15 april 2018

Voorzitter huurt dochter in, vereniging hoeft niet te betalen

Rb. Midden-Nederland 17 januari 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:380

Zaak tussen een patientenvereniging, en de dochter van de (oud-)voorzitter van die vereniging. De dochter is zelf patient. Volgens de dochter heeft de vereniging haar ingehuurd als procjectleider voor een project. De vereniging krijgt een nieuw bestuur, dat besluit om geen gebruik te maken van de diensten van de dochter (en haar vader wordt ontslagen als projectcoordinator).
Volgens de dochter moet de vereniging daarom haar facturen betalen, en een (veel groter) bedrag aan misgelopen winst). De vereniging zegt dat er helemeaal geen overeenkomst is met de dochter.

De rechter oordeelt dat er geen overeenkomst was, omdat de opdracht verlening door de voorzitter (eventueel samen met een algemeen bestuurslid) niet voldoende is. De vereniging wordt namelijk volgens haar statuten alleen vertegenwoordigd door de voorzitter samen met de secretaris of penningmeester. Dat stond ook correct vermeld in het Handelsregister bij de KvK. De vereniging kan zich er met succes op beroepen. De vereniging moet wel betalen voor de reeds verleende diensten (op basis van de regel over onverschuldigde prestatie in artikel 6:203 lid 3 BW). Maar de vereniging hoeft de misgelopen winst niet te betalen.


Vonnis van 17 januari 2018


in de zaak van

[eiseres] ,
 tegen de vereniging [gedaagde] ,


Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

2De feiten

2.1.
[eiseres] is zelfstandig ondernemer en verleent onder de naam [bedrijf] [diensten,] onder meer als projectleider. [gedaagde] is een patiëntenorganisatie voor [naam] .
2.2.
Van februari 2015 tot februari 2016 is [eiseres] betrokken geweest bij het project ‘Weet jij wat ik heb? Mijn aandoening in de klas’. In dat project hebben [gedaagde] en circa zes andere patiëntenverenigingen hun subsidievouchers bijeengelegd om lesmateriaal te laten maken waarmee kinderen hun aandoening op school beter bespreekbaar kunnen maken (hierna: het voucherproject). [eiseres] is bij het voucherproject betrokken door haar vader [vader van eiseres] (hierna: [vader van eiseres] ). [vader van eiseres] is initiator van het voucherproject en was tot 8 juni 2015 voorzitter van het bestuur van [gedaagde] (hierna: het bestuur).
2.3.
[eiseres] heeft in 2015 in het kader van het voucherproject verschillende werkzaamheden verricht. Zij heeft voor de subsidieaanvraag een activiteitenplan en een begroting opgesteld en afgestemd met de deelnemende patiëntenorganisaties. In het activiteitenplan wordt [bedrijf] genoemd als projectleiding. De begroting vermeldt een post voor het projectmanagement voor de jaren 2016, 2017 en 2018 van in totaal € 38.500--, inclusief btw.
2.4.
Op 21 mei 2015 hebben de deelnemende organisaties het activiteitenplan en de begroting goedgekeurd. Dit gebeurde in een door [eiseres] georganiseerde vergadering van deelnemende patiëntenorganisaties, waar [vader van eiseres] (toen voorzitter van [gedaagde] ) en [bestuurslid 1] (bestuurslid van [gedaagde] , hierna: [bestuurslid 1] ) namens [gedaagde] voor goedkeuring hebben gestemd.
2.5.
Op 13 juli 2015 hebben [vader van eiseres] en [bestuurslid 1] de subsidieaanvraag voor het voucherproject ingediend bij het ministerie van VWS. Dat verleende op 17 december 2015 voor het voucherproject een subsidie van € 378.000,-- voor de jaren 2016, 2017 en 2018.
2.6.
[eiseres] heeft in 2015 geen facturen aan [gedaagde] gezonden voor haar werkzaamheden. Wel heeft zij voor haar werkzaamheden bij de subsidieaanvraag een bedrag van € 3.200,-- inclusief btw in rekening gebracht bij PGO Support, een door de overheid gefinancierde stichting die patiënten- en gehandicaptenorganisaties adviseert bij subsidieaanvragen. Uit de betreffende factuur (factuur 2015-11 van 28 mei 2015) blijkt dat de vergoeding ziet op 32 gewerkte uren.

12 april 2018

Het verenigingsgeld in een stichting stoppen

Gerechtshof Den Haag 3 april 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:491 


Bij een dreigende fusie van een vereniging, richt een bestuurslid (en drijvende kracht) van de vereniging een Stichting op. De Stichting ontvangt gelden uit diverse sponsorcontracten en ondersteunt de Vereniging. Het bestuurslid is enig bestuurslid van de stichting. De vereniging heeft ondertussen een nieuw bestuur en de bestuurder van de stichting wil de banden tussen vereniging en stichting doorsnijden. De vereniging verzoekt daarop aan de rechtbank om de bestuurder te ontslaan als bestuurder van de Stichting. Het hof wijst dat verzoek in hoger beroep af. Kortom, de bestuurder blijft zitten. En de vereniging is het vermogen dat in de Stichting zit (is opgebouwd), kwijt (de Stichting heeft wel een bedrag overgemaakt naar de Vereniging, maar ik neem aan dat dit niet hele vermogen van de Stichting is). 



De Vereniging is op 1 november 1910 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van de wielersport in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. [appellant] is jarenlang drijvende kracht geweest achter de Vereniging. Blijkens de inschrijving bij de KvK was [appellant] van 1 januari 1993 tot 1 januari 2014 algemeen bestuurder van de Vereniging." 
In 2009 speelde een mogelijke fusie van de Vereniging met een Rotterdamse wielervereniging. [appellant] en [belanghebbende 1] waren hiervan geen voorstander. Dit heeft ertoe geleid dat [appellant] de Stichting heeft opgericht. " 
De Stichting ontving (al dan niet mede) ten behoeve van de Vereniging gelden uit diverse sponsorcontracten en ondersteunde de evenementen van de Vereniging financieel. Ook heeft de Stichting materiaal aan de Vereniging in bruikleen verstrekt." 
In 2016 is een conflict ontstaan tussen [appellant] en leden van de Vereniging. [appellant] heeft zijn lidmaatschap van de Vereniging opgezegd.

Bij inleidend verzoekschrift van 29 december 2016 heeft de Vereniging [] verzocht [appellant] te ontslaan als bestuurder van de Stichting " 

Is er sprake van wanbeleid door Appellant als bestuurder van de Stichting? Het Hof overweegt als volgt:
Duidelijk is dat [appellant] met de Stichting een andere koers wenst te gaan varen dan voorheen, waarbij aan de nauwe banden tussen de Vereniging en de Stichting een einde komt. [appellant] handelt daarmee niet in strijd met de Statuten. De doelomschrijving in de Statuten geeft er immers geen blijk van dat de Stichting (mede) is opgericht ten behoeve van de Vereniging." 
Hieraan kan niet afdoen dat [appellant] mogelijk wel jegens de Vereniging onrechtmatig heeft gehandeld / toerekenbaar tekort is geschoten door geen openheid van zaken te geven over het door hem gevoerde financiële beleid over de (in ieder geval deels) aan de Vereniging toekomende sponsorgelden, waardoor de Vereniging nadeel heeft ondervonden. Een grond voor ontslag als bestuurder van de Stichting vormt een dergelijk handelen zoals eerder overwogen echter niet." 
" De omstandigheid dat de Vereniging niet bekend is met een rekening-courantverhouding tussen [appellant] en de Stichting, is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant] is gaan bankieren met de gelden van de Stichting en dat dus sprake is van wanbeheer." 



Beschikking van 3 april 2018


in de zaak van

[appellant], 

appellant in het principaal beroep,
verweerder in het incidenteel beroep,
nader te noemen: [appellant],


tegen:

Vereniging Rotterdamse Renners Club “De Pedaalridders”,


geïntimeerde in het principaal beroep,
appellante in het incidenteel beroep,
hierna te noemen: de Vereniging,
en
[belanghebbende 1] ,
wonende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
hierna te noemen: [belanghebbende 1],
[belanghebbende 2] ,
wonende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
hierna te noemen: [belanghebbende 2],
belanghebbenden,


en

Stichting Wieleracademie Lansingerland e.o.,

voorheen genaamd Stichting Wielerpromotie Pedaalridders Lansingerland,

hierna te noemen: de Stichting,
[belanghebbende 3] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 3],
[belanghebbende 4] ,

verder te noemen: [belanghebbende 4],
[belanghebbende 5],

verder te noemen: [belanghebbende 5],
[belanghebbende 6] ,

verder te noemen: [belanghebbende 6],
belanghebbenden,

Beoordeling van het hoger beroep


1. Voor zover de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan zal uitgaan. Met grief 1 komt [appellant] op tegen de door de rechtbank in rov. 2.3 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, deze feiten zal het hof daarom niet als vaststaand aannemen.
2. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1
De Vereniging is op 1 november 1910 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van de wielersport in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. [appellant] is jarenlang drijvende kracht geweest achter de Vereniging. Blijkens de inschrijving bij de KvK was [appellant] van 1 januari 1993 tot 1 januari 2014 algemeen bestuurder van de Vereniging.

11 april 2018

Verplicht lidmaatschap (NBA)


Gerechtshof Den Haag 3 april 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:632

In deze zaak heeft een vereniging van accountants een rechtszaak aangespannen over de Staat omdat het verplichte lidmaatschap van accountants van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) in strijd zou zijn met de mensenrechten (met name het EVRM). De rechter wijst dat af. Verplicht lidmaatschap is acceptabel. De NBA is namelijk geen privaatrechtelijke vereniging waarop artikel 11 EVRM ziet. Dit heeft ook de Hoge Raad al eerder uitgemaakt in ECLI: NL:HR:2016:2910. Ook het betoog dat het lidmaatschap van de NBA in strijd zou zijn met de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van eigendom in artikel 1 EP EVRM wordt afgewezen.




Arrest van 3 april 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Orde van Registeradviseurs Nederland,

appellante,
nader te noemen: OvRAN,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën),

De feiten


De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het bestreden vonnis vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof (met een enkele correctie van verschrijvingen) daarvan uitgaat. Hierna zullen deze feiten worden herhaald, hier en daar voorzien van een enkele toevoeging.

(1.1) OvRAN is een door accountants opgerichte beroepsvereniging. Zij houdt zich blijkens haar statuten bezig met het bevorderen van een goede beroepsuitoefening door adviseurs en/of accountants en daarnaast beoogt zij een platform te vormen voor specialisten in een bepaald advies- en/of accountancyvakgebied. OvRAN vertegenwoordigt accountants, administratieconsulenten bij kleinere organisaties en (financieel) adviseurs, werkzaam in het bedrijfsleven of de overheid. OvRAN is voortgekomen uit een fusie tussen haar voorlopers de Stichting Wakkere Accountant en de Werkgroep Minnelijk Overleg. 

(1.2) De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is een bij Wet op het accountantsberoep (Wab) ingestelde beroepsvereniging en is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 Grondwet. De NBA is belast met het bevorderen van de goede beroepsuitoefening van haar leden, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van accountants, het zorgdragen voor de eer van de stand van de accountants en het zorgdragen voor de praktijkopleiding van accountants. Blijkens artikel 19 lid 2, aanhef en onder a van de Wab moet de ledenvergadering van de NBA een verordening vaststellen met betrekking tot gedrags- en beroepsregels ten behoeve van de goede uitoefening van de werkzaamheden van accountants. De Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGA) geeft hier invulling aan. De NBA is op 1 januari 2013 ontstaan uit een fusie tussen het Nederlands Instituut voor Registeraccountants (NIVRA, de bij wet ingestelde beroepsvereniging voor registeraccountants) en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOVAA, de bij wet ingestelde beroepsvereniging voor accountants-administratieconsulenten).

(1.3) In de Wab is het lidmaatschap van de NBA verplicht gesteld voor diegenen die zich in het accountantsregister willen inschrijven. Zonder de inschrijving in het accountantsregister mag de accountantstitel Registeraccountant (RA) of Accountant-Administratieconsulent (AA), dan wel de benaming accountant, niet worden gevoerd. 

(1.4) OvRAN en haar voorlopers zijn opgericht wegens bij een aantal leden van de NBA (en haar voorlopers) heersende onvrede over – kort gezegd – de gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van regelgeving binnen de (voorlopers van de) NBA. Vanaf 2006 hebben OvRAN en haar voorlopers zowel bij de bestuursrechter als de (civiele) voorzieningenrechter geprocedeerd tegen het NIVRA in verband met deze onvrede. In die procedures is onder meer aangevoerd dat het verplichte lidmaatschap van de beroepsvereniging in strijd is met artikel 11 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat standpunt is in die procedures niet gevolgd.

(1.5) Bij arrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2910) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de NBA geen vereniging is als bedoeld in artikel 11 EVRM en dat het bij wet verplicht gestelde lidmaatschap van de NBA voor accountants die in het accountantsregister zijn ingeschreven niet in strijd is met artikel 11 EVRM.
[...]
Verdere beoordeling in hoger beroep
Achtergrond geschil

14. Achtergrond van dit geschil is de bij OvRAN levende onvrede over het optreden van de NBA. Volgens OvRAN bevoordeelt de NBA de ‘grote kantoren’, meer in het bijzonder de zogenaamde OOB-kantoren (accountantskantoren met een AFM-vergunning voor controle van organisaties van openbaar belang – oob’s –), ten nadele van de kleinere (MKB-)kantoren (die haar achterban vormen). Haar leden kunnen zich echter niet aan de NBA onttrekken als gevolg van het verplichte lidmaatschap en de daarmee samenhangende wettelijke titelbescherming. Dit acht OvRAN onterecht.

10 april 2018

Kafka in een vereniging. Royement ongeldig.

Rb. Den Haag 4 april 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:3682

Kafka in een vereniging: een lid wordt geroyeerd (ontzet), zonder dat wordt gezegd waarom, met een niet-ondertekende brief. Het lid vraagt of de brief echt is, krijgt geen antwoord. Tegen het einde van de beroepstermijn stelt hij beroep in  bij de ALV. Het bestuur weigert een ALV bijeen te roepen. Het lid gaat naar de rechter, maar er is een uitspraak van de Hoge Raad uit 1965 waarin is bepaald dat een lid niet bij de civiele rechter kan aankloppen zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog loopt.

De rechter besluit echter om af te wijken van die uitspraak van de HR. " Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. "

De rechter oordeelt ook dat het royement vernietigbaar is. " Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. [] Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen."

Het bestuur is zo "slim" geweest om het lid A niet alleen te royeren, maar om ook het lidmaatschap op te zeggen (op zich is dat een verstandige keuze). In dit geval heeft het bestuur ook nog een ledenraadpleging gehouden, met de vraag of leden het lid A nog in hun midden houden. Ook daarbij heeft lid A geen enkele gelegenheid gehad zijn kant van het verhaal te doen.

" Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld[]n. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op." 

 
Vonnis van 4 april 2018
I n de zaak van De heer A, lid, [B] en [de VOF] tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

RIJSCHOOLVERENIGING “ ATTENT ”,

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook ‘de VOF, ‘ [de heer A] ’ en ‘ [mevrouw B] ’ genoemd worden. Gedaagde zal ‘de vereniging’ genoemd worden.

2De feiten

2.1.
[de heer A] en [mevrouw B] zijn vennoten van de VOF, waarin een rijschool wordt geëxploiteerd. [de heer A] is bij de rijschool werkzaam als gecertificeerd rijinstructeur. [mevrouw B] houdt zich voornamelijk bezig met de afhandeling van administratieve en financiële zaken.
2.2.
De vereniging is een vereniging van rijschoolhouders. Zij is opgericht in 1984 en heeft als doel het behartigen en bundelen van de belangen van beroeps-autorijschoolhouders, alsmede het bevorderen van een juiste uitoefening van hun werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords.
2.3.
Sinds 2007 is [de heer A] in zijn hoedanigheid van gecertificeerd rijinstructeur lid van de vereniging.

5 april 2018

Onderhoud tuin op kosten van een lid?

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 april 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1416


Een bugalowparkvereniging laat een verwaarloosde tuin van een bungalow van een lid opknappen door een hovenier, zonder instemming van het lid. De vereniging probeert de kosten te verhalen op het lid. Dat lukt niet. De statuten geven de vereniging namelijk niet de bevoegdheid om zelf tot onderhoud van de tuin over te gaan (of dit te latend doen). Dat niet het alleen het bestuur, maar ook de ALV optreden wenselijk achtte, is daarbij niet relevant, omdat " aangezien aan de Algemene Ledenvergadering in dit opzicht geen bijzondere bevoegdheden toekomen" .





4.8 [...] Uit de foto’s die in de procedure zijn overgelegd blijkt naar het oordeel van het hof duidelijk dat de tuin van [het lid] niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van het parkreglement redelijkerwijze gesteld kunnen worden. 
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat ook blijkens de offerte van [de vennootschap 2] van 25 juli 2014 de tuin van [het lid] als de bron van hinderlijk en moeilijk te bestrijden onkruid (Heermoes) is te beschouwen. 
De toestand van de tuin is niet in overeenstemming met artikel 18 van het parkreglement, []. Door de tuin in deze toestand te brengen en na aanmaning door [de vereniging] niet tot redelijkerwijze van haar te verlangen onderhoud over te gaan handelt [het lid] in strijd met haar verplichtingen jegens [de vereniging] .
4.9
Deze constatering leidt evenwel niet tot toewijzing van de vorderingen die [de vereniging] in dit verband heeft ingesteld. De statuten en het parkreglement verlenen [de vereniging] niet de bevoegdheid om in een dergelijke situatie zelfstandig tot onderhoud van de desbetreffende tuin over te gaan, terwijl ook overigens nergens uit blijkt dat zij die bevoegdheid heeft verkregen. De omstandigheid dat niet alleen het bestuur van [de vereniging] , maar ook de Algemene Ledenvergadering op 9 maart 2013 optreden wenselijk achtte (voor zover dit al uit het verslag daarvan kan worden afgeleid), maakt dit niet anders aangezien aan de Algemene Ledenvergadering in dit opzicht geen bijzondere bevoegdheden toekomen. 
De primair en subsidiair door [appellante] aangevoerde grondslagen kunnen haar vorderingen daarom niet dragen.