28 mei 2014

Uiten verdenking fraude op ALV rechtmatig (NLC '03)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 mei 2014
ECLI:NL:GHSHE:2013:6074 (tussenarrest) en ECLI:NL:GHSHE:2014:1277 (eindarrest)
Rechtbank: ECLI:NL:RBSHE:2012:862 (incident)  ECLI:NL:RBSHE:2011:12892 (eindvonnis)

Frauderende penningmeester. De oud-penningmeester stelt dat de vereniging onrechtmatig haar eer en goede naam heeft aangetast door het uiten van de verdenking van verduistering de eer in de ALV en op de website (afgewezen, nu verplichting daartoe uit de statuten volgt). Oud-penningmeester stelt een (incidentele) vordering ex artikel 843a Rv. tot afgifte van de verklaring van de kascommissie in en van de boekhouding van haar voorganger (afgewezen). Geschil inzake vaststellingsovereenkomst tot terugbetaling van een bedrag van € 30.000,=  (geen natuurlijke verbintenis). Vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst o.g.v. bedreiging, immers had de vereniging aangekondigd dat zij voornemens was op de algemene ledenvergadering de bevindingen bekend te maken en het lid als penningmeester te schorsen (afgewezen).

Arrest van 17 december 2013
in de zaak van
1. [de vrouw], en 2. [de man], appellanten,
tegen de vereniging [NLC '03], geïntimeerde,

25 mei 2014

Geen sanctie op 2:35 lid 6 BW - Wet-Van Dam (Het Grootslag)

Rechtbank Noord-Holland 13-01-2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:1029

De kantonrechter oordeelt dat er geen sanctie staat op niet naleven van het nieuwe art. 2:35 lid 6 BW, ingevoerd met de Wet-Van Dam, welke bepaling voorschrijft dat verenigingen er voor zorgen dat leden de voor opzegging van het lidmaatschap noodzakelijke informatie eenvoudig kunnen raadplegen, in ieder geval door een opvallende vermelding op de hoofdpagina van haar website en op bladzijde 1, 2 of 3 van het ledenblad: "de wet verbindt geen sanctie aan schending van die verplichting".  

De kantonrechter legt ook uit hoe de opzegtermijn voor het lidmaatschap in het verenigingsrecht is geregeld, althans hoe de wettelijke regeling art. 2:36 BW moet worden toegepast:
"Volgens [de vereniging] geldt die opzegging [op 22 december 2011 ]pas voor het jaar 2013 [dus een jaar later, red.] omdat [gedaagde] de opzegtermijn van vier weken niet in acht heeft genomen. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 2:36 lid 1 BW opzegging van het lidmaatschap slechts kan geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. Dat de huidige statuten van [de vereniging] in dit kader iets anders bepalen, is niet gesteld en ook niet gebleken. Verder is niet in geschil dat het boekjaar van [de vereniging] loopt van 1 januari tot en met 31 december. Dit betekent dat de opzegging door [gedaagde] bij brief van 22 december 2011 niet tot gevolg heeft dat het lidmaatschap is geëindigd per 31 december 2011. Immers, rekening houdend met een opzeggingstermijn van vier weken, kan de opzegging niet eerder worden gedaan dan per een datum vier weken na 22 december 2011, dus per 19 januari 2012. Die laatste datum valt in het lopende boekjaar 2012, zodat de opzegging van [gedaagde] niet eerder effect kan hebben dan tegen het einde van dat boekjaar, dat wil zeggen per 31 december 2012. Uit artikel 2:36 lid 2 BW volgt dat de opzegging wel tot gevolg heeft dat het lidmaatschap in beginsel eindigt per 31 december 2012."

Vonnis in de zaak van:
de coöperatie Coöperatief Bungalowpark Het Grootslag U.A., eisende partij, verder ook te noemen: Het Grootslag
tegen [naam], wonende [adres], gedaagde partij, verder ook te noemen: [gedaagde]

18 mei 2014

Terzijde

"In dien tijd viel den jongen een boekje met de statuten van een vereeniging in handen. Ze interesseerden hem zóó dat hij niet ophield zijn vader er over te vragen. Hij nam het drukwerkje mee naar zijn kamer en voortaan was het zijn liefste bezigheid vereenigingen op te richten en de statuten er voor te verzinnen. Het bleven denkbeeldige vereenigingen natuurlijk want hij miste den omgang om zijn liefhebberij in praktijk te brengen. Hij stelde zich moeilijkheden voor, die een vereeniging konden bedreigen, verzon de zonderlingste obstakels en zocht den vorm om zulke wederwaardigheden te voorkomen."

bron: Jeanne van Schaik-Willing, Uitstel van executie. E.M. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1932

17 mei 2014

Lidmaatschap (De Paasberg)

Rechtbank Gelderland 7 mei 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:3112 

Tamelijk specifieke casus. Beleggingsadviseur "[zet] zijn beleggingsadviespraktijk [om] in een beleggersvereniging", klant vordert uitbetaling van de waarde van zijn portefeuille. Adviseur voert als verweer "dat [eisers] geen bezwaar gemaakt heeft tegen het onderbrengen van de beleggingsactiviteiten van [de adviseur] in [de vereniging] , daarom lid geworden is van die vereniging en derhalve gehouden is aan de binnen [de vereniging] geldende dan wel gemaakte afspraken", waaruit dan zou volgen dat het lid geen uitbetaling kan eisen. 

De rechter gaat alleen in op de vraag of de klant stilzwijgend lid is geworden en geeft daarover een interessante overweging. Vooraf kan echter opgemerkt worden dat toch een essentiële schakel een contractovername lijkt te zijn (art. 6:159), en dat daarvoor lidmaatschap van de vereniging als overnemende partij voldoende noch vereist is. Daarnaast zou dan een wijziging van de overeenkomst gesteld moeten worden, in die zin dat uitbetaling van de portefeuilles niet langer opeisbaar is. De beleggingsadviseur stelt kennelijk dat dit zou volgen uit het lidmaatschap. Men kan zich afvragen in hoeverre art. 2:59 inzake de bescherming tegen wijziging van de overeenkomsten met leden bij een coöperatie van toepassing zou zijn, maar de rechter komt hier niet aan toe. 

De vraag is dus wat de rechtsgevolgen zijn van het niet reageren door de klant op een email die bevatte: "Uw portefeuille wordt binnen deze vereniging ondergebracht en beheerd, waarbij ‘de vereniging’ de werkzaamheden zal voortzetten. (...) Als u geen bezwaar heeft tegen de nieuwe opzet hoeft u niets te doen. Anders verzoeken wij u voor 16 april 2007 te reageren."

De cruciale overweging over het lidmaatschap luidt:
4.1 De kantonrechter zal eerst ingaan op de vraag of [eisers] lid is geworden van De Paasberg, welke vraag ter comparitie reeds besproken is. De lidmaatschapsverhouding tussen een bestaande verenigingen een toetredend lid ontstaat door een tweezijdige rechtshandeling, waarop de bepalingen van het overeenkomstenrecht moeten worden toegepast. Voor het toetreden als lid tot een vereniging is in beginsel een expliciete wilsuiting nodig. Kwalitatief lidmaatschap, dat wil zeggen een lidmaatschap dat van rechtswege verbonden is aan het hebben van een bepaalde hoedanigheid, bestaat nadrukkelijk niet voor de gewone vereniging. Dit betekent dat altijd, en dus ook in dit geval, een toetredingshandeling nodig is, tenzij De Paasberg, althans [gedaagde sub 2], er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eisers] het lidmaatschap van de vereniging heeft aanvaard.
Wat betreft de formulering "waarop de bepalingen van het overeenkomstenrecht moeten worden toegepast" zal bedoeld zijn dat de bepalingen van titel 3.2 BW van overeenkomstige toepassing zijn (art. 3:59 BW), zie ook r.o. 4.4. Wat betreft de formulering "expliciete wilsuiting" zal bedoeld zijn een verklaring waardoor de op een rechtsgevolg gerichte wil zich heeft geopenbaard, art. 3:33 BW. Een dergelijke verklaring is vormvrij, art. 3:37 lid 1 BW en kan ook in een of meer gedragingen besloten kan liggen, waaronder een stilzwijgen (HR 23 april 1999, NJ 1999, 497 (Jut / Aegon)). De rechter lijkt in r.o. 4.3 te overwegen dat de voor het bestaan van de gestelde rechtshandeling vereiste wil niet aangetoond is. Derhalve beoordeelt de rechter of op de afwezigheid van die wil geen beroep gedaan kan worden op grond van gerechtvaardigd vertrouwen (3:35 jo. 3:59 BW). Echter, ook art. 3:35 BW vereist een verklaring of gedraging. In dit geval oordeelt de rechter dat geen beroep op art 3:35 kan worden gedaan, omdat hij het gestelde niet voldoende acht om aan te nemen "dat De Paasberg, althans [gedaagde sub 2], ervan uit mocht gaan dat [eisers] het lidmaatschap heeft aanvaard".
 Mij lijkt het stilzwijgend lid kunnen worden van een vereniging niet zo'n gelukkige constructie, hoewel de wet inderdaad lijkt toe te laten. 

Het vonnis is een tussenuitspraak, het is mij nog niet duidelijk of alleen de adviseur, of ook de vereniging (hoofdelijk) tot uitbetaling veroordeeld zullen worden. 

Al met al kan je de indruk krijgen dat het geld al een tijdje "op" was bij de adviseur en dat de vereniging wel eens een constructie zou kunnen zijn om aan persoonlijke aansprakelijkheid te ontkomen. In dat geval zou de casus pleiten voor het (tamelijk kritisch ontvangen) concept- Wetsvoorstel  bestuur en toezicht rechtspersonen.

De uitspraak valt verder op omdat de rechter mr. J.D.A. den Tonkelaar is, vermoedelijk een van de weinigen die zijn gepromoveerd op het Nederlandse verenigingsrecht ("Vrijheid en gebondenheid in het verenigingsrecht", diss. Leiden 1979). 

vonnis in de zaak van
1. [eiser sub 1] en 2. [eiser sub 2], eisende partijen,
tegen
1. de vereniging Beleggingsvereniging De Paasberg, 2. [gedaagde sub 2], gedaagde partijen