30 juni 2017

Aspirant-lid: lid of niet?

Rechtbank Amsterdam 13 juni 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:4067


In deze zaak mislukt iets wat tamelijk simpel zou moeten zijn, namelijk het afscheid nemen van een aspirant-lid en stoppen van diens aspiranten-status. De statuten en reglementen van deze volkstuinvereniging zijn echter erg ongelukkig geformuleerd, zodat het niet lukt. De statuten vermelden dat “Aspirant-leden zijn nieuwe leden, die overigens voldoen aan lidmaatschap en die bij toelating voor de vereisten voor één jaar de status van ‘aspirant-lid’ krijgen.” Het Huishoudelijk Reglement bepaalt dat " Gedurende het eerste jaar krijgt een nieuw lid de status van ‘aspirant-lid’. In dat jaar kan hij/zij door het bestuur geroyeerd worden zonder dat beroep op de ledenvergadering tegen dit royement mogelijk is."

De rechter is er vrij snel klaar mee (in kort geding). Uit (onder meer) de statuten blijkt dat aspirant-leden lid zijn, en artikel 2:35 BW bepaalt dat leden bij royement (ontzetting) in beroep kunnen gaan. Door geen beroepsmogelijkheid te bieden, handelt de vereniging in strijd met de wet, en is het royement dus nietig. Het aspirant-lid mag zijn volkstuintje blijven huren. 

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e
de vereniging Volkstuinvereniging Frankendael
eiseres, nader te noemen: de Volkstuinvereniging

t e g e n [gedaagde]



VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 1 mei 2017 heeft de Volkstuinvereniging een voorziening gevorderd.
Ter terechtzitting van 6 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De Volkstuinvereniging is verschenen bij [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen in persoon, vergezeld door de gemachtigde. De Volkstuinvereniging heeft op voorhand stukken in het geding gebracht. [gedaagde] heeft ter zitting stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten


1. Als uitgangspunt geldt het volgende.
1.1.
De Volkstuinvereniging is een tuinvereniging die ten behoeve van haar leden van de gemeente Amsterdam grond huurt en deze in delen als volkstuinen aan haar leden doorverhuurt.
1.2.
Op 4 juni 2016 is [gedaagde] met de Volkstuinvereniging een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot tuinnummer [nummer] .
1.3.
Artikel 2 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
“ Huurder verklaart bij ondertekening van deze overeenkomst als lid te zijn toegetreden tot de Volkstuinvereniging Frankendael, de statuten en de reglementen van deze vereniging te hebben ontvangen en zonder voorbehoud in te stemmen met de inhoud van de statuten en reglementen.”
1.4.
Artikel 5 en 6 van de statuten van de Volkstuinvereniging luiden, voor zover relevant, als volgt:
“Artikel 5:
De vereniging bestaat uit aspirant-leden, leden, ereleden, leden van verdienste en kandidaat-leden.
Artikel 6:
Aspirant-leden zijn nieuwe leden, die overigens voldoen aan lidmaatschap en die bij toelating voor de vereisten voor één jaar de status van ‘aspirant-lid’ krijgen.
Leden zijn meerderjarige personen die een tuin van de vereniging in huur hebben en inwoner van Amsterdam of een randgemeente.
Ereleden zijn zij, die geen lid van de vereniging zijnde, zich ten opzichte van deze bijzondere hebben onderscheiden. Zij hebben toegang tot de algemene ledenvergadering, doch geen stemrecht.”
1.5.
Artikel 4 van het Huishoudelijk reglement van de Volkstuinvereniging luidt als volgt:
“Gedurende het eerste jaar krijgt een nieuw lid de status van ‘aspirant-lid’. In dat jaar kan hij/zij door het bestuur geroyeerd worden zonder dat beroep op de ledenvergadering tegen dit royement mogelijk is. 
Na afloop van een jaar wordt een aspirant-lid automatisch lid.”

Vordering en verweer


2. De Volkstuinvereniging vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om de tuin en het tuinhuisje met tuinnummer [nummer] binnen 8 dagen na het vonnis te ontruimen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3. De Volkstuinvereniging stelt hiertoe, kort en zakelijk weergegeven, dat haar bestuur heeft besloten om het aspirant-lidmaatschap van [gedaagde] niet in een volwaardig lidmaatschap om te zetten, hem te royeren en de huurovereenkomst op te zeggen, hetgeen schriftelijk aan [gedaagde] is medegedeeld. Zij voert aan dat de huur van de grond en het lidmaatschap onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn zodat [gedaagde] geen huurder van de grond meer is en zijn gebruik thans zonder recht of titel is.
4. [gedaagde] voert verweer tegen de vordering. De verweren worden voor zover nodig hieronder opgenomen en beoordeeld.

25 juni 2017

Vervaltermijn en klachtplicht in het verenigingsrecht?

Rechtbank Amsterdam 21 juni 2017 
ECLI:NL:RBAMS:2017:3768

In deze zaak heeft het bestuur in maart 2013 het "voornemen"  geuit om een lid te royeren. Bij brief van 24 februari 2016 heeft het lid voor het eerst zijn bezwaren tegen zijn royement als lid kenbaar gemaakt aan de vereniging. In de tussentijd is er een rechtszaak geweest tussen (een b.v. van) het lid en de vereniging over de betaling van geldsommen, waarbij het het lid in het gelijk is gesteld.

De vereniging en het lid gaan ervan uit dat het lid per maart 2013 is geroyeerd. De vervaltermijn van één jaar van art. 2:15 BW is dus ruim verstreken. Het lid beroept zich echter op onrechtmatige daad, en vordert schadevergoeding en excuses, waarbij de tekst van de gevorderde excuses teven herstel van het lidmaatschap inhoudt.  De HR heeft geoordeeld dat de vervaltermijn van artikel 2:15 niet in de weg staat aan een beroep op onrechtmatigheid van royement (ECLI:NL:HR:2016:1061). De vereniging beroept zich echter op de klachtplicht van artikel 6:89 BW.

"De vordering van [eiser] wordt aangemerkt als een actie uit onrechtmatige daad die gebaseerd is op een gebrek in de prestatie van HARC, te weten de hem onwelgevallige besluiten. Artikel 6:89 BW is ook van toepassing op een dergelijke actie uit onrechtmatige daad (ECLI:NL:HR:2007:BB3733).
In artikel 6:89 BW is bepaald dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd."

De rechtbank laat de vordering van het lid afstuiten op de klachtplicht van artikel 6:89 BW:
"Vaststaat dat [eiser] direct is geïnformeerd over de besluiten in maart 2012 en maart 2013, maar dat hij pas voor het eerst op 24 februari 2016 daarover heeft geklaagd bij HARC. [] Door niettemin zo’n lange tijdsduur te laten passeren, heeft [eiser] zijn recht om de onderhavige vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen, verwerkt ex artikel 6:89 BW. Hieruit volgt dat de vordering moet worden afgewezen."

Opgemerkt kan worden dat ECLI:NL:HR:2007:BB3733 zag op een ontevreden koper. De HR overwoog in dat arrest dat artikel 6:89 geldt "voor iedere rechtsvordering van de koper die - en ieder verweer van de koper dat - feitelijk gegrond is op het niet-beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst, ook indien door de koper op deze grondslag een rechtsvordering uit onrechtmatige daad wordt gebaseerd" (net zoals al was bepaald voor artikel 7:23). Later heeft de Hoge Raad overwogen dat klachtplicht van artikel 6:89 BW van toepassing op "alle verbintenissen" (ECLI:NL:HR:2013:BY4600).

Het is maar de vraag of men artikel 2:8 lid 1 BW kan zien als een bron van verbintenissen (in dit geval voor de vereniging). Zo is in ECLI:NL:GHARL:2017:523 overwogen dat dit niet het geval is voor de verplichtingen van bestuurders onder 2:9 lid 1 BW, waarin het hof overwoog dat:
"De rechtspersoon is gerechtigd is tot deze prestatie [ex 2:9 lid 1 BW]. Hierdoor ontstaat er echter geen verbintenis waarop afdeling 9 van titel 1 van boek 6 BW van toepassing is. Met deze verplichting van de bestuurder correspondeert immers geen subjectief vermogensrecht van de vennootschap. [noot: vgl. art. 3:6 BW] [appellant] komt met betrekking tot de vordering ex artikel 2:9 BW dan ook geen beroep op artikel 6:89 BW toe." 
Eerder werd in ECLI:NL:RBZWB:2014:9203 op vergelijkbare wijze overwogen dat:

"Bij de beantwoording van de vraag of artikel 6:89 BW van toepassing is, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de in artikel 6:89 BW neergelegde bepaling ziet op een gebrek in de nakoming van een verbintenis, waarop de bepalingen van boek 6 BW over de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis (afdeling 9 van titel 1 van boek 6) van toepassing zijn. Een verbintenis is een rechtsbetrekking, dat wil zeggen een door het recht erkende en geregelde verhouding. Door het recht geregelde betrekkingen tussen (rechts)personen worden echter niet steeds als verbintenissen in eigenlijke zin beschouwd. Verbintenissen in eigenlijke zin, die behandeld worden in boek 6 BW, zijn slechts die rechtsbetrekkingen die een zuiver vermogensrechtelijk karakter hebben. De schuldeiser van een verbintenis als bedoeld in boek 6 BW heeft een subjectief vermogensrecht[]. Geen verbintenis is derhalve de op een ieder rustende rechtsplicht zich jegens derden te onthouden van onrechtmatige gedragingen. ... De Hoge Raad heeft weliswaar in zijn arrest van 23 november 2007, [ECLI:NL:HR:2007:BB3733] (Ploum/Smeets) bepaald dat de klachtplicht ook geldt voor een rechtsvordering gebaseerd op onrechtmatige daad, maar alleen wanneer de rechtsvordering feitelijk is gegrond op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst, met andere woorden: gebaseerd op het niet nakomen van een verbintenis." (3.11).
Kortom, er is geen rol voor de klachtplicht van artikel 6:89 BW bij een tekortschieten in de rechtsplicht van artikel 2:9 BW (voor bestuurders) en artikel 2:8 lid 1 BW. Kan in deze zaak het geroyeerde lid de vereniging dan onverminderd na drie jaar aanspreken op het royement? Nee. Zoals voorgesteld door Rijsterborgh en Veldhoen (Maandblad voor Vermogensrecht 2015, p. 99, link), kan de rechter in dit geval artikel 6:162 BW buiten toepassing laten op basis van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 2, indien toepassing ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.


Vonnis van 21 juni 2017

in de zaak van
[eiser] ,
tegen de vereniging HISTORISCHE AUTO REN CLUB,



Partijen zullen hierna [eiser] en HARC genoemd worden.

24 juni 2017

Misbruik van machtspositie en bondsstructuur

Rb. Amsterdam 14 juni 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:4061 

Deze uitspraak betreft een conflict tussen een schaatsclub en een gewest van de bond. Het gewest wil niet langer de kunstijsbaan verhuren aan de schaatsclub. Er is een procedure geweest bij de geschillencommissie van de bond, op grond van het Reglement bondsrechtspraak. De geschillencommissie gaf het gewest gelijk in de (twee) uitspraken. De partijen merken in de rechtszaak de uitspraken van de geschillencommissie aan als bindend advies. De rechter toetst de uitspraak van de geschillencommissie slechts summier, en laat de uitspraak in stand.

Opvallend genoeg stelt het gewest als voorwaarde voor verhuur van de kunstijsbaan, dat de samenstelling van het bestuur van de schaatsclub verandert. De schaatsclub voerde nog aan dat deze eis misbruik van machtspositie is - wat mij een kansrijk argument lijkt. Het feit dat het gewest (of mogelijk de landelijke bond) eigenaar is van de schaatsbaan, betekent niet dat het gewest en/of landelijk bestuur dictator kunnen zijn door (lastige) lokale afdelingen toegang tot de schaatsbaan te ontzeggen. Dat gaat te zeer in tegen een bondsstructuur. De rechter oordeelt echter niet inhoudelijk over het argument, omdat het argument niet was aangevoerd in de procedure voor de geschillencommissie. M.i. had de rechter, als de schaatsclub inderdaad onderdeel was de schaatsbond, onverminderd moeten toetsen aan artikel 2:8 BW, mogelijk met aanvulling van de rechtsgronden maar binnen de grenzen van het partijdebat.

" Voor het eerst op de comparitie in deze procedure heeft WKC aangevoerd dat het Gewest misbruik “lijkt” te maken van haar machtspositie. Dit argument is tijdens de behandeling van de geschillen die zijn uitgemond in de bindend adviezen (onbetwist) niet naar voren gebracht door WKC. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank WKC daarom niet volgen in haar betoog dat de geschillencommissie hier tweemaal ten onrechte aan voorbij is gegaan. Ook deze klacht wordt daarom tevergeefs voorgesteld."
Vonnis van 14 juni 2017

in de zaak van

de vereniging WESTFRIESCHE KUNSTRIJ CLUB,
tegen de vereniging
GEWEST NOORD-HOLLAND/UTRECHT VAN DE KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE SCHAATSENRIJDERS BOND,


Partijen zullen hierna WKC en het Gewest genoemd worden.

22 juni 2017

Uitleg reglement (Degradatie voetbalclub)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:4940

In deze zaak dient het hof te oordelen over de vraag, of de toepassing van een bepaling in een reglement van een vereniging door de vereniging, in stand kan blijven. Het hof overweegt:
" De (burgerlijke) overheidsrechter die de interne reglementering van een vereniging moet beoordelen, moet zich in beginsel beperken tot een marginale toetsing. Voor rechterlijk ingrijpen is slechts aanleiding als verenigingsbesluiten in redelijkheid niet hadden kunnen worden genomen. Dit is niet anders indien het gaat om de uitleg, die een orgaan van een vereniging geeft aan de interne verenigingsreglementen, zoals hier aan de orde. De door de Beroepscommissie gegeven uitleg van artikel 6 Licentiereglement kan die toets doorstaan. Weliswaar volgt de gegeven interpretatie niet dwingend uit de tekst van artikel 6 ook de door [appellant] gegeven uitleg daarvan is verdedigbaar maar naar het oordeel van het hof handelt de Beroepscommissie niet onredelijk door te volharden in haar uitleg. "


arrest in kort geding van 9 juni 2017


in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [appellant] ,

tegen: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Koninklijke Nederlandse Voetbalbond,
in eerste aanleg: gedaagde, hierna: KNVB,

2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 24 mei 2017 met grieven,
- de memorie van antwoord, tevens akte houdende bezwaar tegen eiswijziging/ eisvermeerdering met één productie,
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 6 juni 2017 door mr. M.P.M. Riep namens [appellant] zijn ingebracht.
2.2
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.
2.3
[appellant] vordert in het hoger beroep, na een wijziging van eis, het vonnis van 3 mei 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
a. a) het besluit van de Beroepscommissie dan wel van de KNVB van 5 mei 2017 op het tweede beroepschrift strekkende tot aftrek van drie wedstrijdpunten te schorsen dan wel de werking daarvan te ontzeggen, in ieder geval totdat bij in kracht van gewijsde gegaan of uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in een bodemprocedure in dat kader anders wordt beslist, dan wel KNVB en/of de Beroepscommissie van KNVB te verplichten de tenuitvoerlegging van de uitspraak Beroepscommissie op het tweede beroepschrift van 28 april 2017 (voorlopig) op te schorten, althans KNVB te verplichten om opnieuw een mondelinge behandeling van voornoemd beroepschrift te laten plaatsvinden, alsmede KNVB te verplichten met inachtneming van het Licentiereglement [appellant] opnieuw op te roepen voor de behandeling van voornoemd beroepschrift, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
b) KNVB te verplichten dan wel te gebieden om er voor zorg te dragen dat de wedstrijd tussen de clubs [appellant] en [voetbalclub 1] , welke heeft plaatsgevonden op 5 mei 2017, over te laten spelen/opnieuw te laten spelen, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
c) KNVB te verbieden om [appellant] uit de competitie van KNVB genaamd eerste divisie/Jupiler League te laten degraderen, althans KNVB te verplichten dan wel te gebieden om er voor zorg te dragen, eventueel als extra club, dat [appellant] kan deelnemen aan de competitie genaamd eerste divisie/Jupiler League in het komende voetbalseizoen, het voetbalseizoen 2017/2018, en [appellant] daartoe toe te laten, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
d) KNVB te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan KNVB heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;
e) KNVB te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het geval voldoening van (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

7 juni 2017

Royement: afwegen van staat van dienst lid

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 mei 2017ECLI:NL:GHSHE:2017:2298

Naar aanleiding van een "incident" (woordenwisselingen) tussen twee leden en een trainer bij een judovereniging, worden de twee geroyeerd (ontzet uit het lidmaatschap). Het royement houdt in hoger beroep geen stand. De vereniging heeft namelijk niet voldoende de belangen van het lid afgewogen.  Met name heeft de vereniging niet overwogen dat royement oneervol is vol het lid. Evenmin heeft de vereniging de staat van dienst van de leden overwogen, zoals het feit dat een van de twee leden erelid van de vereniging is.


" Volgens [de twee leden] is [bij het royement] geen acht geslagen op de onberispelijke staat van dienst van [de leden] gedurende een periode van vele tientallen jaren, het feit dat [lid 2] erelid van de vereniging is en dat hij is onderscheiden door de judobond voor zijn verdiensten ten behoeve van de vereniging en de judosport"

"De vereniging heeft niet betwist dat bij het nemen van de besluiten geen acht is geslagen op de verdiensten van [de twee leden] voor de vereniging en het oneervolle karakter van de ontzetting. []
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het bestuur en de [beroepscommissie] bij hun besluitvorming en hun besluiten geen rekening hebben gehouden met voormelde belangen aan de zijde van [de twee leden] , althans hebben het bestuur en de commissie daarmee niet voor [de ledenn] kenbaar rekening gehouden. Het hof is daarom van oordeel dat de vereniging jegens [de leden] in redelijkheid niet tot hun besluiten tot ontzetting hadden kunnen komen. " 

Overigens is opzegging  niet oneervol.

arrest van 30 mei 2017

in de zaak van 1 [appellant 1] , 2. [appellant 2] ,
[]
tegen Judovereniging [Judovereniging] ,

hierna aan te duiden als de vereniging,
[]
op het bij exploot van dagvaarding van 19 november 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 november 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen tussen [appellanten] als eisers en de vereniging als gedaagde.