20 augustus 2014

Afsplitsing afdeling (Kruisvereniging)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:2777

Grotendeels onsuccesvol hoger beroep van Rb. ZWB 8 januari 2014. Kan een vereniging die afdeling is van een overkoepelende afdeling, maar geen lid, het afdelingsverband beëindigen?
Constructie waarbij verenigingen afdeling zijn van een overkoepelende vereniging, maar alleen natuurlijke personen lid zijn van (steeds allebei) de verenigingen. Afdeling scheidt zich af. Dat kan, oordeelt het hof, onder verwijzing naar HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854 (De Ronde Venen/SNU) over de opzegging van duurovereenkomsten. Het hof overweegt in r.o. 6.2.1, naar mijn mening tamelijk apodictisch:

"In conventie gaat het om de vraag of [de afdeling] de samenwerking met [de federatie] en haar positie als afdeling [] kan beëindigen. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. De omstandigheid dat de plaatselijke kruisverenigingen indertijd [de federatie] hebben opgericht, tot de statutenwijziging van 30 januari 1992 lid waren van [de federatie] en daarna als afdelingen [] zijn gaan functioneren, brengt wel mee dat [de afdeling] zich bij haar handelen mede moet laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van [de federatie] en van de leden die zij namens [de federatie] heeft aangenomen en die daarmee lid werden van zowel [de federatie] als [de afdeling]. De verstrekkende consequentie die [de federatie] daaraan wil verbinden, te weten dat [de afdeling] nimmer buiten [de federatie] om haar status als afdeling zou kunnen beëindigen, kan daaraan echter niet worden verbonden. Dit geldt temeer nu iedere overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarin omtrent een opzegging in de wet, statuten of overeenkomst niets is bepaald, in beginsel opzegbaar is (vgl. HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854)."

In zijn arrest van 28 oktober 2011 stelde de HR voorop dat: "Indien, zoals hier, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat" (cursivering toegevoegd). Het hof lijkt in zijn arrest de vraag te vermijden of in dit geval een voldoende zwaarwegende grond vereist was (niet onwaarschijnlijk) en zo ja, of die aanwezig was, gelet op alle omstandigheden van het geval. Door de vraag voorop te stellen of een afdeling nimmer uit een afdelingsverband te treden, hoeft niet in te worden gegaan op wat de kern van de zaak lijkt te zijn. Mogelijk gaf het partijdebat er geen aanknopingspunt voor.

De samenvatting op rechtspraak.nl is verwarrend: "Kan vereniging/ rechtspersoon die afdeling is van andere vereniging/rechtspersoon relatie met de overkoepelende vereniging beëindigen?": Een vereniging is altijd een rechtspersoon. Niet elke afdeling is een vereniging, of een andere rechtspersoon, afdelingen zonder rechtspersoonlijkheid bestaan inderdaad.
arrest van 12 augustus 2014
in de zaak van
de vereniging De Kruisvereniging West-Brabant, voorheen genaamd Regionale Kruisvereniging West-Brabant ,
appellante, tegen de vereniging Kruiswerk voor U, gemeente [vestigingsplaats 2], geïntimeerde,

15 augustus 2014

Randvermelding "Vereniging zonder rechtspersoonlijkheid"

Rechtbank Noord-Nederland 5 augustus 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:3830


Randvermelding. Betreft vaststellingsovereenkomst over meebetalen door groepslid aan schadevergoeding voor in groepsverband door een groep van ondernemers gepleegde onrechtmatige daad. Opvallend is echter dat wordt vermeld dat de eisende partijen (de overige groepsleden) zouden zijn "verenigd in de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid [naam]". Dat kan natuurlijk niet. Niet elke groep is een vereniging, maar elke vereniging is een rechtspersoon, zo stelt art. 2:26 lid 1 BW voorop.
Zie ook mijn
artikel over informele verenigingen: verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid zijn al weer tijden geleden, en doelbewust, afgeschaft. Daarvoor in de plaats is de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid gekomen (namelijk een vereniging zonder notariële statuten, maar met rechtspersoonlijkheid). 


De vermelding lijkt ook niet nodig in deze zaak, nu (correct) de individuele andere leden van de groep als eisers op treden. Echter, het lijkt van belang te zijn of de eisende partij een vereniging is, in verband met de vraag of de eiser BTW-plichtig is. Mogelijk wordt er in het belastingrecht een ander begrip "vereniging" gehanteerd. Wat betreft civiel recht, kan niet relevant zijn of de vereniging BTW plichtig is, nu de (individuele) eisers als eisers optreden en gedaagden dus aan hun moet betalen.

In het dictum wordt gedaagde veroordeeld om een som aan "[de eisende partij]" te betalen. Mij is niet direct duidelijk of gedaagd het gehele bedrag mag betalen aan één van de eisers naar keuze, of aan elk een gelijk deel. Tips zijn welkom. 

Vonnis d.d. 5 augustus 2014

inzake

[eisende partij]  1 t/m 11, 
allen verenigd in de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid [naam],
eisers, hierna gezamenlijk [de eisende partij] te noemen,
gemachtigde [], tegen[gedaagde partij], gedaagde, hierna [gedaagde partij] te noemen, gemachtigde [].

10 augustus 2014

Kantonrechtersarbitrage bij geschil met vereniging (Kaatsbond)


Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2014 (KNKB)
ECLI:NL:RBNNE:2014:3866

Bij een "klein" geschil tussen een lid en een vereniging kan "kantonrechtersarbitrage" op grond van art. 96 Rv een nuttige route zijn, als beide partijen er mee instemmen om het geschil via die route op te lossen. Het moet wel gaan om een zaak  "die slechts rechtsgevolgen betref[t] die ter vrije bepaling van partijen staan", dus bijv. vernietigbaarheid van een statutenwijziging zal er mogelijk niet onder vallen.

Een advocaat is niet verplicht, maar mag wel (in onderhavige zaak lijken beide partijen een advocaat te hebben ingeschakeld). Het griffierecht bedraagt op dit moment voor een natuurlijk persoon, E 77,00. Alleen de eiser/verzoeker hoeft griffierecht te betalen, de gedaagde/verweerder niet. Ook de procedure via de eKantonrechter lijkt mogelijk, dit is in principe een digitale online variant (aannemende dat geschillen in een vereniging onder de toegelaten onderwerpen vallen).

De kantonrechter beslist inhoudelijk (het is een bodemprocedure, geen kort geding), maar wel snel (in deze zaak was de zitting 29 juli, uitspraak 1 augustus; eKantonrechter geeft uitspraak binnen 8 weken). Het vonnis is bindend (en kan ten uitvoer worden gelegd) en er is in principe geen hoger beroep mogelijk. Kortom, als je als lid een geschil heb met de vereniging, en een gang naar de rechter lijkt nodig, dan kantonrechtersarbitrage een geschikte optie zijn, zolang de vereniging ten minste ook maar een snelle oplossing wil (en dus instemt met de snelle en laagdrempelige procedure). [Disclaimer: ik ben geen advocaat en weet niet genoeg van procesrecht om helemaal zeker te zijn m.b.t. het griffierecht en de beperkingen van art. 96 Rv.]

Verder vertrouwen op schijn van volmacht bij een landelijk bureau, en vertrouwen op dispensatie:
"De kantonrechter is verder van oordeel dat [D] terecht een beroep heeft gedaan op de dispensatie die is verleend in de brief van 23 april 2014. Het verzoek om dispensatie is conform de daarvoor geldende regels gedaan door de voorzitters van de beide betrokken afdelingen en gericht aan het Bondsbureau/bestuur. De reactie daarop van 23 april 2014 vanuit het Bondsbureau is gelet op de vorm en inhoud ervan zodanig dat de betrokkenen, de familie [D] en de beide afdelingen, redelijkerwijs mochten aannemen dat de dispensatie bevoegdelijk was verleend, ook al is de brief ondertekend door een medewerkster van het Bondsbureau. De tegenwerping van KNKB dat deze dispensatie onbevoegd en niet volgens de daarvoor intern geldende regels is verleend kan KNKB niet baten."

vonnis van de kantonrechter van 1 augustus 2014 in een procedure ex artikel 96 Rv

inzake1. [A] , 2. [B] , in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige[C] , verzoekers, gemachtigde: mr. [], tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE KAATSBONDgedaagde, gemachtigde: mr. [] 

9 augustus 2014

Niet-leden met stemrecht (Tuchtklacht notaris)

Gerechtshof Amsterdam 5 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3095


Tuchtklacht van een lid tegen een notaris i.v.m. met statutenwijziging van de vereniging. In de nieuwe statuten hebben aangeslotenen stemrecht in de ALV, wat klager in strijd met de wet acht. Het hof overweeegt dat "rechtspraak en literatuur geen eenduidig antwoord geven op de vraag of aan aangeslotenen bij een vereniging – al dan niet als “bijzondere” leden – stemrecht in de algemene vergadering kan worden gegeven zonder dat de aangeslotenen een orgaan zijn van die vereniging of deel uitmaken van zo een orgaan." Het is echter niet aan de tuchtrechter om hierover het laatste woord te spreken.

Als je het als lid niet eens bent met een statutenwijziging, dan is de procedure van een tuchtklacht tegen de notaris op het eerste gezicht aantrekkelijk: er is geen advocaat voor nodig (zo begrijp ik uit deze zaak), er lijkt geen griffierecht te zijn, en de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW van 1 jaar geldt niet (de termijn voor tuchtklachten is drie jaar, naar ik begrijp). Het nadeel is dat zelfs als je de tuchtprocedure wint, de vereniging niet aan de uitspraak gebonden is. Al met al lijkt het me dus alleen maar frustrerend. De kosten van een rechtszaak, met griffierecht en advocaat kunnen hoog lijken. Aan de andere kant, het griffierecht voor een zaak over statutenwijzigingen van een lid tegen een vereniging is E 282 (Griffierecht natuurlijke personen, civiel, zaken van onbepaalde waarde) en E 77,- voor "onvermogenden". De kosten voor je advocaat heb je in enige mate zelf in de hand. En als de vereniging ermee akkoord gaat, kan je ook kiezen voor de procedure voor de kantonrechter, zonder verplichte advocaat (art. 96 Rv.)

GERECHTSHOF AMSTERDAM
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 augustus 2014
inzake [het lid] tegen [de notaris]

7 augustus 2014

Vrijheid van vereniging en eisen aan niet-toelaten leden (WBV Tuinwijk-Noord)

Rechtbank Noord-Holland 21 maart 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:2551

Een persoon staat jaren als "kandidaat-lid" op de wachtlijst van een "kleine" woningbouwvereniging die alleen verhuurt aan leden. Tegen de tijd dat de kandidaat vrij hoog op de wachtlijst staat, wordt hij geschrapt van de kandidatenlijst zonder opgaaf van redenen. De vereniging beroept zich uitdrukkelijk op de grondwettelijke vrijheid van vereniging.
De rechter overweegt dat: "Uitgangspunt is de vrijheid van vereniging: het staat een vereniging in beginsel vrij om zelf te bepalen wie zij wel en niet tot haar vereniging toelaat. Onder omstandigheden kan het weigeren van het lidmaatschap echter in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve als een onrechtmatige daad jegens de benadeelde worden gekwalificeerd. De rechter kan het toelatingsbeleid slechts marginaal toetsen: alleen wanneer het belang van de betrokkene bij toelating veel groter is dan het belang van de vereniging bij haar weigering, kan de vereniging gehouden zijn de betrokkene alsnog als lid toe te laten." 
De vereniging wordt bij wijze van voorlopige voorziening bevolen om eiser op zijn oude plek op kandidatenlijst terug te plaatsen.

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake [A.], eiser, tegen
de vereniging WONINGBOUWVERENIGING TUINWIJK-NOORD, gedaagde,
hierna te noemen Tuinwijk-Noord