en een liturgiegroep – heeft en leden die contributie betalen, dat het een eigen administratie heeft en dat het koor in financieel opzicht geheel zelfstandig is en was. Uit deze omstandigheden blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake is en was van een zelfstandig georganiseerd samenwerkingsverband dat gericht is op een bepaald doel. De parochie heeft evenmin gemotiveerd betwist dat het koor koopovereenkomsten heeft gesloten met betrekking tot de piano en het drumstel. Hieruit volgt reeds dat het koor als eenheid deelneemt aan het rechtsverkeer, zodat het dient te worden aangemerkt als een vereniging in de zin van artikel 2:26 BW.

Verder opmerkelijk: r.o. 4.8 over de verhouding met kerkrecht en r.o. 4.17 over bezit en houderschap.
Vergelijk verder voor de situatie onder het oude recht HR 15-12-1916 (Bas van het Eldense Muziekgezelschap)

Arrest inzake
de rechtspersoonlijkheid bezittende
Rooms Katholieke Parochie Elisa, tegen:
de vereniging Jongvolwassenenkoor “The Lord’s Choir”,


29 maart 2014

Klassieker: informele vereniging (NJN)

Klassieker: Rechtbank Breda 23 november 2011
ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8804

Prg. 2011/115 met annotatie door mr. A.J.J. van der Heiden
JOR 2011/175 met annotatie door G.J.C. Rensen

Het gaat hier om een zaak tussen de tamelijk bekende Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en een kleine extreem-rechtse groepering met een naam die afgekort ook NJN is.
De groepering NJN heeft geen inschrijving bij het Handelsregister. Dit roept de vraag op of de NJN wel een vereniging is die door de rechter veroordeeld kan worden.


De rechter overweegt:
" 3.1. Eiseres betitelt in de dagvaarding gedaagde sub 1 als vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Dit schept onduidelijkheid. Het Burgerlijk Wetboek kent twee soorten verenigingen: die waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die waarbij dit niet het geval is. In het eerste geval heeft de vereniging rechtspersoonlijkheid. In het tweede geval heeft de vereniging beperkte rechtsbevoegdheid, geen rechtspersoonlijkheid. Men spreekt dan wel over een informele vereniging. Een dergelijke informele vereniging kan aangesproken worden uit onrechtmatige daad, en dus procespartij zijn in een daarop ingerichte dagvaarding."

Rechtspersoonlijkheid
Deze overweging geeft niet veel helderheid. Art. 2:3 BW bepaalt dat verenigingen rechtspersoonlijkheid bezitten. Art. 2:5 bepaalt dat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft, gelijk staat met een natuurlijk persoon, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Hieruit vloeit onder meer voort dat een rechtspersoon eigenaar kan zijn van een zaak (art. 5:1 BW). Verder kan een vereniging "worden getroffen door de gevolgen van" een rechtshandeling verricht door een vertegenwoordigingsbevoegde natuurlijke persoon zoals bijvoorbeeld een bestuurder (art. 3:66 lid 1 jo. 3:78 jo. 3:32 jo. 2:45), waardoor de gevolgen van de rechtshandeling niet de natuurlijke persoon treffen. Dit houdt onder meer in dat de vereniging een partij kan zijn bij een overeenkomst en daaraan rechten en plichten kunnen ontlenen.
Verder geldt dat, in beginsel, feitelijke handelingen, opzet, schuld en wetenschap van van natuurlijke personen aan de vereniging kunnen worden toegerekend. Hierdoor is bijvoorbeeld de vereniging en niet de natuurlijke persoon aansprakelijk voor een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).  De regel dat een rechtspersoon een procespartij in rechte kan zijn vloeit hieruit voort.

Elke vereniging heeft rechtspersoonlijkheid, echter 1) niet elke groep is een vereniging en 2) niet elke vereniging staat wat het vermogensrecht geheel gelijk aan een natuurlijk persoon. 

Vereniging met beperkte en volledige rechtsbevoegdheid, terminologie
Dat laatste betreft de verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Art. 2:26 lid bepaalt dat een vereniging wordt opgericht bij een meerzijdige rechtshandeling. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (3:33 BW). Voor een meerzijdige rechtshandeling dienen meer personen hun op hetzelfde rechtsgevolg gerichte wil te openbaren. Een rechtshandeling is vormvrij en de oprichting van een vereniging ook. Art. 2:27 lid 1 bepaalt dat een vereniging kan worden opgericht bij een notariële akte, in welk geval de akte de statuten van de vereniging bevatten (art. 2:27 lid 3). De wet voorziet er echter uitdrukkelijk in dat de vereniging niet wordt opgericht bij notariële akte (art. 2:28). De wet voorziet er zelfs in dat een vereniging niet op schrift gestelde statuten heeft (art. 2:30 lid 3, tweede zin), dus niet alleen statuten die niet in een notariële akte zijn opgenomen, maar statuten die geheel niet schrift zijn gesteld. In dergelijke mondelinge statuten kan echter niet worden afgeweken van de wettelijke bepalingen (art. 2:52). Derhalve hoeven dergelijke statuten slechts de naam van de vereniging, het doel en de gemeente waar de vereniging gevestigd is te bepalen (art. 2:27 lid 4 sub a en b). 

Echter, vereniging waarvan de statuten in niet in een notariële akte zijn opgenomen (bij de oprichting of later), kunnen geen registergoederen verkrijgen en kunnen geen erfgenaam zijn (art. 2:30 lid 1). In art. 2:43 lid 6 wordt dit aangeduid als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid en in art. 2:43 lid 5 wordt de term "vereniging met volledige rechtsbevoegdheid" gebruikt om verenigingen aan te duiden waarvan de statuten in een notariële akte zijn opgenomen. Er zijn geen andere beperkingen van de rechtsbevoegdheid van verenigingen, dan die welke art. 2:30 lid 1 verbindt aan het niet in een notariële akte opgenomen zijn van de statuten. Daarom zijn alle vereniging waarvan de statuten niet in een notariële akte zijn opgenomen, en alleen die verenigingen, verenigingen met een beperkte rechtsbevoegdheid, en alle overige verenigingen verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid.
De wet gebruikt (ongelukkigerwijs) ook de term "verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid" (bijvoorbeeld in art. 2:308 lid 2 BW en art. 6 lid 2 Handelsregisterwet 2007). Dit is hetzelfde als "verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid". De term "informele vereniging" wordt hiervoor ook wel gebruikt. 
Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bestonden onder het recht zoals dat gold van 1855 tot 1976, toen voor rechtspersoonlijkheid van de vereniging goedkeuring van de statuten voor de overheid nodig was. 

Rechtsgevolgen van beperkte en volledige rechtsbevoegdheid.
De wet bepaalt allereerst dat verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid geen registergoederen kunnen verkrijgen en geen erfgenaam kunnen zijn (art. 2:30 lid 1).
Men kan goederen verkrijgen onder algemene of bijzondere titel (art. 80 lid 1). Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, boedelmenging en door fusie en splitsing (lid 2). Voor fusie en splitsing geldt dat de bepalingen van art. 2:308 e.v. over fusie en splitsing niet van toepassing zijn op verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid (art. 2:308 lid 2). Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, verjaring en onteigening, en door de overige in de wet geregelde wijzen van rechtsverkrijging (lid 3). Een registergoed is een goed voor welker overdracht of vestiging inschrijving in een daartoe bestemd openbaar register noodzakelijk is (art. 3:10). Hoewel de definitie van een registergoed dus aanknoopt bij een wijze van overdracht, is de beperking van de rechtsbevoegdheid van art. 2:30 lid 1 niet beperkt tot verkrijging van registergoederen door overdracht, ook verkrijgen door verjaring is niet mogelijk, bijvoorbeeld van een clubhuis.
Voor overdracht van een goed wordt vereist levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken (art. 3:84 lid 1). De levering van onroerende zaken geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (art. 3:89 lid 1). Grond en de duurzaam met de grond verenigde gebouwen en werken zijn onroerende zaken (art. 3:3 lid 1) en dus registergoederen. Voorbeelden van andere soorten registergoederen zijn appartementsrechten (art. 5:117), teboekstaande zeeschepen (art. 8:199), binnenschepen (art. 8:790) en luchtvaartuigen (art. 8:1306 lid 1) en de daarop gevestigde beperkte rechten (art. 3:98) en aandelen in dergelijke goederen (art. 3:96). Een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid kan deze goederen dus niet verkrijgen. De vereniging kan dergelijke goederen wel kopen, echter juridisch gezien kan de overdracht niet slagen, in de praktijk zal de notaris niet meewerken aan de leveringsakte.

Opgemerkt dat het bestuur van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid niet zomaar registergoederen verkrijgt of vervreemdt (art. 2:44 lid 2). De bevoegdheid daartoe moet uit de statuten voortvloeien (de statuten kunnen bijvoorbeeld bepalen dat de ALV ertoe kan besluiten). De overeenkomst betreft ook de koop- of verkoopovereenkomst en is dus niet gericht op de levering of overdracht van het registergoed.

Een vereniging kan geen erfgenaam zijn. Een rechtspersoon kan erfgenaam zijn door erfstelling bij uiterste wilsbeschikking (art. 4:116). De wet onderscheidt de erfgenaam van de legataris (art. 4:117). Met een legaat kent een erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toe (art. 4:117). Met Dijk/Van der Ploeg lijkt mij dan ook dat een een vereniging met beperkte bevoegdheid wel legataris kan zijn, onjuist lijkt mij Kollen, p. 18. Betreft het legaat een registergoed, dan is er wel een titel, maar is overdracht niet mogelijk. 

De wet stelt op tal van plaatsen de eis dat een vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft, bijvoorbeeld om te kunnen (juridisch) splitsen of fuseren (art. 2:308), een lijstaanduiding registreren voor verkiezingen (art. G1 Kieswet), een enquêteprocedure aanspannen (2:347), een collectieve vordering instellen (art. 3:305a), en om subsidie te ontvangen (art. 4:66 Awb). De vereniging is de enige rechtspersoon die beperkte of volledige rechtsbevoegdheid kan hebben. 

Rechtsbevoegdheid en inschrijving in het handelsregister
Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid heeft in een notariële akte opgenomen statuten. De wet voorziet in de mogelijkheid dat een dergelijke vereniging (nog) niet is ingeschreven in het handelsregister (art. 2:29), hoewel dat verplicht is (art. 2:29 lid 1). In dat geval is iedere bestuurder naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk voor een rechtshandeling waardoor hij de vereniging verbindt (art. 2:29 lid 2). Hij is dus in beginsel niet aansprakelijk gedurende die periode voor feitelijke handelingen en rechtshandelingen waardoor anderen de vereniging verbinden.

Rechtsbevoegdheid en aansprakelijkheid
Aan beperkte rechtsbevoegdheid van een vereniging lijkt de wet op het eerste gezicht een verzwaarde aansprakelijkheid van de bestuurders te koppelen (art. 2:30 lid 2). Dit is echter genuanceerd. Ten eerste vormen de beperkte aansprakelijkheid van bestuurders en de rechtsbevoegdheid van de vereniging verschillende aspecten van de rechtspersoonlijkheid van de vereniging. Ten tweede is de inschrijving in het handelsregister ook van belang. De bestuurders van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid kunnen de vereniging doen inschrijven in het handelsregister (art. 2:30 lid 1). Dit is dus niet verplicht, anders dan voor een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte. Ook een vereniging zonder schriftelijke statuten kan worden ingeschreven (art. 2:30 BW). Zolang de vereniging niet is ingeschreven, is voor hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders niet vereist dat de schuldeiser aannemelijk maakt dat de vereniging niet aan de verbintenis zal voldoen. De aansprakelijkheid houdt in dat alle bestuurders hoofdelijk (elk voor het geheel, art. 6:7 BW) aansprakelijk zijn voor schulden uit rechtshandelingen die tijdens hun bestuur opeisbaar worden. Het betreft dus niet schulden uit feitelijke handelingen. Indien er geen bestuurders zijn, dan zijn aansprakelijk de personen die bestuurder waren op het moment dat de rechtshandeling werd verricht. Zijn er geen personen op basis hiervan aansprakelijk, dan zijn de genen die de rechtshandeling verrichten, hoofdelijk aansprakelijk. Een bestuurslid kan aan deze aansprakelijkheid ontkomen indien hij niet tevoren over de rechtshandeling zijn geraadpleegd en toen hij geweigerd heeft de handeling voor zijn verantwoording te nemen, toen de handeling hem bekend werd (en dus tijdig ontslag heeft genomen).
Daarnaast bepaalt bijv. art. 33 lid 1 sub a Invorderingswet dat ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk is voor rijksbelastingen verschuldigd door een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.

Bij faillissement van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid die is ingeschreven in het handelsregister, zijn de dan zittende bestuursleden hoofdelijk aansprakelijk (voor schulden uit rechtshandelingen die opeisbaar worden terwijl ze bestuurslid zijn). Voor verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid geldt dat de bestuursleden in principe niet aansprakelijk zijn bij faillissement, behalve als de vereniging aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen (art. 2:50a). In dat geval zijn de antimisbruikbepalingen van toepassing en is in principe elk bestuurslid hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort jegens de boedel, in geval van onbehoorlijk bestuur waarvan aannemelijk is dat het een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:138 lid 1).

In hoofdlijnen geldt echter dat, bij een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, die is ingeschreven in het handelsregister en geen onderneming drijft, degene die een rechtshandeling verricht voor de vereniging niet aansprakelijk is en dat bij faillissement van de vereniging de bestuurders niet aansprakelijk zijn, terwijl de bestuurders wel hoofdelijk aansprakelijk zijn bij faillissement van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.

Beperkte rechtsbevoegdheid en onrechtmatige daad
Een vereniging, als rechtspersoon, kan slechts handelen door natuurlijke personen. Voor aansprakelijkheid van de vereniging op grond van onrechtmatig feitelijk handelen (art. 6:162 lid 1 BW) is derhalve toerekening (in ruime zin) een voorwaarde (hoewel dit in de jurisprudentie niet zo'n punt lijkt te zijn). Grond hiervoor geven art. 6:170 en art. 6:171, de risicoaansprakelijkheid voor ondergeschikte en niet-ondergeschikte hulppersonen. Een andere grond is, mogelijk, de toerekening op grond van verkeersopvattingen van art. 6:162 lid 3 (hoewel dat in beginsel ziet op de vraag of bijv. de leeftijd of geestgesteldheid van de dader in de weg staan aan toerekenen van eigen feitelijk handelen).

De overweging van de rechter herschreven
3.1. Eiseres betitelt in de dagvaarding gedaagde sub 1 als vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Dit schept onduidelijkheid. Het Burgerlijk Wetboek kent twee soorten verenigingen: die waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die waarbij dit niet het geval is. In het eerste geval beide gevallen heeft de vereniging rechtspersoonlijkheid. In het tweede geval heeft de vereniging beperkte rechtsbevoegdheid, geen rechtspersoonlijkheid. Men spreekt dan wel over een informele vereniging. Een dergelijke informele vereniging kan aangesproken worden uit onrechtmatige daad, en dus procespartij zijn in een daarop ingerichte dagvaarding."

Niet elk samenwerkingsverband is een vereniging

De rechter overweegt verder:
3.2. Mogelijk bedoelt eiseres dat gedaagde 1 een informele vereniging is. Dan is het navolgende van belang: Niet ieder samenwerkingsverband tussen mensen is een vereniging in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Clubs of netwerken van mensen worden pas een vereniging als er een organisatie is, een eigen identiteit die onderscheiden is van hun leden, en als zij als eenheid aan het rechtsverkeer deelnemen.

De vereniging is de enige in boek 2 geregelde soort rechtspersoon die niet bij notariële akte hoeft te worden opgericht. Het ontstaan van een vereniging vereist slechts een meerzijdige rechtshandeling, welke vormvrij is. De rechtshandeling betreft dan de wil van de oprichters die zich door een verklaring van elk van de oprichters heeft geopenbaard en welke wil gericht is op het rechtsgevolg van oprichting van een vereniging (art. 3:33 BW). De verklaring kan in iedere vorm geschieden en ook in een of meer gedragingen besloten liggen (art. 3:37 lid 1 BW). (Merk op dat hoewel art. 2:26 spreekt van een rechtshandeling, de titel 3.2 BW niet rechtstreeks van toepassing is (art 3:59)). Over de toepassing van dit criterium is geen standaardarrest. Met Kollen ben ik het eens dat indien de oprichters wensen samen te werken, maar niet in verenigingsverband, dat er dan in principe geen vereniging wordt opgericht.

In het bestuursrecht is er de uitspraak van de ABRvS 12 maart 2008 waarin als cumulatieve eisen zijn gegeven dat:
1) er een ledenbestand moet zijn;
2) het om een organisatorisch verband moet gaan dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht;
3) de organisatie als een eenheid dient deel te nemen aan het rechtsverkeer.

Dit lijkt overeen te komen met r.o. 3.2 van onderstaand vonnis, hoewel de opmerking daarin dat "niet ieder samenwerkingsverband tussen mensen [] een vereniging in de zin van het Burgerlijk Wetboek [is]" niet zo moet worden gelezen, dat elke vereniging een samenwerkingsverband tussen mensen is. Een vereniging kan ook worden opgericht door rechtspersonen en die als lid hebben.

Verder kan ook een groep die geen rechtspersoon is, wel procespartij zijn. Immers is vaste rechtspraak (sinds HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103) dat een maatschap procespartij kan zijn.

Vonnis in kort geding van 23 maart 2011
in de zaak van de statutaire vereniging
NEDERLANDSE JEUGDBOND VOOR NATUURSTUDIE,
tegen 1. de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid
[Nat. Jeugd Ned.],
feitelijk gevestigd te [], gemeente [], gedaagde, niet verschenen,
2. [gedaagde 2],

22 maart 2014

Hoor en wederhoor ziet juist op de bewijsmiddelen bij tuchtrechtspraak

Rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2013
ECLI:NL:RBMNE:2014:720

Vernietiging van uitspraak van tuchtcommissie van vereniging wegens niet in acht nemen hoor en wederhoor t.a.v. van de bewijsmiddelen en door geen rekening te houden met de verhinderdata van het lid voor de hoorzitting (2:15 lid 1 sub b).

Tuchtrechtelijke uitspraak wordt aangemerkt als besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW, niet als bindend advies. Procedure bij Ereraad (orgaan belast met tuchtrechtspraak) tegen eiser, eiser is berispt door de Ereraad. Eiser was verhinderd op de dag van de zitting en niet aanwezig, hiermee werd geen rekening gehouden door de Ereraad. "Maar wat hiervan zij: bedoeld of onbedoeld, het zonder goede reden niet rekening houden met de verhindering van [eiser] bij de agendering van de zitting draagt bij aan de strijdigheid van de uitspraak met artikel 2:15 lid 2 sub b BW."
De Ereraad heeft zijn oordeel gebaseerd op een getuigenverklaring ter zitting, waar eiser afwezig was, en heeft eiser geen gelegenheid geboden erop te reageren. "De Ereraad heeft dusdoende, met betrekking tot zowel de schriftelijke als de mondelinge getuigenverklaringen, het fundamentele procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor geschonden, hetgeen zijn uitspraak vernietigbaar maakt ... op voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (redelijkheid en billijkheid)."
"Het beginsel van hoor en wederhoor beperkt zich niet tot de standpunten die in het kader van een procedure door een (weder)partij naar voren worden gebracht, maar ziet – juist –  (nadruk toegevoegd, PdL) ook op de bewijsmiddelen die die (weder)partij daarvoor inbrengt, en het vereiste dat de overige partijen daarop als zodanig moeten kunnen reageren en hun proceshouding daarop nader kunnen bepalen."



Vonnis van 19 maart 2014
in de zaak van
[eiser] ,
tegen 1. de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE JAGERSVERENIGING ,
Partijen zullen hierna [eiser], de KNJV en [gedaagde sub 2] worden genoemd.