5 juli 2018

Uitnodigen ALV per email

Rb. Gelderland 25 juni 2018
ECLI:NL:RBGEL:2018:2793

De rechtbank oordeelt dat een lid geldig is opgeroepen voor een ALV per email, omdat het lid zich  niet heeft verzet tegen communicatie via email.
" [De vereniging heeft [het lid] per e-mail opgeroepen voor de algemene ledenvergadering. De statuten sluiten deze handelwijze niet uit. [Het lid] heeft zich niet tegen de communicatie met haar via e-mail verzet. In de rede ligt dan dat zij ook instemde met oproeping per e-mail. Een andersluidend standpunt heeft [het lid] in deze procedure niet ingenomen. Bij deze stand van zaken voldoet de oproeping aan de eisen die in art. 2:41 lid 5 BW aan bijeenroeping langs elektronische weg worden gesteld. Anders dan [het lid] betoogt levert de wijze van oproeping geen grond op voor vernietiging van de opzegging. " 
Ik denk dat deze uitspraak van de rechtbank wel praktisch is, maar niet juist is. Artikel 2:41 lid 5 BW bepaalt niet voor niets dat een lid kan worden opgeroepen voor een ALV via email " indien een lid [...] hiermee instemt". Dat is duidelijk iets anders dan "tenzij het lid bezwaar maakt". (Artikel 2:41 lid 5 bepaalt overigens dat de 'bijeenroeping' kan geschieden via email ("langs elektronische weg"), maar het is toch echt de oproeping van het betreffende individuele lid, waar de bepaling op ziet.

Dan over een lid dat brieven niet aanneemt: "Ter zitting heeft [het lid] verklaard dat zij de deur niet open doet voor vreemden, zoals de postbode. Aldus is aannemelijk dat de brieven van [de vereniging] [het lid] niet hebben bereikt als gevolg van een eigen handeling van [het lid]. Gelet op art. 3:37 lid 3 BW hebben deze brieven dan werking tegenover [het lid], zij wordt met de inhoud bekend verondersteld."

Tot slot, de rechter wijst de vordering van het lid, om toegelaten te worden tot haar volkstuin toe, hoewel er geen duidelijk bewijs is of de betreffende volkstuin nu wel of niet goed onderhouden was. Het lijkt mij dat in het algemeen, een gevorderde voorlopige voorziening zal worden afgewezen als de door de eiser gestelde feiten niet bewezen kunnen worden. Maar ik ben geen expert op het gebied van procesrecht.

Vonnis in kort geding van 25 juni 2018
in de zaak van
[Eiser] ,
tegen
de vereniging
VOLKSTUINVERENIGING [naam],
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam], haar voorzitter.
Partijen zullen hierna [Eiser] en [Gedaagde] worden genoemd.


2De feiten

2.1.
[Gedaagde= vereniging]] exploiteert 36 volkstuinen, gelegen op een perceel grond achter de [straatnaam] te Nijmegen die [Gedaagde] huurt van de gemeente Nijmegen. In de statuten van [Gedaagde] is vermeld dat een lid recht heeft op het gebruik van een tuin, dat per gezin of andere samenlevingsvorm slechts één tuin wordt uitgegeven, dat het lidmaatschap eindigt bij opzegging namens de vereniging en bij royement, en voorts dat de leden verplicht zijn hun tuin goed en regelmatig te onderhouden. Opzegging namens de vereniging is mogelijk als het lid niet meer voldoet aan de eisen door de statuten voor het lidmaatschap gesteld en geschiedt schriftelijk door het bestuur, met goedkeuring van de algemene vergadering, tegen het einde van het verenigingsjaar met een opzegtermijn van vier weken, zo is eveneens in de statuten bepaald.
2.2.
[Eiser] is op dit moment 76 jaar oud. Zij is meer dan 25 jaar lid geweest van [Gedaagde]. [Eiser] had de tuinen met nummers 13 en 29 in gebruik. Vanwege gezondheidsproblemen en ziekenhuisopnamen kon [Eiser] gedurende enige tijd niet meer zelf het onderhoud van haar tuinen verzorgen. In de loop van 2017 is tuin nummer 13 grotendeels bedekt met zwart landbouwplastic, dat er nu nog ligt.
2.3.
Op 2 juni en 9 oktober 2017 heeft [Gedaagde] de volkstuinen, waaronder die van [Eiser], door leden van haar schouwcommissie laten inspecteren.
2.4.
[Gedaagde] heeft onder meer e-mails en brieven in het geding gebracht met de volgende data en strekking:
• 18 oktober 2016, brief aan [Eiser], met het bericht dat geconstateerd is dat [Eiser] haar tuinen niet onderhoudt en dat het huren van twee tuinen niet is toegestaan.
• 27 juni 2017, brief aan [Eiser], waarin is vermeld dat de schouwcommissie heeft geconstateerd dat haar tuinen niet in gebruik zijn als moestuin omdat de een is bedekt met plastic en de ander is overwoekerd met onkruid en geen sprake is van teelt van gewassen, en waarin voorts wordt aangegeven dat de tuinen bij de volgende tuinschouw medio september weer op orde moeten zijn, bij gebreke waarvan de tuinhuur na accordering door de ledenvergadering zal worden opgezegd.
• 6 juli 2017, e-mailbericht gericht aan [Eiser] met als bijlage een Word-document en twee pdf’jes.
• Een ongedateerd e-mailbericht gericht aan [Eiser], met vijf bijlagen, waarin aan de brief van 27 juni 2017 is gerefereerd en waarin is aangegeven dat de bevindingen van de schouwcommissie en het verzoek om de tuinen op orde te brengen worden meegestuurd.
• 26 oktober 2017, brief bericht aan [Eiser], inhoudende dat de schouwcommissie op 9 oktober 2017 de tuinen voor de tweede keer heeft bekeken, dat de tuin van [Eiser] overwoekerd is met onkruid en daarom nog steeds niet in gebruik is als moestuin, en dat het bestuur van [Gedaagde] daarom, zoals aangekondigd in de brief van 27 juni 2017, op de ledenvergadering van 22 november 2017 goedkeuring zal vragen voor opzegging van de huur.
• Een brief aan [Eiser], gedateerd op 26 november 2017, met een inhoud gelijk aan de hierboven bedoelde brief, met dien verstande dat deze ziet op tuin 13 en daarin wordt gewezen op bedekking met plastic in plaats van overwoekering.
• 27 oktober 2017, e-mailbericht aan onder anderen [Eiser], waarin een ledenvergadering wordt aangekondigd op 22 november 2017, waarvoor een uitnodiging met een agenda zullen volgen.
• 15 november 2017, e-mail aan onder anderen [Eiser], met een uitnodiging en een agenda voor de ledenvergadering van 22 november 2017, met als een bijlage een Word-document met als titel, voor zover leesbaar, ‘uitnodiging ledenverg 22…’
• Een ongedateerde brief waarin het bestuur de leden van [Gedaagde] uitnodigt voor de algemene ledenvergadering van 22 november 2017, tevens bevattende de agenda, waarop als agendapunt is vermeld: ‘stemming opzeggen tuinhuur tuin 12, tuin 13 en tuin 29’.
2.5.
Tijdens de ledenvergadering van [Gedaagde] op 22 november 2017 is het bestuursbesluit tot opzegging van de huur van de tuinen 13 en 29 door de vergadering goedgekeurd.
2.6.
Bij e-mail van 30 november 2017 heeft [Gedaagde] twee, op het tuinnummer en de beschrijving van de feitelijke toestand van de tuin na, identieke brieven, gedateerd op 29 november 2017, aan [Eiser] verzonden met de volgende inhoud.
Het bestuur van [Gedaagde] heeft u in 2017 meerdere keren per brief dd. 27-06-2017 en 26-10-2017 en per verschillende mails opgedragen uw tuin nummer [13, respectievelijk 29, vzr] in gebruik te nemen als moestuin en als zodanig te onderhouden.
Helaas moeten wij constateren dat u hieraan geen gehoor hebt gegeven.
Het doel van onze vereniging is om als amateur- tuinier (sier)gewassen ,groenten en fruit te kweken in de gehuurde tuin.
Uw perceel is [sinds maart 2017 bedekt met landbouwplastic, respectievelijk overwoekerd met onkruid, vzr] en voldoet dus niet aan de regels zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement (Punt 05.01): De leden zijn verplicht de hun tot gebruik aangewezen tuin en opstallen goed en regelmatig te onderhouden.
Tijdens de ledenvergadering van 22 november jl. hebben de aanwezige leden ingestemd met het opzeggen van de huur per 01-01-2018 voor tuin nummer [13, respectievelijk 29, vzr] op het volkstuinencomplex [Gedaagde].
Met deze brief zeggen wij de huur per 01-01-2018 op. Dit betekent dat de tuin op deze datum zwart opgeleverd moet worden. (Bouwsels en planten moeten verwijderd zijn.)
2.7.
Sinds begin 2018 laat [Gedaagde] [Eiser] feitelijk niet meer toe tot de volkstuinen. Bij brief van 17 mei 2018 heeft [Eiser] [Gedaagde] bericht dat zij het opzeggingsbesluit vernietigt.

3Het geschil

3.1.
[Eiser] vordert dat de voorzieningenrechter [Gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad en versterkt met een dwangsom, zal gebieden de overeenkomst met [Eiser] na te komen door haar toegang te verlenen tot de door [Eiser] gehuurde tuinen 13 en 29 aan de [straatnaam] in Nijmegen, met veroordeling van [Gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[Gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.
In dit kort geding kan over de rechtsverhouding tussen partijen geen definitieve uitspraak worden gedaan. Of rechtsgeldig is opgezegd staat ter beoordeling van de rechter die over de zaak ten gronde zal hebben te oordelen. Nu is aan de orde of [Eiser] feitelijk toegang moet kunnen krijgen tot de tuinen 13 en 29 totdat de bodemrechter over de opzegging definitief heeft beslist. Daarbij is in de eerste plaats van belang of in deze procedure voldoende aannemelijk is geworden dat de opzegging in rechte zal standhouden. De voorzieningenrechter gaat er met partijen vanuit dat tuinhuur en lidmaatschap onlosmakelijk zijn verbonden, en voorts dat onvoldoende onderhoud een afdoende grond vormt voor opzegging. In dit laatste verband geldt ten aanzien van tuin 29 het volgende.
4.2.
[Gedaagde] heeft twee foto’s in het geding gebracht die volgens haar een goed beeld geven van de toestand van deze tuin in 2017. Met name de foto bij productie 4 geeft de indruk dat deze tuin niet goed wordt onderhouden. Op deze foto zijn hoog opgeschoten gewassen te zien, ogenschijnlijk in toevallige ordening, die niet, althans niet op de foto zijn te herkennen als gekweekt en waartussen bovendien verdorde bladeren liggen. Deze indruk wordt, blijkens de schouwformulieren, door de schouwers van de tuin onderschreven. Hier staat tegenover dat [Eiser] foto’s van de tuin heeft overgelegd waarop volgens haar de staat van de tuin in 2017 blijkt, en waarop de tuin in florissantere staat is afgebeeld. De indruk van onvoldoende onderhoud geven deze foto’s niet, zoals wordt ondersteund door de schriftelijke getuigenverklaringen die [Eiser] heeft ingebracht. Partijen hebben over en weer betwist dat de foto’s van de wederpartij een representatief beeld geven van de tuin in de relevante periode. De voorzieningenrechter kan in deze procedure niet vaststellen wat de toestand van de tuin in de tweede helft van 2017 precies is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een foto een momentopname is. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op de foto’s de tuin is te zien vlak voor ([Gedaagde]) en vlak na ([Eiser]) de onderhoudsbeurt die de tuin volgens [Eiser] heeft genoten. Hoe dan ook, bewijslevering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de tuin niet goed en regelmatig werd onderhouden.
In kort geding bestaat daarvoor in beginsel geen ruimte. Bij deze stand van zaken is onvoldoende komen vast te staan dat de tuin in 2017 niet goed werd onderhouden. In deze procedure kan dan niet worden aangenomen dat het lidmaatschap van de vereniging en de huur van tuin 29 terecht zijn opgezegd. [Gedaagde] zal [Eiser] tot deze tuin moeten toelaten totdat de bodemrechter definitief over de opzegging zal hebben beslist. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd op de hieronder vermelde wijze.
4.3.
Wat betreft tuin 13 is het volgende van belang. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de statuten van de vereniging bepalen dat per gezin of andere samenlevingsvorm slechts één tuin wordt uitgegeven. [Eiser] heeft dus op grond van haar lidmaatschap geen recht op deze tweede tuin. Te dien aanzien geldt de gewone opzeggingsbevoegdheid van voor onbepaalde tijd aangegane huur van een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is (art. 7:228 lid 2 BW), zij het dat daarbij een opzeggingstermijn in acht genomen moet worden, hetgeen is gedaan. Daar komt nog bij dat bij deze tweede tuin wel voldoende aannemelijk is geworden dat er ook inhoudelijk een goede grond voor opzegging was.
4.4.
Vast staat immers dat deze tuin in de loop van 2017 grotendeels is bedekt met zwart landbouwplastic. [Eiser] heeft aangegeven dat dit plastic daar enige maanden moest blijven liggen, zodat alle onkruid onder dat plastic vanzelf zou verdwijnen. Hoewel [Gedaagde] chemische onkruidbestrijding niet toestaat en [Eiser] een milieuvriendelijk alternatief heeft aangewend, heeft [Gedaagde] deze manier van onderhoud plegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter als onvoldoende kunnen bestempelen. Een volkstuin is bestemd om in te tuinieren, niet om braak te laten liggen zodat niet hoeft te worden gewied. Op de zitting heeft [Eiser] toegegeven dat deze tuin nog steeds met landbouwplastic was bedekt toen zij de tuin per 1 januari 2018 moest opgegeven. Dit betekent dat dat plastic daar meer dan een half jaar moet hebben gelegen. Het lag er immers in ieder geval al ten tijde van de schouw in juni 2017. Meer dan een half jaar braak laten liggen en geen onderhoud plegen aan de tuin kwalificeert niet als regelmatig onderhoud, zoals in de statuten van [Gedaagde] is voorgeschreven. Bedekt onder plastic ziet de tuin er bovendien niet uit als tuin; zij biedt een verwaarloosde aanblik. Dit raakt ook de belangen van de andere volkstuinders die [Gedaagde] zich heeft aan te trekken en ten opzichte van wie [Gedaagde] ook terecht beducht is voor precedentwerking. Hier komt bij dat [Gedaagde] en haar leden bij goed onderhoud van alle tuinen belang hebben omdat anders de huurovereenkomst met de gemeente op het spel kan komen te staan. Naar voorlopig oordeel is de huur van tuin 13 dan ook terecht opgezegd.
4.5.
Dan is aan de orde of [Gedaagde] [Eiser] zo tijdig van de dreigende opzegging op de hoogte heeft gebracht dat [Eiser] deze nog kon afwenden door het plastic te verwijderen en de tuin weer als volkstuin in te richten. Uitgaande van de hierboven in 2.4. bedoelde correspondentie moet die vraag bevestigend worden beantwoord, zoals [Eiser] op zichzelf ook niet weerspreekt. [Eiser] betwist wel de ontvangst van de brieven. Zij is door de e-mail van 30 november 2017 verrast, aldus [Eiser]. In dit verband geldt het volgende.
4.6.
Volgens [Gedaagde] zijn de brieven aangetekend verzonden naar de bij haar bekende postadressen van [Eiser], maar zijn brieven niet afgehaald van het postkantoor of retour ontvangen met de aantekening dat de ontvangst geweigerd was.
Ter zitting heeft [Eiser] verklaard dat zij de deur niet open doet voor vreemden, zoals de postbode. Aldus is aannemelijk dat de brieven van [Gedaagde] [Eiser] niet hebben bereikt als gevolg van een eigen handeling van [Eiser]. Gelet op art. 3:37 lid 3 BW hebben deze brieven dan werking tegenover [Eiser], zij wordt met de inhoud bekend verondersteld.
[Eiser] heeft haar handelwijze verklaard door te wijzen op een vervelende ervaring met een ongenode gast. Dat is gezien de leeftijd en gezondheidstoestand van [Eiser] wellicht voorstelbaar, maar gaat [Gedaagde] niet aan en doet daarom aan het voorgaande niet af. De ontvangst van de in 2.4. bedoelde e-mails heeft [Eiser] niet meer concreet betwist. In deze procedure moet dan worden aangenomen dat [Eiser] voldoende gelegenheid heeft gehad om opzegging af te wenden, en dat zij deze gelegenheid niet heeft benut.
4.7.
[Gedaagde] heeft [Eiser] per e-mail opgeroepen voor de algemene ledenvergadering. De statuten sluiten deze handelwijze niet uit. [Eiser] heeft zich niet tegen de communicatie met haar via e-mail verzet. In de rede ligt dan dat zij ook instemde met oproeping per e-mail. Een andersluidend standpunt heeft [Eiser] in deze procedure niet ingenomen. Bij deze stand van zaken voldoet de oproeping aan de eisen die in art. 2:41 lid 5 BW aan bijeenroeping langs elektronische weg worden gesteld. Anders dan [Eiser] betoogt levert de wijze van oproeping geen grond op voor vernietiging van de opzegging. De opzegging is ook overigens naar voorlopig oordeel regelmatig geschied. Een rechterlijk gebod tot toegang tot tuin 13 is dan ook in beginsel niet aan de orde.
4.8.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande zal [Eiser] feitelijk toegang moeten krijgen tot tuin 29. Met het gebruik van één tuin wordt aan de statuten voldaan. Aan de emotionele verbondenheid van [Eiser] met haar tuinen en de levensvreugde die het tuinieren haar biedt wordt met dit gebruik voldoende tegemoetgekomen. Wat tuin 13 betreft zal het gevorderde worden afgewezen.
4.9.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt [Gedaagde] om [Eiser] toegang te verlenen tot tuin nummer 29, gelegen aan de [straatnaam] te Nijmegen, totdat ten gronde over de opzegging zal zijn beslist,

1 juli 2018

Mondeling opzeggen

Rb. Amsterdam 25 juni 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4465

Een vereniging voert een rechtszaak om de contributie te innen. Het lid (althans, diens vader) heeft echter mondeling opgezegd. Het argument van de vereniging, dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd, slaagt niet. De vereniging heeft namelijk niet onderbouwd dat die regel zou gelden in de vereniging (en het is geen wettelijke regeling dat opzeggen alleen schriftelijk kan).

vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Amsterdamse Sportvereniging Fortius (A.S.V. Fortius)
nader te noemen: Fortius

t e g e n
[gedaagde]
nader te noemen: [gedaagde]

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[gedaagde] heeft zijn minderjarige zoon, [naam zoon] , in 2015 ingeschreven bij Fortius door middel van het invullen van een inschrijfformulier. Na de inschrijving kon de zoon van [gedaagde] deelnemen aan trainingen en wedstrijden.
1.2.
Op 1 oktober 2016 heeft Fortius een factuur opgesteld van € 185,00.
1.3.
[gedaagde] heeft de factuur niet betaald.

Vordering

2. Fortius vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 185,00 aan hoofdsom; [...]
3. Fortius stelt hiertoe, kort en zakelijk weergegeven, dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht en diensten heeft verleend die zien op het geven van trainingen aan de zoon van [gedaagde] en deelneming aan wedstrijden. [gedaagde] is in gebreke gebleven met betaling van de contributie. Uitschrijving kan enkel geschieden door schriftelijke opzegging bij de ledenadministratie. [gedaagde] heeft geen schriftelijke opzegging overgelegd. De mondelinge opzegging bij de jeugdcoördinator is niet rechtsgeldig. De jeugdcoördinator gaat bovendien niet over de ledenadministratie.

Verweer

4. [gedaagde] heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat hij het lidmaatschap voor zijn zoon mondeling heeft opgezegd bij de jeugdcoördinator ( [naam jeugdcoördinator] ). Aan [gedaagde] is nimmer kenbaar gemaakt dat hij enkel en alleen schriftelijk zou kunnen opzeggen bij de ledenadministratie. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat hem bij de ondertekening van het inschrijfformulier zou zijn medegedeeld dat hij zou instemmen met een lidmaatschap voor onbepaalde tijd. [gedaagde] ging er vanuit dat de inschrijving voor een seizoen zou zijn.

Beoordeling

5. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde factuur die ziet op contributie betwist, omdat hij de overeenkomst mondeling zou hebben opgezegd. De mondelinge opzegging wordt door Fortius niet betwist. Fortius stelt dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Deze stelling wordt door [gedaagde] betwist. Fortius heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Dit blijkt in ieder geval niet uit het inschrijfformulier. Gelet op het verweer van [gedaagde] had het op de weg van Fortius gelegen om de tussen partijen gesloten overeenkomst dan wel de eventueel toepasselijke (algemene) voorwaarden te overleggen. Dit heeft Fortius nagelaten. Hierdoor is niet vast komen te staan dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd en moet er vanuit worden uitgegaan dat het lidmaatschap ook door een mondelinge opzegging kan eindigen. De mondelinge opzegging van [gedaagde] heeft dan ook rechtsgeldig een einde gemaakt aan het lidmaatschap, nog los van het feit dat uit niets blijkt dat de inschrijving van [gedaagde] voor onbepaalde tijd zou zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling was dat de inschrijving voor één seizoen zou zijn. De enkele stelling van Fortius dat aan [gedaagde] ten tijde van de inschrijving zou zijn toegezegd dat ondertekening van het formulier een lidmaatschap van onbepaalde tijd teweeg zou brengen, is gelet op de betwisting door [gedaagde] onvoldoende om dat in rechte te kunnen vaststellen.
6. De door Fortius gevorderde factuur wordt gezien het voorgaande afgewezen.
7. Met de afwijzing van de hoofdvordering, dienen de gevorderde wettelijke rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten eveneens te worden afgewezen.
8. Fortius wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] .

BESLISSING

De kantonrechter:
I. wijst de vordering af;
II. veroordeelt Fortius in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;