26 maart 2017

Vereniging ongefundeerd beschuldigen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 maart 2017ECLI:NL:GHSHE:2017:1099

Het hof laat de opzegging van het lidmaatschap in stand. "Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van [het lid] ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe (). Kortom, [het lid] beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten [naar onder meer de FIOD en de landelijke bond], maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd."

Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. "

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van
[appellant] ,
tegen Watersportvereniging De Amer,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, handelsrecht van 10 juni 2015, gewezen tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde –De Amer- als gedaagde.

1Het geding in eerste aanleg (zaaknr.rolnr C/02/289975 / HA ZA 14-809)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 7 januari 2015 waarbij een verschijning van partijen is bevolen.

4De beoordeling

4.1.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Die feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het hof gaat daarnaast nog van enkele gestelde en niet bestreden feiten uit. Hierna volgt een opsomming van alle feiten.
a. De Amer is een watersportvereniging met ongeveer 200 leden. Zij huurt van Jachthaven [Jachthaven] een kade en een strook water met ligplaatsen voor boten in de Nieuwe Jachthaven in [vestigingsplaats] .
b. [appellant] is vanaf ongeveer 2002 tot en met 2013 lid geweest van De Amer.
c. De op 5 december 2012 gedateerde brief van [appellant] aan het bestuur van De Amer (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer in:
“(…)Ik [appellant] heb het ernstige vermoeden dat wij leden van (…) DE Amer, benadeeld worden door dit bestuur. (…)Ik verzoek u ivm afwezigheid deze brief te behandelen tijdens de algemene leden vergadering 15 December 2012.Gelet op de dictatuur binnen dit bestuur, kan deze zaak alleen maar besproken worden met de leden van de ere code commissie.Wordt dit door de dictatuur binnen het bestuur verhindert, zal ik stappen ondernemen, denkt aan bv de Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst – Economische Controledienst.Blijkt dat dit bestuur aftreed, zal ik u te aller tijden aansprakelijk houden.Ik verzoek u de volgende punten te willen behandelen:1e ivm de diefstallen?: de tekst op internet (…) over privacy en veiligheid, deze tekst is totaal zinloos, omdat de havenmeester (…) overdag (…) de poort open laat staan. (…)3e art 27 (…) waarom laat de penningmeester (…) zijn hond los lopen, dus artikel verwijderen of honden vast ook voor die penningmeester (…) ”De statuten:(…)Artikel 2:4 volgens mij wordt de haven gebruikt als verkoop haven en ons clubhuis als kantoor, Zijn de kosten voor stook - Electra al verhaald, Geef ik een feestje wordt het clubhuis ook vergoed; dit is opbrengst voor de vereniging. Ons clubhuis is geen makelaars kantoor, hoe denkt u dit te gaan verrekenen voor devereniging, Of wordt dit ook door de Penningmeester vriendschappelijk verrekend.(…)Op 11 November 2012 heb ik gesproken met Dhr [betrokkene 1] tijdens dit gesprek kwam naar voren dat u het voornemen heeft (…) havenmeester Dhr [havenmeester] te willen ontslaan, dit zal de nodige kosten met zich meebrengen, mag blijken dat dit alleen maar gebeurd uit rancune van het bestuur ten nadelen van (…) Dhr [havenmeester] , (…)”.

19 maart 2017

Opheffen zonder ontbinden is nietig

Rechtbank Midden-Nederland 22 februari 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1074

In deze zaak besluit een meerderheid van de leden van (in wezen) een woongroep in te stemmen met het voorstel van de verhuurder van het pand  om de verhuurovereenkomst te beëindigen tegen vervangende woonruimte. Het besluit wordt genomen met 3 stemmen voor en 2 tegen. De rechter oordeelt dat het besluit nietig is, omdat het neer komt op ontbinding van de vereniging. Daarvoor schrijven de statuten een twee/derde meerderheid voor.

De voorzieningenrechter: "Een besluit tot ontbinding van [de vereniging] moet blijkens artikel 22.1 van de statuten door de ALV met een meerderheid van tenminste twee/derde gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen worden genomen. Tussen partijen staat vast dat de ALV geen formeel besluit tot ontbinding van [de vereniging] heeft genomen. Nu het besluit van de ALV om in te stemmen met de (voortijdige) beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst dezelfde gevolgen heeft als een ontbindingsbesluit, dienen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor dit besluit dezelfde totstandkomingsvereisten te gelden als voor een ontbindingsbesluit. Er kon dus niet worden volstaan met besluitvorming door de ALV met meerderheid van stemmen, maar er had besluitvorming moeten plaatsvinden met een meerderheid van tenminste twee/derde gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen."


Vonnis in kort geding van 22 februari 2017
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2] ,

tegen 1. de vereniging [de vereniging] ,
2. [gedaagde sub 2],
3. [gedaagde sub 3],


Eisers zullen hierna [eiser sub 1] c.s. worden genoemd. Gedaagden sub 1, 2 en 3 zullen respectievelijk [de vereniging] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden genoemd en zullen gezamenlijk worden aangeduid als [de vereniging] c.s.

2De feiten
2.1.
[eiser sub 1] c.s. heeft bij notariële akte van 21 augustus 1986 een belangenvereniging opgericht ten behoeve van het […] “ [naam] ” , gelegen aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Dit betreft de [de vereniging] (hierna: [de vereniging] , in de stukken ook wel [de vereniging] genoemd). In de statuten van [de vereniging] is onder meer het volgende bepaald:

“artikel 4: het doel4. Het doel van [de vereniging] is:a. het ontwikkelen en steunen van sociaal-culturele activiteiten op en rondom het […] * [naam] * aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] , zoals de exploitatie van een of meer ateliers, een oefenruimte voor musici en muzikanten, een crèche of kleuterdagverblijf met dierweide, een timmerwerkplaats met museumfunctie; en het bieden van ruimte voor buurtactiviteiten;b. het bevorderen van de wederopbouw in haar oorspronkelijke staat van de […] op het […] en - in het algemeen - het vergroten van de monumentale en toeristische waarde van het […] ;c. het verschaffen van woon- en/of werkruimte aan die leden van [de vereniging] - met hun gezinnen - die zich met die exploitatie en/of met de leiding bij die activiteiten bezig houden;d. het beheren van gemeenschappelijke zaken, ruimten en voorzieningen ten behoeve van de leden;e. het behartigen van de belangen van de bewoners, gebruikers en exploitanten van het […] * [naam] * .artikel 5: de middelen om het doel te bereiken5. [de vereniging] probeert haar doel te bereiken:a. door het huren van het […] * [naam] * aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] ;b. door het instandhouden van het […] * [naam] * en van de daarop staande gebouwen;c. door het verrichten van alhetgeen de gezamenlijke verzorging van de woon- en/of werkruimten ten goede komt.”

2.2.
De grond van het […] is eigendom van de gemeente Utrecht. De opstallen op het […] zijn eigendom van de [bedrijfsnaam] N.V. (hierna: [bedrijfsnaam] , in de stukken ook wel [bedrijfsnaam] genoemd). [de vereniging] heeft met [bedrijfsnaam] een “HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” gesloten (hierna: de huurovereenkomst), op grond waarvan [de vereniging] van [bedrijfsnaam] de op het […] aanwezige bedrijfsruimten, plaatselijk bekend [adres] en [nummer] en [nummer] t/m [nummer] te [vestigingsplaats] huurt. De nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] zijn blijkens artikel 1.2 van de huurovereenkomst bestemd om te worden gebruikt als dienstwoningen ten behoeve van de leden van [de vereniging] . Nummer [nummer] is bestemd als kinderdagverblijf, nummer [nummer] als openbare speelplaats en dierweiden en nummer [nummer] als bergingen van de nummers [nummer] en [nummer] .
2.3.
In artikel 3.1 van de huurovereenkomst is bepaald dat deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 7 jaar en 9 maanden, ingaande op 1 januari 2011 en lopende tot en met 30 september 2018. Ingevolge artikel 3.2 wordt deze overeenkomst na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar. Op grond van artikel 3.3 vindt beëindiging van deze overeenkomst plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van ten minste 1 jaar.
2.4.
[bedrijfsnaam] heeft het beheer van het […] door middel van een beheerovereenkomst overgedragen aan [de vereniging] . Deze beheerovereenkomst is aangegaan voor de periode dat de tussen [bedrijfsnaam] en [de vereniging] bestaande huurovereenkomst voortduurt. Het aan [de vereniging] opgedragen beheer ziet - kort samengevat - op toezicht op en het gebruik van het […] , verhuur of het in gebruik geven van [straatnaam] [nummer] en [nummer] en [nummer] t/m [nummer] , en de exploitatie en het gebruik van de […] .
2.5.
De drie dienstwoningen worden op dit moment worden bewoond door:
- [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ( [adres] )
- [gedaagde sub 2] en [A] ( [adres] )
- [B] en [gedaagde sub 3] ( [adres] ).
Zij huren deze woningen van [de vereniging] op grond van een lidmaatschapsovereenkomst die tussen [de vereniging] en haar leden is gesloten.
2.6.
[eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [gedaagde sub 2] , [A] , [B] en [gedaagde sub 3] waren aanvankelijk allen leden van [de vereniging] en zij waren als bestuurder ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). [B] heeft bij e-mail van 20 februari 2014 aan de overige leden kenbaar gemaakt dat hij gelet op het functioneren van [de vereniging] geen lid meer wil zijn en dat hij zich heeft uitgeschreven bij de KvK. Blijkens een Bericht van Registratie, dat de KvK op 5 februari 2014 aan [de vereniging] heeft verstrekt, bekleedde [eiser sub 1] destijds de functie van voorzitter, [gedaagde sub 2] de functie van penningmeester en [gedaagde sub 3] de functie van secretaris. [eiser sub 1] heeft zich nadien uitgeschreven als voorzitter van [de vereniging] . Er is geen nieuwe voorzitter gekozen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] treden sindsdien intern en extern op als het bestuur van [de vereniging] .
2.7.
Bij brief van 13 januari 2016 heeft de heer [C] (hierna: [C] ), directeur van [bedrijfsnaam] , de bestuursleden van [de vereniging] meegedeeld dat hij de huurovereenkomst tegen 30 september 2018 opzegt en dat hij de bestuursleden in overweging geeft in te stemmen met een eerdere beëindiging. [C] heeft zich hierbij bereid verklaard om de onderhuurders van de drie woningen, na de beëindiging van de huurovereenkomst, onder bepaalde voorwaarden een huurovereenkomst met [bedrijfsnaam] aan te bieden.

13 maart 2017

Toetsing uitspraak intern beroep

Rb. Gelderland 6 maart 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:1134 


In deze zaak wil de vereniging van duivenhouders af van een uitzonderingspositie voor duivenhouders die niet op zondag willen vliegen. De vereniging is regionale vereniging, en is een afdeling van de landelijke vereniging, en heeft lokale verenigingen als leden. De postduivenhouders zijn lid van de lokale vereniging. De vereniging is van mening dat de uitzonderingspositie alleen de betreffende lokale verenigingen beschermt, niet de individuele duivenhouders. 
Een postduivenhouder tekent beroep aan bij de interne geschillencommissie, en hoger beroep bij de beroepscommissie. Daar krijgt hij gelijk, maar de regionale vereniging gaat toch door met het plan.

De rechter merkt de uitspraak van de beroepscommissie aan als een bindend advies ex artikel 7:900 BW, toets of de commissie in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen, en veroordeelt de regionale vereniging tot nakoming.
Vonnis in kort geding van 6 maart 2017
in de zaak van
[eiser] ,
tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid GELDERS-OVERIJSSELSE UNIE,
Partijen zullen hierna [eiser] en de GOU genoemd worden.

2De feiten

2.1.
De GOU is een duivenhoudersvereniging. Zij maakt als afdeling (8) deel uit van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (hierna ook: NPO). De GOU bestaat uit drie regio’s. De leden van de GOU zijn de bij haar aangesloten duivenhoudersverenigingen. De GOU organiseert (al dan niet met hulp van de NPO) onder meer wedvluchten met duiven en afdelingskampioenschappen.
2.2.
[eiser] is lid van postduivenvereniging “[postduivenvereniging]” te [woonplaats] en neemt samen met zijn zoon deel aan de door de GOU georganiseerde wedvluchten en het afdelingskampioenschap. Via “[postduivenvereniging]” is hij lid van de GOU en de NPO. “[postduivenvereniging]” wordt door een kiesman vertegenwoordigd bij de Algemene Leden Vergadering (ALV) van de GOU.
2.3.
[eiser] wil om geloofsredenen zich op zondag niet bezighouden met de duivensport in het algemeen en wedvluchten in het bijzonder. Hij brengt de zondag thuis door en gaat uitsluitend van huis om naar de kerk te gaan. Ongeveer 200 van de in totaal ongeveer 2200 leden van de bij de GOU aangesloten verenigingen wensen net als [eiser] de zondagsrust in acht te nemen. Deze groep wordt ook wel aangeduid als principiële zaterdagvliegers.
2.4.
Artikel 3 van de statuten van de GOU luidt:
“DOEL
Artikel 3
1. De Afdeling stelt zich overeenkomstig de Statuten N.P.O. artikel 3 lid 1 ten doel:
Het bevorderen en doen bevorderen van de postduivenliefhebberij en de wedstrijdsport
met postduiven in de ruimste zin van het woord.
2. De Afdeling tracht dit doel overeenkomstig de Statuten N.P.O. onder meer te bereiken
door:
a. het uitvaardigen van uniforme reglementen en voorschriften;
b. het eerbiedigen van ieders godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras
en geslacht.
(…)”
2.5.
Artikel 3A bepaalt:
“De Afdeling kent in de Regio’s 1 en 3 twee groepen principiëlen vallende onder artikel 3 lid 2 onder b.
1. Leden Basisverenigingen die de duiven op zaterdag thuis willen hebben op de vitesse
en midfondafstanden, dit geldt niet voor NPOvluchten, door middel van een wedvlucht
en indien dit niet mogelijk is willen zij dat de duiven op zaterdag teruggaan. Op zondag nemen zij niet deel aan wedvluchten;
2. Leden Basisverenigingen behorende tot de zaterdag- en zondagvliegers. Deze leden
willen op zaterdag een wedvlucht. Indien dit niet mogelijk is willen zij dat de wedvlucht
op een andere dag plaatsvindt. Zij zullen op zondag deelnemen aan wedvluchten.
De Afdeling verplicht zich dit principe van ieder van beide groepen te eerbiedigen. In het
Huishoudelijk reglement wordt dit nader uitgewerkt. (…)”

1 maart 2017

Irritant gedrag, maar geen grond voor royement

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 januari 2017


Een lid van een lokale politieke partij is geroyeerd. De rechter toets het royement inhoudelijk, namelijk door te toetsen of de aan het lid verweten gedragingen voldoende ernstig zijn om te kunnen stellen dat het lid de vereniging onredelijk benadeeld. De rechter beoordeeld opmerkingen van het lid als "ongepast" en "smakeloos". Dit is echter niet voldoende, omdat de vereniging niet duidelijk heeft gemaakt hoe ze door die gedragingen is benadeeld.


De feiten

2.1.
[eiser] was sinds oktober 2013 lid van LR. LR is een politieke partij die actief is in de gemeente Reimerswaal. [eiser] was actief voor LR als fractievolger en adviseur. De bestuurs- en fractievoorzitter van LR is [voorzitter] .
Zowel [eiser] als [voorzitter] was respectievelijk is daarnaast lid van de vereniging Partij voor Zeeland (hierna: PvZ). PvZ is een politieke partij die actief is in de provincie Zeeland.
LR en PvZ zijn formeel niet met elkaar verbonden.
[eiser] en [voorzitter] stonden begin 2015 beiden voor PvZ op de kieslijst voor de Waterschaps- en Statenverkiezingen van 2015. Degenen die deel gaan uitmaken van de fractie van PvZ in de Provinciale Staten, ontvangen daarvoor een vergoeding.
2.2.
Artikel 7 van de statuten van LR bepaalt, voor zover van belang:
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
2.3.
Op 22 januari 2015 heeft het bestuur van LR besloten [eiser] te royeren als lid van LR. Dit besluit is [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 meegedeeld.
2.4.
In dit e-mailbericht van 24 januari 2015 staat:
Het bestuur heeft kennis genomen van het e-mail verkeer tussen u en de PvZ. Wij hebben deze e-mails geanalyseerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen.
  • -
    Binnen Leefbaar Reimerswaal is fractievoorzitter [voorzitter] zeer gewaardeerd. Wij kunnen dan ook niet toe staan dat hij door u, richting de Partij voor Zeeland in naam word aangetast.
  • -
    De kritiek uwerzijds richting Leefbaar Reimerswaal dient binnen de partij opgelost te worden en niet via e-mail aan derden (PvZ bestuur).
  • -
    Onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden.
  • -
    U criminaliseerd personen in een reactie op de aan u aangeboden geldelijke vergoeding, het stond u vrij deze vergoeding en functie te weigeren, maar u beschuldigd personen van zelfverrijking.
  • -
    Door uw handelen heeft u Leefbaar Reimerswaal in diskrediet gebracht bij de PvZ.