6 december 2018

Dispensatiemogelijkheid in reglement

Deze zaak gaat over het verlenen van dispensatie. Het reglement biedt de mogelijkheid voor dispensatie. Dat is niet vrijblijvend volgens de rechter: de vereniging moet de concrete omstandigheden van het geval afwegen bij het beoordelen van een verzoek om dispensatie.
Dat er een dispensatiemogelijkheid is opgenomen in het reglement, impliceert dat er situaties denkbaar zijn waarin het algemene belang dat door de 1 april-regeling wordt gewaarborgd, juist níet prevaleert boven andere belangen die meespelen. De Nederlandse Badminton Bond had dus de concrete omstandigheden van het geval moeten onderzoeken: zij had in haar belangenafweging de belangen van [vereniging 1] en [vereniging 2] / [minderjarige] uitdrukkelijk moeten meenemen. Zij heeft dus niet kunnen volstaan met haar visie dat het geschil tussen [vereniging 1] en [vereniging 2] / [minderjarige] is terug te voeren op een geschil over het niveau van indeling en dat zij niet treedt in dat soort geschillen. " 


ECLI:NL:RBMNE:2018:5525


3.10.
Vast staat dat het reglement geen toetsingskader bevat voor het verlenen van dispensatie van de 1 april-regeling. Partijen zijn het erover eens dat het de Nederlandse Badminton Bond vrijstaat om alle feiten en omstandigheden en belangen van een verzoek om dispensatie te betrekken. De LCW en het Bondsbestuur van de Nederlandse Badminton Bond hebben bij het nemen van de besluiten volstaan met het maken van een algemene belangenafweging. Zij hebben het algemene belang van verenigingen bij handhaving van de 1 april-regeling afgewogen tegen het algemene belang van spelers bij het overstappen naar een andere vereniging na 1 april en daaruit geconcludeerd dat het belang van de verenigingen zwaarder weegt. Het staat de Nederlandse Badminton Bond vrij om de dispensatiemogelijkheid in verband met deze algemene belangen terughoudend toe te passen en het is ook begrijpelijk dat zij dat doet gezien de (onbetwiste) achtergrond van de 1 april-regeling. Deze terughoudende toepassing maakt echter niet dat de Nederlandse Badminton Bond, als een dispensatieverzoek wordt gedaan, kan volstaan met het maken van deze algemene belangenafweging. Dat er een dispensatiemogelijkheid is opgenomen in het reglement, impliceert dat er situaties denkbaar zijn waarin het algemene belang dat door de 1 april-regeling wordt gewaarborgd, juist níet prevaleert boven andere belangen die meespelen. De Nederlandse Badminton Bond had dus de concrete omstandigheden van het geval moeten onderzoeken: zij had in haar belangenafweging de belangen van [vereniging 1] en [vereniging 2] / [minderjarige] uitdrukkelijk moeten meenemen. Zij heeft dus niet kunnen volstaan met haar visie dat het geschil tussen [vereniging 1] en [vereniging 2] / [minderjarige] is terug te voeren op een geschil over het niveau van indeling en dat zij niet treedt in dat soort geschillen. Nu de Nederlandse Badminton Bond niet de concrete omstandigheden en belangen heeft onderzocht en meegewogen, is het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de LCW en het Bondsbestuur de genomen besluiten niet in redelijkheid hebben kunnen nemen en de besluiten om die reden zal vernietigen.

3 december 2018

Royement ongeldig (Noeroel Islam)

Het bestuur van de moskeevereniging royeert 5 leden. Het royement wordt vernietigd: de leden kregen niet de kans hun kant van het verhaal te doen tijdens de ALV over het royement. Het bestuur stuurde ook de brief van de geroyeerde leden niet door naar de ALV. " Gelet op de grote gevolgen die ontzetting voor [de 5 leden] met zich meebrengt, had het op de weg van de Vereniging gelegen ervoor te zorgen dat het verweer van [de 5 leden] voldoende kenbaar was gemaakt. Door dat niet te doen, heeft de Vereniging zich onvoldoende de belangen van [de 5 leden] aangetrokken en dus in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht gehandeld. Het royement wordt bovendien vernietigd omdat "de Vereniging heeft evenwel in het geheel niet geconcretiseerd welke specifieke bepalingen in statuten, reglementen of besluiten [geopposeerde 1 c.s.] heeft geschonden."


ECLI:NL:RBDHA:2018:13848
de vereniging
HAAGSE MOSLIM VERENIGING “NOEROEL ISLAM”,
gevestigd te Den Haag,
opposant,

tegen

1[geopposeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. [geopposeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [geopposeerde 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [geopposeerde 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [geopposeerde 5],
wonende te [woonplaats] ,
geopposeerden,

Partijen zullen hierna [geopposeerde 1 c.s.] en “de Vereniging” worden genoemd.

1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • -
    het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 31 januari 2018 met zaak- en rolnummer C09 545563/HA-ZA 18-19 en de daarin genoemde stukken;
  • -
    de verzetdagvaarding van 27 februari 2018 met producties;
  • -
    het tussenvonnis van 28 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
  • -
    het proces-verbaal van de op 26 juni 2018 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
1.3.
Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen over het proces-verbaal schriftelijk kenbaar te maken. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt.
1.4.
Ter zitting heeft mr. Arslan bezwaar gemaakt tegen de toevoeging aan het procesdossier van de door mr. Eenens nagezonden productie 20 (“concept memorie van grieven”) met daarbij de toelichting op deze productie, omdat hij – anders dan de rechtbank – die stukken pas de dag voorafgaand aan de zitting heeft ontvangen. Meer specifiek heeft hij aangevoerd dat – voor zover die stukken wel aan het procesdossier worden toegevoegd – hij in de gelegenheid wil worden gesteld om op die stukken bij akte te reageren. De rechtbank is van oordeel dat toevoeging van deze stukken niet in strijd met de goede procesorde is. Mr. Arslan heeft erkend dat hij bekend is met dit stuk uit een tussen partijen lopende andere procedure. Reeds om die reden is toevoeging van de stukken niet in strijd met de goede procesorde. Voorts zullen de nagezonden productie niet bijdragen aan de beoordeling in deze procedure. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding mr. Arslan nog te laten reageren op deze stukken.

2De feiten

2.1.
De Vereniging heeft blijkens artikel 3 van de statuten tot doel het bevorderen van godsdienstige, culturele en sociale belangen van moslims en verder van de betrekking met andere gelijksoortige nationale en internationale organen en instellingen, het bevorderen van de studie van de Islam, het prediken, verkondigen en verbreiden van de Islamitische leer, het oprichten en in standhouden van moskeeën, scholen, bibliotheken en bejaardencentra en het bevorderen van goede intergodsdienstige betrekkingen. De Vereniging heeft ongeveer 1.000 leden.