12 september 2018

Wangedrag van ouder van lid



Een voetbalvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op (een jeugdspeler van 8 jaar) vanwege wangedrag van diens vader. De rechter moet beoordelen (in kort geding) of de vereniging dit besluit had mogen nemen.

Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [het kind] , en niet die van zijn vader, [] . 
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [het lid] . [Het lid] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [Het lid] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [Het lid] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen." 
De rechter overweegt de de vereniging de toegang kan verbieden aan de vader, en dat de moeder dan het lid kan wegbrengen en begeleiden (en dat ook al eerder heeft gedaan). De rechter oordeelt dat het aannemelijk is dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap ongeldig is.

Rechtbank Midden-Nederland 13 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3217

2Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.
Heeft de voetbalvereniging het besluit mogen nemen om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen vanwege het volgens haar ontoelaatbare gedrag van zijn vader ( [eiser sub 1] )? Dat is de vraag waar het in dit kort geding in de kern genomen om draait.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat deze vraag door de bodemrechter met “nee” zal worden beantwoord.
2.2.
Allereerst een korte weergave van de feiten.
De achtjarige zoon van [eiser sub 1] is al vier jaar lid van de voetbalvereniging en speelt in dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018 in JO9-1. [eiser sub 1] is (als ouder) betrokken bij de club en is jeugdtrainer geweest van onder andere het team waarin [eiser sub 2] speelde. [eiser sub 1] brengt [eiser sub 2] naar de trainingen en gaat mee naar de thuis- en uitwedstrijden.

Op 11 november 2017 heeft het team van [eiser sub 2] een uitwedstrijd gespeeld.
[eiser sub 1] was daarbij aanwezig om [eiser sub 2] aan te moedigen. Tijdens deze wedstrijd werd [eiser sub 2] gewisseld. [eiser sub 1] was het daarmee niet eens en heeft tegenover de jeugdcoach van het team daarover zijn ongenoegen geuit en is daarna met [eiser sub 2] , terwijl de wedstrijd nog niet was afgelopen, vertrokken.

Naar aanleiding hiervan heeft (het bestuur van) de voetbalvereniging [eiser sub 1] een afkoelingsperiode opgelegd. [eiser sub 1] is daarbij verboden om vanaf 14 november 2017 tot
1 maart 2018 het complex van de voetbalvereniging te betreden en thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Ook is hem verzocht om gedurende deze afkoelingsperiode geen contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
[eiser sub 1] heeft zich hieraan gehouden.
[eiser sub 1] en het bestuur van de voetbalvereniging zijn in de afkoelingsperiode met elkaar in gesprek gegaan over hoe nu verder. Het bestuur van de voetbalvereniging heeft aan [eiser sub 1] laten weten dat de ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader zich door het fanatieke gedrag van [eiser sub 1] , dat zich voor 11 november 2018 ook al had voorgedaan, bedreigd en geïntimideerd voelen en dat daarvoor een oplossing moet komen. [eiser sub 1] heeft aangegeven dat hij bij de voetbalvereniging en het voetbal van [eiser sub 2] betrokken wil zijn en heeft mediaton voorgesteld. Ook heeft hij laten weten in gesprek te willen gaan met ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] . De ouders voelden echter niet voor een gesprek. Tot een oplossing is het niet gekomen.

Het bestuur van de voetbalvereniging heeft vervolgens twee besluiten genomen, namelijk:
- de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 (hierna: het
opzeggingsbesluit), en
- de oplegging van een (nieuw) verbod aan [eiser sub 1] voor de duur van het nog lopende
voetbalseizoen van [eiser sub 2] ; [eiser sub 1] is daarbij verboden om zich tot 30 juni 2018
i) op het complex van de club te begeven, ii) uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te
bezoeken en iii) contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
Doet [eiser sub 1] dat toch dan wordt het lidmaatschap van [eiser sub 2] per direct opgezegd (en dus
niet per 30 juni 2018).
Het bestuur van de voetbalvereniging heeft deze besluiten door middel van twee brieven beiden gedateerd 26 februari 2018 aan [eiser sub 1] kenbaar gemaakt (meegedeeld).
2.3.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] komen in dit kort geding op tegen deze besluiten. Zij voeren aan dat deze besluiten op grond van artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar zijn omdat de inhoud van deze besluiten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die het bestuur van de voetbalvereniging op grond van artikel 2:8 lid 1 BW jegens hen in acht moet nemen. Zij vorderen daarom primair een verbod om uitvoering te geven aan deze besluiten en subsidiair – na wijziging van eis – schorsing van deze besluiten. Beide vorderingen komen erop neer dat de besluiten vooralsnog moeten worden genegeerd als ware zij niet genomen.
De voetbalvereniging voert gemotiveerd verweer.
Vernietigbaarheid opzeggingsbesluit?
2.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit van het bestuur van de voetbalvereniging ongeldig (vernietigbaar) is. Hierna zal worden uitgelegd waarom dit zo is.
2.5.
De vereniging (in dit geval het bestuur van de voetbalvereniging) kan op grond van artikel 2:35 BW het lidmaatschap van één van haar leden opzeggen:
- in de gevallen in de statuten genoemd
- wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap
gesteld te voldoen
- wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te
laten voortduren.
2.6.
De voetbalvereniging stelt zich op het standpunt dat haar besluit om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen rechtsgeldig is, omdat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Als reden hiervoor voert zij aan dat de vader van [eiser sub 2] zich herhaaldelijk, voor het laatst tijdens het incident van
11 november 2018, bedreigend en intimiderend bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft uitgelaten en dat daardoor binnen de voetbalvereniging onrust is ontstaan. De ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader van de voetbalvereniging zouden volgens de voetbalvereniging vanwege het gedrag van [eiser sub 1] op eieren lopen waardoor het plezier dat zij met elkaar op de voetbalclub zouden moeten hebben in het geding is. [eiser sub 1] is niet bereid gebleken om excuses voor zijn gedrag te maken, wat een oplossing in de weg staat. De voetbalvereniging heeft zich niet alleen de belangen van [eiser sub 2] aan te trekken, maar ook die van haar andere leden. De voetbalvereniging is daarom van mening dat zij niets anders kon dan het besluit te nemen om het lidmaatschap van
[eiser sub 2] op te zeggen.
2.7.
[eiser sub 1] herkent zich niet in dit door de voetbalvereniging gestelde gedrag. Hij is, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bevestigd, weliswaar erg fanatiek en betrokken bij de voetbalvereniging en het voetbalteam van [eiser sub 2] , maar hij betwist dat hij bedreigend en intimiderend is en dat ouders, teamkaderleden en kinderen bang voor hem zijn. Hij heeft dit team ook getraind en tot het niveau gebracht waar ze nu zijn, en de kinderen begroeten hem altijd enthousiast. Ook de ouders hebben hem complimenten gemaakt.
2.8.
Partijen verschillen dus van mening over de vraag of [eiser sub 1] zich bedreigend en intimiderend op de voetbalvereniging en bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft gedragen en
en voor angst en onrust binnen de voetbalvereniging zorgt.
De voorzieningenrechter kan de beoordeling van deze vraag in het midden laten, omdat ook wanneer de voetbalvereniging wordt gevolgd in haar standpunt over het gedrag van [eiser sub 1] dit, zoals hierna zal worden uitgelegd, niet de conclusie kan dragen dat er een rechtsgeldig opzeggingsbesluit is genomen.
2.9.
Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] , en niet die van zijn vader, [eiser sub 1] .
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [eiser sub 2] . [eiser sub 2] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [eiser sub 2] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [eiser sub 2] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen.
2.10.
Het is voor (het bestuur van) de voetbalvereniging mogelijk om [eiser sub 1] , wanneer hij zich na de voortzetting van het lidmaatschap van [eiser sub 2] nog steeds bedreigend en intimiderend of anderszins ontoelaatbaar gedraagt, van de voetbalvereniging te weren en hem te verbieden de thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Het bestuur van de voetbalvereniging kan daartoe, wanneer het gedrag van [eiser sub 1] daartoe aanleiding biedt, een (nieuw) aan [eiser sub 1] gericht besluit nemen.
De voetbalvereniging heeft zo’n besluit al twee keer eerder genomen. De eerste keer in
het kader van een afkoelingsperiode en de tweede keer in het kader van de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] .
[eiser sub 1] heeft zich toen aan deze besluiten gehouden, hoe moeilijk dit ook voor hem was.
De moeder van [eiser sub 2] heeft toen de rol van [eiser sub 1] overgenomen; zij heeft [eiser sub 2] naar zijn trainingen gebracht en is ook verschillende keren meegegaan naar zijn thuis- en uitwedstrijden. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij dit wat haar betreft kan blijven doen. Het is een belasting voor haar, maar niet onmogelijk.
De voetbalvereniging heeft opgemerkt dat vanaf de afkoelingsperiode de rust binnen de voetbalvereniging is wedergekeerd. Het aan [eiser sub 1] opgelegde verbod heeft dus effect gehad. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat als het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet en aan [eiser sub 1] een verbod zoals hiervoor bedoeld wordt opgelegd, [eiser sub 1] zich daaraan niet zal houden.

Dat het volgens de voetbalvereniging onwenselijk is om het lidmaatschap van [eiser sub 2] voort te zetten en tegelijkertijd zijn vader, [eiser sub 1] , structureel van de voetbalvereniging te weren, omdat dan wordt ingegrepen in de ouder-kind relatie, is misschien zo, maar maakt niet dat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Het is aan de ouders om hierover een beslissing te nemen en te bepalen of zij dan het lidmaatschap van [eiser sub 2] bij de voetbalvereniging willen opzeggen of niet.
Het is dus mogelijk dat het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet desnoods, voor zover daarvoor een feitelijke grondslag is, in combinatie met een besluit dat [eiser sub 1] wordt geweerd van de voetbalvereniging en de thuis- en uitwedstrijden. Van (het bestuur van) de voetbalvereniging kan worden verlangd dat zij gebruik maakt van deze voor [eiser sub 2] minder bezwarende mogelijkheid. De redelijkheid en billijkheid die de voetbalvereniging ten opzichte van [eiser sub 2] (haar lid) in acht moet nemen brengen dit met zich mee.
2.11.
Alle hiervoor in 2.9. en 2.10. genoemde omstandigheden in onderliggende samenhang wegend, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat (het bestuur van) de voetbalvereniging niet kon besluiten om het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 op te zeggen, vanwege de door haar aangevoerde grond dat van de voetbalvereniging in redelijkheid niet kan worden verlangd zijn lidmaatschap te laten voortduren. Het is in lijn daarmee ook aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar (ongeldig) is, omdat (het bestuur van) de voetbalvereniging door zonder geldige opzeggingsgrond het opzeggingsbesluit te nemen in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid die zij tegenover [eiser sub 2] in acht moet nemen op grond van artikel 2:8 BW.
2.12.
Nu het aannemelijk is dat er een ongeldig opzeggingsbesluit is genomen en het lidmaatschap van [eiser sub 2] van de voetbalvereniging dus voortduurt, is een ordemaatregel op zijn plaats, totdat de bodemrechter heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit of partijen in overleg met elkaar een andere oplossing hebben bereikt.
De voetbalvereniging zal, zoals [eiser sub 2] primair vordert, worden verboden om uitvoering te geven aan het opzeggingsbesluit. Dit betekent dat de voetbalvereniging het lidmaatschap van [eiser sub 2] moet respecteren en [eiser sub 2] ook voor het komende voetbalseizoen (vanaf 30 juni 2018) als spelend lid, en niet zoals zij meent als niet-spelend lid, in een team zal moeten indelen.
Het verweer van de voetbalvereniging dat een dergelijke vordering in kort geding niet kan worden toegewezen, gaat niet op. De voorzieningenrechter is in kort geding bevoegd om een ordemaatregel te treffen en dat is wat hij doet. De voorzieningenrechter beseft dat de voetbalvereniging dit zeer onwenselijk vindt, maar acht het belang van [eiser sub 2] om samen met zijn vriendjes te kunnen blijven voetballen totdat er duidelijkheid is over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit van doorslaggevende betekenis.
De door [eiser sub 2] in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen. De omvang van deze dwangsom zal daarbij worden beperkt.
De voetbalvereniging wordt ook niet gevolgd in haar verweer dat [eiser sub 2] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Het is, anders dan de voetbalvereniging lijkt te betogen, voldoende aannemelijk dat het nog mogelijk is om [eiser sub 2] bij een team in te delen. De zomervakantie dient zich aan en pas na deze vakantie zal het seizoen starten. Het verweer dat [eiser sub 2] geen belang bij deze vordering zou hebben, gaat daarom niet op.
Ook het argument van de voetbalvereniging dat een nieuw conflict zich aandient wanneer [eiser sub 2] wordt ingedeeld in een team dat [eiser sub 1] niet bevalt, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Eerst maar eens zien of dat het geval zal zijn.
De voorzieningenrechter geeft [eiser sub 1] en de voetbalvereniging mee dat zij vooral het belang van [eiser sub 2] voor ogen moeten houden.
Vernietigbaarheid besluit dat aan [eiser sub 1] is gericht
2.13. [eiser sub 1] vordert ook nog een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van het aan hem gerichte besluit van 26 februari 2018. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat hij daarbij, zoals de voetbalvereniging ook aanvoert, onvoldoende belang heeft.
Bij besluit van 26 februari 2018 is aan [eiser sub 1] een verbod opgelegd om zich tijdens het tot 30 juni 2018 lopende voetbalseizoen op het complex van de club te begeven, uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te bezoeken en contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader. Dit besluit ziet dus alleen op de periode van het huidige voetbalseizoen. Dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018, is op de datum dat dit vonnis wordt gewezen afgelopen. Dit betekent dat het bij dit besluit genomen verbod is uitgewerkt.
Er geldt op dit moment dus geen verbod meer. [eiser sub 1] heeft onvoldoende uitgelegd welk belang hij heeft bij een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van dit al uitgewerkte besluit. Hij kan met deze vorderingen in ieder geval niet bewerkstelligen dat hij voor het komende voetbalseizoen bij de voetbalvereniging betrokken kan zijn. Wanneer de voetbalvereniging [eiser sub 1] wil blijven weren dan zal zij daartoe een nieuw besluit moeten nemen. Op dit moment is er geen verbod van kracht.
Aan de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat dit besluit vernietigbaar is, wordt daarom niet toegekomen.

5 september 2018

Royement en uitschrijven

In deze uitspraak in kort geding geeft de rechtbank diverse overwegingen over de verenigingsrechtelijke gang van zaken bij royement en "uitschrijving van leden". De rechter geeft aan dat de vereniging duidelijk moet weergeven wat de reden is van het royement of de uitschrijving.

De rechter overweegt dat:
Een zorgvuldige handelwijze brengt mee dat DWS bij uitschrijving of royement daarvan duidelijk de reden (schriftelijk) weergeeft, bijvoorbeeld: wanbetaling, niet geselecteerd zijn of andere redenen (wangedrag), en dat zij een opzegtermijn van twee maanden hanteert. Het bestuur c.s. heeft aangevoerd dat de grond van uitschrijving in alle hier aan de orde zijnde gevallen is dat van DWS niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren, zodat per direct kan worden opgezegd. Als die grond zich inderdaad zou voordoen, is het aan DWS om dat in de opzeggingsbrief expliciet op te nemen en te motiveren. Dat is tot nu toe niet gebeurd, wat begrijpelijkerwijs voor onrust heeft gezorgd en waarmee het bestuur c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens meerdere eisers. " 

De rechtbank heeft gelijk dat een opzegging door de vereniging vanwege "redelijkerwijs niet gevergd kunnen worden om het lidmaatschap te laten voortduren", gemotiveerd dient te worden gedaan door het bestuur. Het is echter jammer dat de rechter spreekt van "uitschrijven"  en "royeren" . Beide termen kent te wet namelijk niet. De wet spreekt slechts van opzegging van het lidmaatschap (door de vereniging) en ontzetting uit het lidmaatschap, en geeft voor beiden duidelijke, aparte, regels. Een rechter die het bestuur aanspoort om juridisch zorgvuldiger te handelen, had kunnen beginnen met het (zelf) hanteren van de juiste terminologie. 

Rb. Amsterdam 25 juli 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:5366

2De feiten

2.1.
DWS is een voetbalclub die in 1907 is opgericht. [gedaagde 4] en de broers
[gedaagde 3] en [gedaagde 2] ma(a)k(t)en deel uit van het bestuur van DWS, [gedaagde 3] sinds februari 2016, en [gedaagde 2] sinds december 2016.
2.2.
Drie van eisers zijn lid van DWS, de andere drie hebben een of meer kind(eren) die lid zijn (geweest).
2.3.
In de statuten van DWS staat onder meer:
Artikel 2.
(…)
2. Het verenigingsjaar (boekjaar) loopt van één juli tot en met dertig juni
(…)
EINDE LIDMAATSCHAP
Artikel 10.
(…)
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur. Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren of wanneer het lid na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of namens de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van het verenigingsjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)
BESTUUR
Artikel 12.
1. het bestuur bestaat uit tenminste vijf meerderjarige personen (…) die door de algemene vergadering uit de leden (…) worden gekozen.
(…)
6. De algemene vergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan, indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid vereist van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen.
(…)

1 september 2018

Vereffenaar verboden vereniging

Rb. Den Haag 28 augustus 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:10452

Als vervolg op de verbodenverklaring van MC Satudarah in deze uitspraak, benoemt de rechtbank met deze uitspraak de vereffenaar.
De rechtbank bevestigt verder dat vereffenaar inderdaad wordt benoemt tijdens (of hangende) het hoger beroep van de vereniging tegen de verbodenverklaring.
Beschikking van 28 augustus 2018
in de zaak van
het OPENBAAR MINISTERIE (Landelijk Parket),
waarvoor optreedt de officier van justitie bij het Landelijk Parket,
domicilie kiezende bij het Landelijk Parket te Rotterdam gevestigd te Rotterdam, verzoekster,
hierna ook te noemen: OM,
tegen
de informele vereniging
SATUDARAH MOTORCYCLECLUB,
tevens naar buiten tredend als 'Black and Yellow Nation', zonder bekende vestigingsplaats,
verweerster,
hierna ook te noemen Satudarah,

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 18 juni 2018 Satudarah verboden en met onmiddellijke ingang ontbonden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat deze verbodenverklaring en ontbinding ook de onzelfstandige support clubs Saudarah en Supportcrew 999 betreffen. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak is aangehouden uitsluitend ter benoeming van een vereffenaar.
1.2.
Bij brief van 16 juli 2018 heeft het OM mr. [A] van [Advocaten en Notarissenkantoor] te [plaats] , voorgesteld als te benoemen vereffenaar. De rechtbank heeft de advocaat van Satudarah in de gelegenheid gesteld op die suggestie te reageren, van welke gelegenheid mr. Van Rijsbergen door een e-mail van 19 juli 2018 gebruik heeft gemaakt. Hij heeft de rechtbank in deze e-mail medegedeeld dat Satudarah geen bezwaar heeft tegen de benoeming van mr. [A] maar wel tegen de in de beschikking van de rechtbank opgenomen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van
de beslissing tot verboden verklaring en ontbinding.
1.3.
Mr. [A] heeft de rechtbank, na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de rechtbank, bij brief van 8 augustus 2018 medegedeeld bereid te zijn als vereffenaar op te treden als de rechtbank hem daartoe benoemt.

2De verdere beoordeling

2.1.
Nu Satudarah aan de rechtbank heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van mr. [A] en mr. [A] tot aanvaarding van de benoeming bereid is, zal de rechtbank overgaan tot diens benoeming.
2.2.
Voor het geval Satudarah mocht bepleiten dat de rechtbank op haar beslissing de verbodenverklaring en de ontbinding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren terugkomt: dat kan de rechtbank niet.
2.3.
Mocht Satudarah het standpunt innemen dat de benoeming van de vereffenaar niet uitvoerbaar bij voorraad kan (of behoort te) worden verklaard, dan overweegt de rechtbank, deels ten overvloede, nog het volgende. De (tekst van de) wet sluit uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding (anders dan voor de enquêteprocedure, artikel 2: 358 lid 1BW) niet uit. Tijdens de
behandeling van het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de nu geldende wettekst is slechts overwogen dat niet mag worden verwacht dat de rechter een ontbinding uitvoerbaar bij voorraad verklaart (K 1984/1985, nrs. 5-7, MvA, blz 8, paragraaf 25). Vervolgens is overwogen dat een uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbod geen rechtsgevolg zal hebben, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank las en leest hierin niet dat de wetgever uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden, heeft willen uitsluiten. Een logisch vervolg op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de beschikking van 18 juni 2018 is dat ook deze beschikking dadelijk uitvoerbaar zal zijn, zodat de vereffenaar met zijn taak kan aanvangen, ongeacht een ingesteld hoger beroep.

3De beslissing

De rechtbank:
3.1.
benoemt mr. [A] , advocaat te [plaats] , verbonden aan [Advocaten en Notarissenkantoor] , tot vereffenaar van de bij beschikking van 18 juni 2018 verboden en ontbonden verklaarde informele vereniging Satudarah, met inbegrip van de onzelfstandige support clubs Saudarah en Supportcrew 999;
3.2.
verklaart deze benoeming uitvoerbaar bij voorraad.