25 januari 2018

Kritiek op oude bestuur onzorgvuldig en onrechtmatig

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2018:250


Een uitspraak van het hof Den Bosch over een conflict binnen een verenging. De kern is dat een nieuw bestuur kritiek had op het oude bestuur, en dit op een onzorgvuldige manier heeft voorgelegd aan de ALV. De uitspraak is wat lastig leesbaar.
De conclusie van het hof is dat de vereniging  onrechtmatig gehandeld heeft jegens de oud-voorzitter door het in de [ALV] van 26 april 2013 een bepaald voorstel in stemming te brengen en door het daaropvolgende besluit te nemen." 
De strekking van het besluit was dat de oud-voorzitter "in gebreke is gebleven te besturen zoals een goed bestuur betaamt en de vereniging moreel en financieel schade heeft toegebracht" (juridisch is dit niet echt een besluit, maar dat terzijde).
Er zijn twee redenen waarom dit besluit (en het voorstel) onrechtmatig was.
De eerste reden is dat de vereniging (d.w.z. het nieuwe bestuur) de reactie van de oud-voorzitter op het concept-rapport (van een onderzoekscommissie, over de oud-vorozitter) niet aan de leden heeft medegedeeld. Het nieuwe bestuur heeft aldus de eisen van hoor en wederhoor niet in acht heeft genomen. Het nieuwe bestuur heeft daarom, volgens de rechter, niet zorg gedragen voor een zorgvuldig debat en zij heeft de  leden niet volledig en naar behoren ingelicht. De wijze waarop het besluit van 26 april 2013 tot stand is gekomen voldoet daarom niet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld.

De tweede reden betreft de inhoud van het besluit  In het besluit was de zinsnede opgenomen: “dat het de vereniging moreel en financieel schade heeft toegebracht”, waarbij met " het" bedoeld wordt: het oude bestuur. De rechter oordeelt dat deze bewoordingen "vaag en suggestief" zijn. De rechter verwijt het nieuwe bestuur dat het welbewust de niet te verwaarlozen kans aanvaard dat leden onder "het toebrengen van schade, moreel en financieel", veel meer verstaan dan de daadwerkelijke concrete verwijten aan het oude bestuur (namelijk, het te laat of niet deponeren van de jaarrekening bij de KvK, onvoldoende overleg en onheuse bejegening door het oude bestuur, en het op de spits drijven van conflicten en onvoldoende inspanningen om deze conflicten op te lossen). 

De verdere beoordeling


7.1.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.
[Feiten]
a. De vereniging is begin jaren tachtig opgericht om de belangen van eigenaren van percelen aan een landtong te [plaats] te behartigen.
[appellant] is in 2008 eigenaar geworden van het perceel [perceel] te [plaats] . Dit perceel is gelegen aan de voormelde landtong. [appellant] is daar gaan wonen. In de leveringsakte van 17 oktober 2008 is vermeld dat [appellant] de verplichting op zich neemt lid te worden van de vereniging en op grond daarvan is [appellant] lid geworden van de vereniging.
In de periode van januari 2010 tot en met 2 november 2012 is [appellant] voorzitter geweest van het bestuur van de vereniging. 
De andere leden van het bestuur waren destijds [destijds lid van bestuur 1] en [destijds lid van bestuur 2] . De vereniging heeft naast het bestuur een commissie Advies & Arbitrage (hierna: de commissie) die adviseert en op verzoek bemiddelt bij geschillen.
De vereniging had met de gemeente [gemeente] een langlopend conflict rondom de stabiliteit van de landtong en daarover is onder de leden van de vereniging ook verdeeldheid. Op 25 mei 2012 heeft de vereniging een algemene ledenvergadering gehouden. Daarin is door twee leden gezegd dat [appellant] heeft gelogen over de gang van zaken bij een eerder overleg tussen de leden en de gemeente [gemeente] . In de vergadering is een motie van wantrouwen ingediend welke door een meerderheid van de leden is aangenomen. Tevens is besloten dat een nieuwe bestuursverkiezing zou worden uitgeschreven. Door de motie van wantrouwen is het voor de vergadering van 25 mei 2012 geagendeerde punt “stemming voor betaald bestuur” niet besproken.
[appellant] heeft in de algemene ledenvergadering van 29 juni 2012 gevraagd hem vanwege de beschuldigingen te schorsen. Een schorsingsbesluit is tijdens de algemene ledenvergadering niet genomen.

20 januari 2018

Twee ALV's , twee besturen

Rechtbank Midden-Nederland 22 december 2017

In deze zaak gaat het om een kleine vereniging met een bestuurscrisis. Er ontstaan twee kampen in het bestuur. Dan doen een aantal leden een verzoek om een ALV. Zowel de voorzitter, als één van de andere bestuursleden schrijft een (aparte) ALV uit. Beiden ALV's worden gehouden op dezelfde dag, maar in een andere stad. Op de ALV georganiseerd door de voorzitter blijft de voorzitter in functie en wordt het andere bestuurslid ontslagen. Op de andere ALV wordt juist de voorzitter ontslagen. 
In deze zaak oordeelt de rechter dat de ALV georganiseerd door het medebestuuurslid ongeldig is, omdat een individueel bestuurslid niet zelfstandig een ALV bijeen kan roepen.  
De rechter spreekt zich  niet uit over de geldigheid van de ALV bijeengeroepen door de voorzitter, zodat (voor mij) onduidelijk blijft wie nu rechtsgeldig bestuurslid van de vereniging is. 

Vonnis in kort geding van 22 december 2017
in de zaak van
1. de vereniging 
[de vereniging] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser sub 2]
wonende te [woonplaats] ,
eisers,          

tegen [gedaagde] ,

De feiten
2.1.
[de vereniging] is een kleine politieke partij met ongeveer 40 leden.
2.2.
In de statuten van [de vereniging] is bepaald dat het bestuur uit ten minste drie leden moet bestaan en dat drie bestuursleden gezamenlijk of de voorzitter samen met een ander bestuurslid de partij in en buiten rechte vertegenwoordigen. In het huishoudelijk reglement van [de vereniging] is bepaald dat bestuursleden door de algemene ledenvergadering (“het congres” ) worden benoemd voor de duur van maximaal twee jaar. Vanaf oktober 2015 bestond het bestuur uit [gedaagde] , in de rol van voorzitter, met [eiser sub 2] , mevrouw [medebestuurder 1] en de heer [medebestuurder 2] als medebestuurders.
2.3.
In mei 2016 zijn er conflicten ontstaan binnen het bestuur. [medebestuurder 1] heeft tijdens het congres van 25 september 2016 haar bestuursfunctie neergelegd, omdat zij niet langer kon samenwerken met [gedaagde] . [medebestuurder 2] heeft in verband met de afloop van zijn zittingstermijn besloten af te treden als bestuurslid. [gedaagde] heeft [medebestuurder 1] en [medebestuurder 2] na het congres bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als bestuurslid. [gedaagde] wilde doorgaan als tweehoofdig bestuur. [eiser sub 2] wilde de benoeming van een derde bestuurslid door het congres afwachten.
2.4.
In december 2016 is er tussen [gedaagde] en [eiser sub 2] een bestuursconflict ontstaan. Vanwege de ontstane bestuurscrisis hebben vijf leden, onder wie [eiser sub 2] , [medebestuurder 2] en de heer [bestuurslid 1] , het bestuur verzocht een extra congres bijeen te roepen ter benoeming van een (interim)bestuur. Daarop heeft [gedaagde] een congres uitgeroepen op 21 januari 2017 in Amsterdam en [eiser sub 2] , op dezelfde datum, een congres in Utrecht.

17 januari 2018

En nog een verboden motorclub (Catervarius)

Rb. Midden-Nederland 17 januari 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:113

De rechtbank verklaart een motorclub verboden.
Wat betreft de feiten: " Het OM stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat vrijwel direct na de vestiging van Catervarius leden van deze vereniging onderwerp zijn geworden van verschillende strafrechtelijke onderzoeken, die onder meer zien op afpersing, geweldpleging, diefstal, drugsmisdrijven en wapenmisdrijven. Een aantal van deze misdrijven is gepleegd in het clubhuis van Catervarius te Benschop, waarover zij tot oktober 2016 de beschikking had. Het OM heeft voorts aangevoerd dat een groot deel van het clubbestuur lange gevangenisstraffen uitzit voor ernstige in clubverband gepleegde strafbare feiten." 

Dan de vraag of deze misdragingen ook werkzaamheden van de vereniging zijn: 
Uit het geheel van feiten en omstandigheden zoals die door het OM zijn aangevoerd, blijkt dat de leden van Catervarius zich in het groepsverband van Catervarius aan de onder 3.4 [lees:3.5] beschreven feiten schuldig hebben gemaakt en zich daarbij ook hebben beroepen op hun lidmaatschap. Op geen enkele wijze is gebleken dat bestuursleden van Catervarius zich hiervan hebben gedistantieerd – in tegendeel: bestuursleden hebben hieraan ook deelgenomen. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in 3.8 en dat de beschreven gedragingen aan de rechtspersoon Catervarius als eigen werkzaamheid kunnen worden toegerekend." 

Tot slot, de rechtbank spreekt van "informele vereniging", maar de wet kent die term is. De wettelijke term is vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid (artikel 2:43 lid 6 BW). 

Beschikking van 17 januari 2018
in de zaak van
het OPENBAAR MINISTERIE,
verzoeker,
tegen
de informele vereniging
CATERVARIUS NETHERLANDS,
zonder bekende vestigingsplaats,
verweerster,
niet verschenen.

Partijen zullen hierna het OM en Catervarius genoemd worden.
[...]

2Het verzoek

2.1.
Het OM verzoekt de rechtbank op grond van artikel 2:20 BW om bij beschikking,
uitvoerbaar bij voorraad, Catervarius verboden te verklaren en te ontbinden, onder benoeming van een vereffenaar, met bepaling dat een eventueel batig saldo na vereffening wordt uitgekeerd aan de Staat.

3De beoordeling

3.1.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat Catervarius op een deugdelijke wijze is opgeroepen. Er is geen officieel adres van Catervarius bekend zodat de diverse onder 1.2. weergegeven oproepen volstaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit een door het OM overgelegd verslag (productie 6) blijkt dat de wijkagent op 8 augustus 2017 [A] heeft gesproken en dat daarbij naar voren kwam dat hij het verzoekschrift had ontvangen en daarover overleg had gehad met zijn advocaat. Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat [A] optreedt als voorzitter van Catervarius.
Dat Catervarius niet in de procedure is verschenen, leidt er daarom niet toe dat het verzoek niet inhoudelijk kan worden behandeld.
3.2.
Artikel 2:20 BW luidt – voor zover hier relevant - als volgt:
1. Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.
2. Een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie ontbonden. Alvorens de ontbinding uit te spreken kan de rechtbank de rechtspersoon in de gelegenheid stellen binnen een door haar te bepalen termijn zijn doel zodanig te wijzigen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde.
3.3.
Catervarius, ook wel genaamd Catervarius Brotherhood, is in de tweede helft van 2015 opgericht. Catervarius is begonnen als een ‘chapter’ (lokale afdeling) van de vereni-ging ‘Alcatraz Wanted’ en is na korte tijd onder haar huidige naam voortgezet. Catervarius is een zogenoemd broederschap, voortkomend uit de traditie van motorclubs.

4 januari 2018

Verplicht lidmaatschap en koopzondagen (De Paddepoel)

Rechtbank Noord-Nederland 3 januari 2018 ECLI:NL:RBNNE:2018:20

Deze zaak gaat over de winkelier die een boete kreeg van het winkelcentrum omdat hij op koopavonden niet geopend was. De zaak heeft de media gehaald. In wezen gaat het echter om verenigingsrecht. De winkelier heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan, en er vallen inderdaad wel wat dingen aan te merken op de uitspraak van de rechtbank.

Kort gezegd was de verplichting om open te zijn op koopavonden vastgelegd in het huishoudelijk reglement, en is bij de opzet van de vereniging duidelijk geprobeerd om het lidmaatschap verplicht te maken. Een echte VvE (boek 5 BW) was echter niet mogelijk omdat het winkelcentrum geen appartementencomplex is. Daarom is gekozen voor een verplichting om lid te blijven in de leveringsakte van de winkel, en voor een "coöperatieve vereniging" in plaats van een gewone vereniging. De harde regel is dat niemand verplicht kan worden lid te zijn (of blijven) van een vereniging omdat het in strijd is met de (negatieve) vrijheid van vereniging zoals beschermd in artikel 11 EVRM. Bij een coöperatieve vereniging kunnen wel extra voorwaarden worden gesteld aan opzegging van het lidmaatschap (artikel 2:60 BW). De reden hiervoor is dat het de bedoeling is dat de coöperatieve vereniging een bedrijf uitoefent voor de gezamenlijke leden en "de investering en [de] gehele bedrijfsvoering zijn afgezet op de te behalen omzet, die weer grotendeels afhankelijk is van de leden" (Dijk/Van der Ploeg, 6.8.4 (2013)).

De rechtbank oordeelt dat de "volledige uitsluiting van de uittredingsvrijheid" ongeoorloofd is. Dit is echter niet wat de statuten van de vereniging bepalen. De statuten sluiten artikel 2:36, lid 1, eerste volzin uit, waarin staat dat leden kunnen opzeggen tegen einde van het lopende boekjaar. Artikel 36, lid 1, eerste volzin, laat dat inderdaad toe. De tweede volzin is echter in ieder geval van toepassing (volgens de wet), en wordt ook niet uitgesloten. In de tweede volzin van artikel 2:36 lid 1 staat dat opzegging in elk geval kan tegen het einde van het volgende boekjaar. Dus, bij de opzegging in mei 2016, einde lidmaatschap per 1 januari 2018 -  dat is ook waar de rechtbank op uitkomt (r.o. 4.18) - of onmiddellijk indien "redelijkerwijs niet gevergd kan worden"  van het lid om het lidmaatschap te laten voortduren. De rechtbank dat de winkelier "niet of onvoldoende onderbouwd feiten gesteld waaruit volgt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd het lidmaatschap voor enige tijd te laten voortduren." Dat zal dan kennelijk zo zijn - hoewel de mediaberichtgeving anders doet lijken. De rechtbank is niet heel precies waar ze stelt dat de vereniging "de toepassing van de art. 2:36 lid 1 en lid 3 BW" heeft uitgesloten in de statuten - de statuten sluiten slechts de eerste volzin van art. 2:36 lid 1 BW uit, niet de tweede volzin. De conclusie die de rechtbank trekt uit die vermeende uitsluiting van artikel 2:36 lid 1 en 3 BW, dat " CVvE haar rechtsverhouding met haar leden zo willen regelen dat opzegging met (onmiddellijke) ingang [sic!] niet mogelijk is" lijkt dan ook geen steun te vinden in de statuten.

De vereniging heeft ook artikel 2:36 lid 3 uitgesloten " Ten aanzien van zowel financiële- als ook andere verplichtingen van een lid" . Daarin is bepaald dat een lid het lidmaatschap kan opzeggen (binnen een maand) bij verzwaring van zijn verplichtingen. Het is mij overigens niet duidelijk of er een verzwaring was binnen een maand voor de opzegging in mei 2016. In ieder geval geeft artikel 2:36 lid 3 tweede volzin aan dat je in de statuten dat inderdaad mag uitsluiten voor "geldelijke verplichtingen" en voor " voor het geval van wijziging van de daar [d.w.z. in de statuten] nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen"  De uitsluiting voor " andere verplichtingen" in de statuten is dus mi.i. ongeldig (nietig) omdat het geen nauwkeurige omschrijving is van de betreffende verplichtingen.

In de statuten is verder opgenomen, als voorwaarde voor uittreding onder 2:60 BW, de "verplichting om te blijven bijdragen in de gemeenschappelijke kosten en lasten van de Vereniging als ware men lid van de Vereniging gedurende de tijd, dat hij/zij van [sic; bedoeld zal zijn "gerechtigde van" ] een onroerende zaak is in het in artikel 1 bedoelde winkelcentrum". 

Deze voorwaarde wordt voor "niet geschreven" gehouden (de terminologie komt uit art. 2:60) omdat ze te onbepaald zou zijn. Dat bepaling is mogelijk inderdaad (te) onbepaald, uit het arrest van de Hoge Raad waar de rechtbank naar verwijst blijkt dat echter niet direct.

Daarmee is de opzegging op zich geldig, zij het dat de ingangsdatum per 1 januari 2018 is. Echter, in de leveringsakte voor het pand is een kettingbeding opgenomen dat de verkrijger (winkelier) lid moet zijn en blijven de vereniging. De vereniging kan daar een beroep op doen, omdat het een derdenbeding is (art. 6:253). Een dergelijk kettingbeding kan worden doorgehaald door de rechter op grond van artikel 6:259 BW. Zie deze post voor een recente voorbeeld van een bungalowparkzaak waarin een vergelijkbare constructie was opgetuigd met verplichtmaatschap in de leveringsakte.

De rechtbank in deze zaak echter vindt het beding echter in strijd met artikel 2:34a BW. Dat artikel luidt: " verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.". De rechtbank overweegt dat " in de leveringsakte een verbintenis aan het lidmaatschap wordt verbonden om lid te blijven van de [vereniging]. De rechtbank is van oordeel dat dit zich niet verhoudt met art. 2:34a BW. De [vereniging] kan daarom niet met succes in zoverre een beroep op de leveringsakte doen." De strekking van artikel 2:34a is echter om uit te sluiten dat verbintenissen worden opgelegd aan de leden met een besluit van het bestuur, zonder dat de statuten daarin voorzien (Kollen, 5.7.5 (2007)). Dat laat echter geheel onverlet dat leden contractueel - dus met hun instemming - verplichtingen op zich kunnen nemen (Van der Ploeg, 6.4.3).

Daarmee oordeelt de rechtbank dat de leveringsakte niet in de weg staat aan de opzegging per 1 januari 2018, en dat de winkelier tot die datum aan zijn lidmaatschapsverplichtingen moest voldoen. Daarom moet hij € 16.154,46 en € 6.000,-- betalen, ik vermoed dat het eerste bedrag de achterstallige contributie is, en het tweede bedrag de statutaire boetes voor het dicht zijn op koopavonden (de vereniging vordert geen boetes voor dicht zijn op koopzondagen).

Er is door het lid kennelijk geen beroep gedaan op matiging van de boetes, bijv. op grond van 2:8 lid 2 BW, evenmin wordt de geldigheid van het besluit waarbij de boetes zijn opgelegd getoetst aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
vonnis van 3 januari 2018

in de zaak van

de Coöperatieve vereniging van eigenaren in het winkelcentrum "De Paddepoel",

eisers,


D.T. Groningen B.V.,
gedaagde,


Partijen zullen hierna de CVvE en D.T. Groningen worden genoemd.

2De feiten

2.1.
De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vaststaan.
2.2.
D.T. Groningen is op 8 december 2008 eigenaar geworden van het winkelpand aan de Eikenlaan 318 en 320 Groningen.
2.3.
In de leveringsakte waarmee het winkelpand aan D.T. Groningen is geleverd, is bedongen dat D.T. Groningen zo lang zij eigenaar is van het winkelpand, lid zal worden en blijven van de CVvE en dat zij verplicht is het winkelpand voor het publiek geopend te hebben en te houden gedurende de tijden waarop zulks volgens plaatselijk gebruik pleegt te geschieden of waarop dit van overheidswege is vereist. In de leveringsakte is verder bepaald dat wanneer de koper in strijd handelt met deze bedingen, D.T. Groningen aan de CVvE een boete verbeurt.
2.4.
De CVvE betreft een coöperatieve vereniging die de belangen behartigt van haar leden, die eigenaar zijn van of een zakelijk genotsrecht hebben op een onroerende zaak in het winkelcentrum "De Paddepoel" in Groningen.
2.5.
In de statuten van de CVvE is opgenomen dat zij de belangen behartigt van haar leden in de "ruimste zin des woords". Daarbij is onder meer bepaald dat dit omvat "al hetgeen verder zal kunnen bijdragen tot het in technisch en commercieel opzicht optimaal functioneren van het winkelcentrum".
2.6.
De algemene ledenvergadering van de CVvE heeft op 15 december 2014 het "Huishoudelijk Reglement Winkelcentrum Paddepoel" (hierna: "Huishoudelijk Reglement") van de CVvE vastgesteld. In het Huishoudelijk Reglement zijn de openingstijden van de winkels in het winkelcentrum vastgesteld. Onder meer is vastgesteld dat iedere bedrijfsruimte behoudens dispensatie van het bestuur, op de koopavond op de donderdagen van 9:30 tot 21:00 uur en op de zaterdagen van 09:30 tot 18:00 uur en elke laatste zondag van de maand van 12:00 topt 17:00 uur geopend moet zijn.
2.7.
Tussen de CVvE en D.T. Groningen is in geschil gekomen in hoeverre D.T. Groningen zich heeft te houden aan de in het Huishoudelijk Reglement opgenomen openingstijden voor de koopavond op de donderdagen, de langere openingstijden op de zaterdagen en de openstelling op de laatste zondag van iedere maand. Dit geschil heeft ertoe geleid dat D.T. Groningen op 29 april 2016 met onmiddellijke ingang haar lidmaatschap van de CVvE heeft opgezegd.