30 januari 2015

Verplichtingen zonder basis in statuten (Aqua Horst)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:120

Recreatieparkzaak. Verplicht lidmaatschap en ledenverplichtingen van bewoners. De vereniging heeft de bewoners gesommeerd om een camper te verwijderen en dat op basis van het reglement van de vereniging een boete verschuldigd is. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat in de koopakte wel staat dat de bewoners lid worden, maar de bewoners zich niet daadwerkelijk schriftelijk bij het bestuur hebben aangemeld. Het hof ziet wel een mogelijkheid voor lid worden van een vereniging op grond van een derdenbeding in een koopakte en feitelijke gedragingen, maar kan dit uiteindelijk in het midden laten. Het tweede verweer, dat de verplichting om geen campers op het park te parkeren en de daaraan verbonden boete, geen grondslag vinden in de statuten van de Vereniging, treft namelijk doel.


arrest van de derde kamer van 13 januari 2015
in de zaak van
de vereniging Recreatiepark Aqua Horst, appellante, hierna: de Vereniging,
tegen: 1. [geïntimeerde sub 1] 2. [geïntimeerde sub 2], geïntimeerden, hierna: [geïntimeerden] [...]

28 januari 2015

Opzeggen lidmaatschap door vereniging onrechtmatig (NVT / IMG)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 januari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:228

Geen eenvoudig te lezen arrest, maar interessante overwegingen over art. 2:8 BW en de vervaltermijn van art. 2:15. Besluit is onaantastbaar omdat vervaltermijn is verstreken, maar wel onrechtmatig wegens strijd met art. 2:8 lid 1 BW, vereniging wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade.

 IMG is de vereniging en heeft lidmaatschap van NVT opgezegd met onmiddellijke ingang. Het betreft vermoedelijk een franchiseconstructie en een handelsconflict. Het bezwaar van NVT tegen de opzegging bij de ALV wordt verworpen. Na afloop van de vervaltermijn van art. 2:15 voor vernietiging van het besluit stelt NVT de huidige procedure in en vordert een verklaring voor recht dat de opzegging "ongeldig" is en onrechtmatig is en vordert schadevergoeding. Rechtbank wijst verklaring voor recht van ongeldigheid af, omdat dit een verkapte vernietiging zou zijn, waarvoor de vervaltermijn verlopen was. Hiertegen is geen grief gericht en dit staat niet verder ter discussie (3.1.3).
De rechtbank overwoog verder dat, nu NVT de nietigheid van het opzeggingsbesluit niet (tijdig?) had ingeroepen, van de rechtmatigheid ervan moest worden uitgegaan en dat voor toetsing daarvan op de voet van onrechtmatige daad geen plaats was. Een beroep op art. 2:8 kan weliswaar ook na verstrijken van de vervaltermijn worden gedaan, doch dan moet wel sprake zijn van bijkomende omstandigheden die maken dat "toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is". (3.1.4) Hiertegen wordt met succes gegriefd.
Het hof overweegt dat "bij de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel tot invoering van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW en de daarmee samenhangende invoering van art. 2:8 lid 2 BW" [geen nadere vindplaats] zou zijn overwogen geen bijzondere omstandigheden vereist zijn voor het buiten beschouwing laten van een besluit op grond van art. 2:8 lid 2 BW, jegens een bij een rechtspersoon betrokkene die niet tijdig een initiatief tot vernietiging heeft genomen, nu art 2:8 BW "zelf al vereisten stelt die een lichtvaardig beroep op die bepaling uitsluiten"
Het hof vervolgt met "De vraag òf NVT al dan niet voldoende omstandigheden heeft gesteld voor een terecht beroep op art. 2:8 lid 2 BW is echter in zoverre niet relevant dat NVT naar het oordeel van het hof met een beroep op het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW niet kan bewerkstelligen dat zij ondanks het niet vernietigd zijn van het besluit vergoeding van schade kan vorderen als ware sprake van een (ver)nietig(d)e opzegging. Met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW kan een bij de rechtspersoon betrokkene slechts bewerkstelligen dat een krachtens het besluit geldende regel ondanks de rechtskracht van het besluit jegens hem buiten toepassing wordt gelaten. [...] Het voorgaande laat onverlet dat een opzegging ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit daartoe in strijd met het bepaalde in art 2:8 lid 1 BW c.q. onrechtmatig kan zijn."

Het hof oordeelt dat het besluit tot opzegging in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW, onrechtmatig is, en veroordeelt de vereniging tot vergoeding van de daardoor door NVT geleden schade.

Mijn indruk is dat hiermee de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 de facto in ruime mate zijn effect van bescherming van de vereniging wordt ontnomen. Cassatie zou duidelijkheid kunnen bieden.

arrest van 27 januari 2015
in de zaak van
[NVT] B.V. , appellant, tegen
Internationale Meubel Groep Holding B.V. voorheen Internationale Meubel Groep,

21 januari 2015

Bestuurder stelt zich borg voor lening van vereniging

Gerechtshof Amsterdam 30 september 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4072 (gepubliceerd 21 januari 2015)


Bestuurders van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid verbinden zich als hoofdelijk medeaansprakelijk voor een lening die de vereniging aangaat. Vereniging gaat failliet. De schuldeiser spreekt de bestuurders aan tot nakoming. De rechter merkt de medeaansprakelijkheid aan als borgtocht, omdat de bestuurders elk gehuwd zijn en hun respectievelijke echtgenoten geen toestemming hebben gegeven (art. 1:88 BW), hoeven ze niet te betalen. 
Geen bijzondere aspecten van verenigingsrecht, wel kenmerkend voor de praktijk voor verenigingen.

Aanvulling 25 maart 2015
Kennelijk toch een opvallende uitspraak. Gepubliceerd in: OR-Updates.nl 2015-0043; JIN 2015/35 met annotatie door R.A. Wolf ; en NJF 2015/145. De volgende overweging van de rechter lijkt te zijn opgevallen:

Het verweer van [geïntimeerde], dat artikel 2:30 BW in de weg staat aan de toepasselijkheid van artikel 1:88 lid 1 sub c BW, wordt verworpen. Artikel 2:30 BW, dat onder meer bepaalt dat bestuurders van een vereniging hoofdelijk naast de vereniging zijn verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur opeisbaar worden, ziet op bestuurders van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. V.V. Young Boys is, zoals [geïntimeerde] ook zelf stelt, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Daarop is artikel 2:30 BW niet van toepassing. Uit artikel 2:29 lid 2 BW volgt dat bestuurders van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid als V.V. Young Boys na de inschrijving en nederlegging van de statuten in het handelsregister niet hoofdelijk naast de vereniging aansprakelijk zijn voor schulden van de vereniging. Gesteld noch gebleken is dat inschrijving en nederlegging niet heeft plaatsgehad.


Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 september 2014
inzake
1 [appellant sub 1], 2. [appellant sub 2], appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde], geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

1Het geding in hoger beroep