20-01-18

Twee ALV's , twee besturen

Rechtbank Midden-Nederland 22 december 2017

In deze zaak gaat het om een kleine vereniging met een bestuurscrisis. Er ontstaan twee kampen in het bestuur. Dan doen een aantal leden een verzoek om een ALV. Zowel de voorzitter, als één van de andere bestuursleden schrijft een (aparte) ALV uit. Beiden ALV's worden gehouden op dezelfde dag, maar in een andere stad. Op de ALV georganiseerd door de voorzitter blijft de voorzitter in functie en wordt het andere bestuurslid ontslagen. Op de andere ALV wordt juist de voorzitter ontslagen. 
In deze zaak oordeelt de rechter dat de ALV georganiseerd door het medebestuuurslid ongeldig is, omdat een individueel bestuurslid niet zelfstandig een ALV bijeen kan roepen.  
De rechter spreekt zich  niet uit over de geldigheid van de ALV bijeengeroepen door de voorzitter, zodat (voor mij) onduidelijk blijft wie nu rechtsgeldig bestuurslid van de vereniging is. 

Vonnis in kort geding van 22 december 2017
in de zaak van
1. de vereniging 
[de vereniging] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser sub 2]
wonende te [woonplaats] ,
eisers,          

tegen [gedaagde] ,

De feiten
2.1.
[de vereniging] is een kleine politieke partij met ongeveer 40 leden.
2.2.
In de statuten van [de vereniging] is bepaald dat het bestuur uit ten minste drie leden moet bestaan en dat drie bestuursleden gezamenlijk of de voorzitter samen met een ander bestuurslid de partij in en buiten rechte vertegenwoordigen. In het huishoudelijk reglement van [de vereniging] is bepaald dat bestuursleden door de algemene ledenvergadering (“het congres” ) worden benoemd voor de duur van maximaal twee jaar. Vanaf oktober 2015 bestond het bestuur uit [gedaagde] , in de rol van voorzitter, met [eiser sub 2] , mevrouw [medebestuurder 1] en de heer [medebestuurder 2] als medebestuurders.
2.3.
In mei 2016 zijn er conflicten ontstaan binnen het bestuur. [medebestuurder 1] heeft tijdens het congres van 25 september 2016 haar bestuursfunctie neergelegd, omdat zij niet langer kon samenwerken met [gedaagde] . [medebestuurder 2] heeft in verband met de afloop van zijn zittingstermijn besloten af te treden als bestuurslid. [gedaagde] heeft [medebestuurder 1] en [medebestuurder 2] na het congres bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als bestuurslid. [gedaagde] wilde doorgaan als tweehoofdig bestuur. [eiser sub 2] wilde de benoeming van een derde bestuurslid door het congres afwachten.
2.4.
In december 2016 is er tussen [gedaagde] en [eiser sub 2] een bestuursconflict ontstaan. Vanwege de ontstane bestuurscrisis hebben vijf leden, onder wie [eiser sub 2] , [medebestuurder 2] en de heer [bestuurslid 1] , het bestuur verzocht een extra congres bijeen te roepen ter benoeming van een (interim)bestuur. Daarop heeft [gedaagde] een congres uitgeroepen op 21 januari 2017 in Amsterdam en [eiser sub 2] , op dezelfde datum, een congres in Utrecht.



2.5.
Op het in Amsterdam gehouden congres, waarbij elf leden aanwezig waren met vier machtigingen, is besloten tot benoeming van de heer [bestuurder] als bestuurder naast [gedaagde] en tot bevestiging van de besluiten tot schorsing en ontslag van [eiser sub 2] als bestuurslid.
Op het in Utrecht gehouden congres, waarbij vijf leden aanwezig waren, is besloten tot schorsing van [gedaagde] als voorzitter en bestuurslid tot het congres op 4 maart 2017 en tot benoeming van [medebestuurder 1] en [medebestuurder 3] als medebestuurders naast [eiser sub 2] . De Kamer van Koophandel heeft geweigerd deze besluiten in te schrijven (dus zowel de Utrechtse als de Amsterdamse besluiten) vanwege twijfel of aan de vergaderingen een geldig besluit tot bijeenroeping ten grondslag lag en daarmee aan de rechtsgeldigheid van de besluitvorming. De Kamer van Koophandel heeft de hiertegen ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
2.6.
[gedaagde] heeft een congres uitgeroepen op 4 maart 2017 in Amsterdam en [eiser sub 2] een congres op dezelfde datum in Utrecht.
Op het in Amsterdam gehouden congres, waarbij negen leden aanwezig waren met zes machtigingen, is besloten tot bevestiging van de besluiten tot benoeming van [bestuurder] tot bestuurslid en tot schorsing en ontslag van [eiser sub 2] als bestuurslid. 
Op het in Utrecht gehouden congres, waarbij [eiser sub 2] , [medebestuurder 1] , [medebestuurder 3] , [medebestuurder 2] en [bestuurslid 1] aanwezig waren met een machtiging van [bestuurslid 2] , is besloten tot ontslag van [gedaagde] als voorzitter en bestuurslid en ook tot het verlenen van mandaat aan het nieuwgekozen bestuur bestaande uit [eiser sub 2] , [medebestuurder 1] en [medebestuurder 3] , om “de nodige stappen te kunnen zetten om volwaardig te functioneren als vereniging”.
2.7.
Tijdens een door [gedaagde] bijeengeroepen congres op 23 september 2017 is besloten tot benoeming van [bestuurder] als voorzitter van het bestuur en tot herbenoeming van [gedaagde] als bestuurslid. Deze besluiten zijn wel ingeschreven door de Kamer van Koophandel. Verder heeft [gedaagde] [eiser sub 2] bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als bestuurslid vanwege de afloop van zijn zittingstermijn op 15 oktober 2017.
2.8.
[eiser sub 2] heeft bij deze rechtbank een bodemprocedure opgestart tegen [de vereniging] waarin hij vordert dat alle onder het voorzitterschap van [gedaagde] genomen besluiten vanaf 1 december 2016 worden vernietigd.

3Het geschil
3.1.
Eisers vorderen in deze procedure - kort gezegd - dat [gedaagde] wordt veroordeeld:
1.   om zich bij de Kamer van Koophandel te laten uitschrijven als bestuurder van [de vereniging] ,
2.   om de website [website] en de daarbij behorende inlogcodes ter beschikking te stellen aan [de vereniging] en de domeinnaam op naam van [de vereniging] te stellen,
3.   om het gebruik van de website [website] te staken,
4.   om zich niet langer te gedragen als bestuurder van [de vereniging] ,
5.   om bij wijze van rectificatie de inhoud van dit vonnis op te nemen in [naam] ,
alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[de vereniging] legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door zich te presenteren als zijnde de vereniging, terwijl hij daarvan geen deel meer uitmaakt. Daardoor ontstaat verwarring bij leden en aspirant leden. In dat verband maakt [gedaagde] ook onrechtmatig gebruik van de website, aldus [de vereniging] .
Subsidiair legt [de vereniging] aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2:9 BW.
Voor het geval het oordeel luidt dat de vereniging bevoegdheid ontbeert om de vordering in te stellen, dan wil [eiser sub 2] in hoedanigheid van bestuurder of als verenigingslid ageren, op dezelfde grondslagen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling
4.1.
De vorderingen van eisers zullen worden afgewezen. Voor wat betreft [de vereniging] is dat, omdat zij naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure niet bevoegd is vertegenwoordigd, zodat niet kan worden aangenomen dat het de vereniging is die de voorzieningen vordert. [de vereniging] is om die reden niet-ontvankelijk. Echter ook op vordering van [eiser sub 2] zullen de gevraagde voorzieningen worden afgewezen. In het hiernavolgende worden deze beslissingen toegelicht.

Procesbevoegdheid [de vereniging]
4.2.
Eisers gaan ervan uit dat tijdens het op 21 januari 2017 in Utrecht gehouden congres rechtsgeldig is besloten tot benoeming van een nieuw bestuur, bestaande uit [medebestuurder 3] als voorzitter, [eiser sub 2] als secretaris en [medebestuurder 1] als penningmeester. Op het op 4 maart 2017 in Utrecht gehouden congres is vervolgens door de ledenvergadering aan dit bestuur mandaat verleend om volgens een bepaald stappenplan de bestuurscrisis aan te pakken, onder meer door het inschakelen van een advocaat voor het starten van een (kort geding)procedure namens de vereniging. Dit maakt volgens eisers dat dit bestuur bevoegd was om namens [de vereniging] de rechtsvorderingen in te laten stellen.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt eisers hierin niet. Besluiten tot het bijeenroepen van een vergadering worden genomen door het bestuur, of - onder in de wet genoemde voorwaarden - door een bepaald aantal leden. Als aan een ledenvergadering niet een rechtsgeldig besluit tot bijeenroeping door het bestuur of een groep leden ten grondslag ligt, zijn de besluiten die in die ledenvergadering worden genomen nietig.
4.4.
Uit de stukken blijkt dat op 22 december 2016 een aantal leden een verzoek aan het bestuur heeft gedaan tot bijeenroeping van een vergadering en dat [eiser sub 2] op 28 december 2016 tot de vergadering van 21 januari 2017 heeft opgeroepen. [eiser sub 2] kon dit niet zonder zijn medebestuurder [gedaagde] doen en ook niet namens deze leden, nu de in artikel 2:41 lid 3 BW genoemde reactietermijn van veertien dagen voor het bestuur nog niet was verstreken. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat het congres op 21 januari 2017 in Utrecht rechtsgeldig bijeen is geroepen en daarmee dus ook niet dat de in deze ledenvergadering genomen besluiten tot benoeming van [medebestuurder 3] en [medebestuurder 1] als medebestuurdersleden naast [eiser sub 2] en tot schorsing van [gedaagde] als voorzitter en bestuurslid rechtsgeldig zijn. Ook het op 4 maart 2017 in Utrecht gehouden congres is zelfstandig door [eiser sub 2] opgeroepen in plaats van door [gedaagde] en [eiser sub 2] gezamenlijk. Dit alles maakt dat evenmin aannemelijk is dat het congres op 4 maart 2017 op juiste wijze bijeen is geroepen en dat het in deze ledenvergadering door het congres aan het bestuur verleende mandaat rechtsgeldig is.
4.5.
Daarbij komt dat de dagvaarding in deze procedure op 17 november 2017 is uitgebracht. Op dat moment was de zittingstermijn van [eiser sub 2] verstreken, zonder dat hij was herbenoemd tot bestuurder, zodat de conclusie moet zijn dat hij op dat moment en ook ten tijde van de mondelinge behandeling, geen bestuurslid meer was.
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat niet aannemelijk is geworden dat de voorzieningen moeten worden geacht te zijn gevraagd door [de vereniging] . [de vereniging] is om die reden niet-ontvankelijk.

De vorderingen van [eiser sub 2]
4.7.
Subsidiair zijn de vorderingen ingesteld door [eiser sub 2] in hoedanigheid van bestuurder en verenigingslid van [de vereniging] . Nog daargelaten of [eiser sub 2] dat in die hoedanigheid kan (hiervoor in 4.5 is overwogen dat niet aannemelijk is dat [eiser sub 2] nog bestuurslid is van [de vereniging] en een vordering gebaseerd op artikel 2:9 BW komt slechts de rechtspersoon zelf toe), moeten de vorderingen worden afgewezen omdat het aan de vorderingen ten grondslag gelegde feitencomplex niet aannemelijk is geworden.
4.8.
[eiser sub 2] neemt tot uitgangspunt dat [gedaagde] zich vanaf december 2016 van de partij heeft afgesplitst en feitelijk een eigen partij is begonnen, maar met gebruikmaking van de middelen, materialen en aanduidingen van [de vereniging] . Zo heeft [gedaagde] zich volgens [eiser sub 2] feitelijk de website van [de vereniging] en de daaraan gekoppelde e-mailadressen toegeëigend en op deze website teksten van de officiële nieuwsbrieven van [de vereniging] geplaatst, waarvan de inhoud door hem is bewerkt. Verder presenteert [gedaagde] zich op social media en naar derden toe ten onrechte als enige en officiële spreekbuis van [de vereniging] . Door dit handelen van [gedaagde] ontstaat er imagoschade voor [de vereniging] en gevaar voor verwarring tussen de schaduwpartij van [gedaagde] en de vereniging.
4.9.
De aldus geschetste feitelijke gang van zaken is echter niet aannemelijk geworden. Wat wel duidelijk is geworden, is dat er conflicten zijn ontstaan binnen het bestuur van [de vereniging] en dat na het bestuursconflict tussen [gedaagde] en [eiser sub 2] in december 2016 de situatie is ontstaan dat beide bestuurders afzonderlijk van elkaar meerdere ledenvergaderingen bijeen hebben geroepen en hebben geprobeerd de bestuurscrisis vlot te trekken door de benoeming van nieuwe bestuursleden. Uit niets blijkt echter, dat [gedaagde] met de vereniging en/of de partij heeft gebroken en doelbewust een schaduwpartij heeft gecreëerd met gebruikmaking van activa van de vereniging.
4.10.
[eiser sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarnaast biedt artikel 245 Rv die grondslag, nu [de vereniging] ten gevolge van zijn opdracht niet rechtsgeldig in rechte is opgetreden, zodat het niet past haar in de kosten te veroordelen.
4.11.
De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 287,00 aan griffierecht, het tarief voor een kort geding met vorderingen van onbepaalde waarde dat bij de handelsrechter is aangebracht. Dat deze zaak ook bij de kantonrechter had kunnen worden aangebracht, vormt geen reden om het lagere tarief voor een kanton kort geding toe te passen. De kantonrechter is in zulke zaken náást de handelsrechter bevoegd. Het is ter keuze aan de eisende partij waar het geding wordt aangebracht en in dit geval is dat gebeurd bij de voorzieningenrechter. De gedaagde partij kan geen verwijzing naar de kantonrechter vragen. De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding om alleen [eiser sub 2] in de proceskosten te veroordelen, zoals door [gedaagde] is verzocht.

De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [de vereniging] niet-ontvankelijk,
5.2.
wijst de vorderingen van [eiser sub 2] af,