22-03-14

Hoor en wederhoor ziet juist op de bewijsmiddelen bij tuchtrechtspraak

Rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2013
ECLI:NL:RBMNE:2014:720

Vernietiging van uitspraak van tuchtcommissie van vereniging wegens niet in acht nemen hoor en wederhoor t.a.v. van de bewijsmiddelen en door geen rekening te houden met de verhinderdata van het lid voor de hoorzitting (2:15 lid 1 sub b).

Tuchtrechtelijke uitspraak wordt aangemerkt als besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW, niet als bindend advies. Procedure bij Ereraad (orgaan belast met tuchtrechtspraak) tegen eiser, eiser is berispt door de Ereraad. Eiser was verhinderd op de dag van de zitting en niet aanwezig, hiermee werd geen rekening gehouden door de Ereraad. "Maar wat hiervan zij: bedoeld of onbedoeld, het zonder goede reden niet rekening houden met de verhindering van [eiser] bij de agendering van de zitting draagt bij aan de strijdigheid van de uitspraak met artikel 2:15 lid 2 sub b BW."
De Ereraad heeft zijn oordeel gebaseerd op een getuigenverklaring ter zitting, waar eiser afwezig was, en heeft eiser geen gelegenheid geboden erop te reageren. "De Ereraad heeft dusdoende, met betrekking tot zowel de schriftelijke als de mondelinge getuigenverklaringen, het fundamentele procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor geschonden, hetgeen zijn uitspraak vernietigbaar maakt ... op voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (redelijkheid en billijkheid)."
"Het beginsel van hoor en wederhoor beperkt zich niet tot de standpunten die in het kader van een procedure door een (weder)partij naar voren worden gebracht, maar ziet – juist –  (nadruk toegevoegd, PdL) ook op de bewijsmiddelen die die (weder)partij daarvoor inbrengt, en het vereiste dat de overige partijen daarop als zodanig moeten kunnen reageren en hun proceshouding daarop nader kunnen bepalen."



Vonnis van 19 maart 2014
in de zaak van
[eiser] ,
tegen 1. de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE JAGERSVERENIGING ,
Partijen zullen hierna [eiser], de KNJV en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

2 De feiten
2.1. [eiser] en [gedaagde sub 2] zijn beide lid van de KNJV. Op 15 november 2011 zijn zij betrokken geraakt bij een jachtongeval. Het geweer van [eiser] ging onbedoeld af, waardoor [gedaagde sub 2] door hagel uit dat geweer in haar hoofd werd geraakt.
2.2. Bij brief van 19 februari 2012 heeft [gedaagde sub 2] zich bij de Ereraad van de KNJV over [eiser] beklaagd over diens, volgens haar, oncollegiale gedrag. [eiser] heeft zich schriftelijk tegen die klacht verweerd, en daarop heeft [gedaagde sub 2] schriftelijk gerepliceerd. De secretaris van de Ereraad heeft daarop aan [eiser] medegedeeld dat voor de inhoudelijke behandeling van de klacht een kamer zou worden samengesteld, dat voor de zitting een datum zou worden bepaald, en dat een eenmaal voor de zitting vastgestelde datum niet meer zou worden gewijzigd. [eiser] heeft daarop zijn verhinderdata aan de secretaris opgegeven. De secretaris heeft vervolgens medegedeeld dat de zitting zou plaatsvinden op 9 mei 2012, één van de dagen waarop [eiser] – conform diens eerdere opgave – verhinderd was. [eiser] heeft daarop wederom (schriftelijk) aan de secretaris medegedeeld dat hij op de voorgenomen zittingsdag verhinderd was wegens een zakelijke afspraak in de Verenigde Staten die hij onmogelijk kon verzetten, maar dat hij graag bij de zitting aanwezig wilde zijn, reden om te vragen of toch een andere datum kon worden voorgesteld. Op dit verzoek heeft de secretaris niet meer gereageerd.
2.3. Op 9 mei 2012 heeft de zitting plaatsgevonden. [eiser] was daarbij niet aanwezig. [gedaagde sub 2] was daarbij wel aanwezig, samen met haar getuige de heer [A], wiens komst zij op 7 mei 2011 had aangekondigd bij de Ereraad. Ter zitting heeft [gedaagde sub 2] schriftelijke verklaringen van de heer [B]en haar beide ouders aan de Ereraad overhandigd.
2.4. Dezelfde dag heeft de Ereraad uitspraak gedaan (hierna: de uitspraak van de Ereraad). Hij oordeelde de klacht gegrond en besloot tot berisping van [eiser]. De uitspraak vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
" 7. De mondelinge behandeling
[…] Klaagster [[gedaagde sub 2], toevoeging rechtbank] overhandigt, ter onderbouwing van haar standpunt dat verweerder [[eiser], toevoeging rechtbank] al zeer kort na het ongeval zich slechts richtte op zijn eigen belangen, een ondertekende verklaring van [B] die verklaart dat verweerder - toen hij van het ziekenhuis waar klaagster nog voor behandeling verbleef terugkwam - tegen over hem heeft gezegd " We zullen er een verhaal van moeten maken". [B] verklaarde te hebben geantwoord dat verweerder dat dan maar moest regelen met klaagster en de jachthouder.
Klaagster overhandigt ter zitting een ondertekende verklaring van haar beide ouders, waarin zij verklaren na het ongeval verweerder te hebben verboden met een geweer deel te nemen aan de nog geplande jachtdagen. Zij schrijven dat verweerder al op 22 november 2011 zonder geweer met zijn hond heeft deelgenomen aan de jacht. Op de ‘grote jachtdag’ (29 november) was hij afwezig en gaf hiervoor als reden op dat hij nog grote moeite had met het gebeuren. Enige tijd later kwam verweerder echter bij hen op de koffie en verzocht of hij misschien toch nog reewild mocht bejagen. Toen hem dat geweigerd werd vroeg hij een deel van zijn jachtbijdrage terug. Noch het ongeval, noch de medische toestand van hun dochter[gedaagde sub 2], toevoeging rechtbank] werd hierbij door verweerder ter sprake gebracht. Verweerder vroeg wat spulletjes terug en deze zijn hem afgegeven. Daarna zijn er geen contacten tussen de ouders van klaagster en verweerder meer geweest.
[A]- getuige van klaagster en als drijver aanwezig tijdens het jachtongeval - verklaart dat hij anders dan voorheen, na de gebeurtenis geen contact meer heeft gehad met verweerder. Ook heeft hij niet van combinanten/jachtgasten vernomen dat verweerder zich ten aanzien van mw [gedaagde sub 2] sterk verantwoordelijk voelde voor het gebeuren. Naar zijn beleving zijn de contacten tussen verweerder en zijn jachtvrienden te [woonplaats] geheel verbroken.
8 De ereraad neemt het volgende in overweging
[…] Alles in aanmerking genomen, mede hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht door klaagster en haar getuige en gelet op de ondersteunende verklaringen die zij heeft overgelegd, is de Ereraad van oordeel dat verweerder tenminste bij zijn slachtoffer de indruk heeft gewekt dat hij meer met de gevolgen van het jachtongeval voor zichzelf bezig was dan dat hij begaan was met de gevolgen van zijn handelen voor klaagster.
[…] De Ereraad - alle stukken en verklaringen overwegende - acht het gedrag van verweerder ernstig in strijd met de collegialiteit die de leden der KNJV onderling dienen te betrachten.”
3 Het geschil
3.1. In conventie vordert [eiser] vernietiging van de uitspraak van de Ereraad, met hoofdelijke veroordeling van de KNJV en [gedaagde sub 2] in de proceskosten. Hij legt aan deze vordering de stelling ten grondslag, kort gezegd, dat de uitspraak van de Ereraad zowel procedureel onzorgvuldig tot stand is gekomen, als inhoudelijk onjuist is.
3.2. De KNJV en [gedaagde sub 2] voeren verweer. [gedaagde sub 2] voert aan dat [eiser] ten aanzien van haar geen vordering heeft geformuleerd (anders dan tot veroordeling in de proceskosten) en dat voor de door hem beoogde vernietiging van de uitspraak van de Ereraad het ook niet nodig was om haar te dagvaarden. De KNJV en [gedaagde sub 2] voeren aan dat de rechtbank onbevoegd is om van de vordering van [eiser] kennis te nemen dan wel dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [eiser] heeft verzuimd om op basis van hetgeen hij in de onderhavige procedure aan zijn vordering ten grondslag legt, om herziening van de uitspraak van de Ereraad te vragen. De KNJV en [gedaagde sub 2] voeren verder aan dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering omdat de uitspraak van de Ereraad voor hem geen rechtsgevolg heeft of had, zodat hij ook om die reden in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De KNJV en [gedaagde sub 2] betogen tot slot dat marginale toetsing van de uitspraak van de Ereraad – tot meer is de rechtbank naar hun opvatting niet bevoegd –, zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft, niet tot vernietiging kan leiden.
3.3. In reconventie vordert [gedaagde sub 2] veroordeling van [eiser], bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tot betaling van € 6.400,38 aan [gedaagde sub 2], vermeerderd met rente.
3.4. Aan deze vordering legt [gedaagde sub 2] de stelling ten grondslag dat [eiser] een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd door de onderhavige procedure (in conventie) tegen haar aan te spannen. Het door haar gevorderde bedrag betreft gemaakte en nog te maken advocaatkosten.
3.5. [eiser] voert verweer. Naar zijn stelling kwalificeert de uitspraak van de Ereraad als bindend advies tussen hem en [gedaagde sub 2], en diende hij haar met zijn vordering tot vernietiging van dat bindend advies – op straffe van niet-ontvankelijkheid – in rechte te betrekken.
3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
in conventie
het niet volgen van een herzieningsprocedure
4.1. De statuten van de KNJV voorzien in de mogelijkheid dat de Ereraad zijn uitspraak op verzoek van degene tegen wie een maatregel is genomen ([eiser]) eenmaal herziet op grond van feiten en/of omstandigheden die bij de behandeling niet bekend waren althans niet zijn gebleken en ten aanzien waarvan het ernstig vermoeden bestaat dat zij tot een andere uitspraak zouden hebben geleid indien zij wel gebleken zouden zijn. Het feit dat [eiser] deze weg niet heeft gevolgd maakt de rechtbank niet onbevoegd (de KNJV en [gedaagde sub 2] onderbouwen hun andersluidend standpunt verder ook niet), noch [eiser] niet-ontvankelijk in diens vordering. De statuten schrijven de herzieningsprocedure niet als exclusieve rechtsgang voor in het geval dat degene tegen wie een maatregel is getroffen zich met die uitspraak niet kan verenigen. De gronden die volgens de statuten tot herziening kunnen leiden – kort gezegd: nova – zijn ook ten minste deels van andere aard dan de bezwaren die [eiser] in onderhavige procedure tegen de uitspraak van de Ereraad aanvoert (kort gezegd: schending van fundamentele beginselen van procesrecht).

het belang van [eiser]
4.2. De berisping van de Ereraad heeft naar zijn aard een diffamerend karakter en reeds om die reden heeft [eiser] voldoende belang bij zijn vordering tot vernietiging van de uitspraak die die berisping inhoudt.

de kwalificatie van de uitspraak van de Ereraad
4.3. De uitspraak van de Ereraad dient te worden aangemerkt als rechtspersonenrechtelijk besluit in de zin van artikel 2:14/15 van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet als bindend advies. Hierop wijst reeds dat de statuten van de KNJV een onderscheid maken tussen het door de Ereraad uitspraak doen op klachten enerzijds (zoals in de onderhavige zaak), en – kennelijk is bedoeld: daarvan is te onderscheiden – het geven van bindend advies anderzijds. Verder volgt de rechtbank op dit punt, in lijn hiermee, de visie van F.C Kollen in De vereniging in de praktijk , Deventer: Kluwer 2007, p. 212-214.

de vordering tegen [gedaagde sub 2]
4.4. Uit artikel 2:15 lid 3 sub a BW vloeit voort dat [eiser] met zijn vordering tot vernietiging van de uitspraak van de Ereraad kon volstaan met dagvaarding van de KNJV. Bij zijn vordering tegen [gedaagde sub 2] heeft hij daarom geen belang. Deze zal aldus worden afgewezen.

de procedure die leidde tot de uitspraak van de Ereraad
4.5. Een uitspraak van een tuchtrechtelijk college zoals de Ereraad van de KNJV is vernietigbaar indien bij de totstandkoming van de uitspraak fundamentele beginselen van procesrecht zijn geschonden en daardoor de beklaagde partij in haar verdediging is geschaad. Dit geldt ongeacht of de uitspraak zou worden aangemerkt als rechtspersonenrechtelijk besluit in de zin van artikel 2:14/15 BW dan wel als bindend advies. De omstandigheid dat [eiser] – blijkens het voorgaande: vergeefs – heeft bepleit dat de uitspraak van de Ereraad als bindend advies moet worden aangemerkt, staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de rechtbank binnen het kader van artikel 2:15 BW deze uitspraak vernietigt op basis van de door [eiser] aangevoerde grond dat bij de totstandkoming fundamentele beginselen van procesrecht zijn geschonden (artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.6. Blijkens de schriftelijke uitspraak (hiervoor, 2.4) heeft de Ereraad bij zijn gegrondbevinding van de klacht van [gedaagde sub 2] en zijn berisping van [eiser], de door [gedaagde sub 2] op de dag van de zitting aan de Ereraad overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen, alsmede de getuigenis van de door [gedaagde sub 2] ter zitting meegebrachte getuige, in aanmerking genomen, zonder [eiser] vóórdat de Ereraad uitspraak deed, in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. Wat betreft de schriftelijke getuigenverklaringen heeft de Ereraad hiermee klaarblijkelijk reeds gehandeld in strijd met artikel 10 lid 2 van het huishoudelijk reglement KNJV, dat voorschrijft dat geschilvoerende partijen door de Ereraad in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, en dienaangaande hun standpunt weer te geven c.q. toe te lichten. Wat betreft de getuigenis ter zitting geldt dat [gedaagde sub 2] de getuige weliswaar had aangekondigd aan de Ereraad, maar dat zij noch de Ereraad – zo staat tussen partijen als onweersproken vast – van die aankondiging mededeling heeft gedaan aan [eiser]. De Ereraad heeft dusdoende, met betrekking tot zowel de schriftelijke als de mondelinge getuigenverklaringen, het fundamentele procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor geschonden, hetgeen zijn uitspraak vernietigbaar maakt – kennelijk niet alleen op voet van artikel 2:15 lid 1 sub c BW j° artikel 10 lid 2 van het huishoudelijk reglement KNJV, wat evenwel niet is aangevoerd, maar ook – op voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (redelijkheid en billijkheid).

4.7. Hierbij komt nog dat de Ereraad bij zijn agendering van de mondelinge behandeling geen rekening heeft gehouden met de vooraf door [eiser] opgegeven verhinderdata, dat wil zeggen dat de zitting niet is geagendeerd op een datum waarop [eiser] niet verhinderd was. De KNJV heeft niet toegelicht waarom, laat staan om welke goede reden – gelet op de evidente belangen van [eiser], en ook diens uitdrukkelijke wens, om ter zitting aanwezig te zijn – de zitting niet op een voor [eiser] (en de overige betrokkenen) vrije datum is geagendeerd. Opmerkelijk genoeg vermeldt overigens de uitspraak niet, bij de beschrijving daarin van de gevolgde procedure, dat [eiser] zijn verhinderdata op voorhand had opgegeven. Daarentegen vermeldt de uitspraak wél dat [eiser] op zijn verzoek om uitstel (hiervoor, 2.2) is medegedeeld dat hieraan om agendatechnische redenen geen gevolg kon worden gegeven, terwijl in de onderhavige procedure tussen partijen als onweersproken vaststaat dat die mededeling niet aan [eiser] is gedaan. Dat doet de vraag zich opdringen of ten tijde van de uitspraak de Ereraad, althans al haar leden, wel op de hoogte was respectievelijk waren van de in werkelijkheid gevolgde procedure. Maar wat hiervan zij: bedoeld of onbedoeld, het zonder goede reden niet rekening houden met de verhindering van [eiser] bij de agendering van de zitting draagt bij aan de strijdigheid van de uitspraak met artikel 2:15 lid 2 sub b BW.

4.8. Aan het voorgaande doet niet af dat [eiser] zich in de schriftelijke procedure die voorafging aan de zitting al had uitgesproken over althans een deel van de onderwerpen die ook door de ter zitting over- en afgelegde getuigenverklaringen werden bestreken. Het beginsel van hoor en wederhoor beperkt zich niet tot de standpunten die in het kader van een procedure door een (weder)partij naar voren worden gebracht, maar ziet – juist – ook op de bewijsmiddelen die die (weder)partij daarvoor inbrengt, en het vereiste dat de overige partijen daarop als zodanig moeten kunnen reageren en hun proceshouding daarop nader kunnen bepalen.

4.9. Aan het voorgaande doet evenmin af dat [eiser] bij e-mail van 1 mei 2012 een schriftelijke verklaring van [C] over het jachtincident aan de secretaris van de KNJV had gezonden met daarbij het verzoek om deze, lopende een onderzoek door de Korpschef naar het jachtincident, niet aan [gedaagde sub 2] ter beschikking te stellen. Ontegenzeggelijk zou dit verzoek kunnen worden aangemerkt, en kon het ook aldus worden begrepen, als een uitnodiging aan de Ereraad om tegenover [gedaagde sub 2] het beginsel van hoor en wederhoor te schenden. Dit kon en kan evenwel niet rechtvaardigen dat de Ereraad, die aan het verzoek van [eiser] in zoverre geen gehoor heeft gegeven dat hij deze schriftelijke verklaring niet in aanmerking heeft genomen, vervolgens tegenover [eiser] zelf dat beginsel veronachtzaamde.

4.10. Het voorgaande betekent dat de uitspraak van de Ereraad zal worden vernietigd om redenen die liggen in de procedure van totstandkoming van die uitspraak. Aan de inhoudelijke bezwaren van [eiser] tegen de uitspraak behoeft daarom niet te worden toegekomen.

4.13. De conclusie van dupliek in conventie van [gedaagde sub 2] is door de rolrechter klaarblijkelijk – maar blijkens de conclusie zelf en het daarbij behorende rolbericht van mr. [advocaat]: abusievelijk – aangemerkt als (tevens) conclusie van repliek in reconventie. [eiser] heeft deze conclusie blijkens zijn conclusie van dupliek in reconventie ook niet aldus opgevat, maar dat betekent dat er voor hem ook geen aanleiding bestond om (in reconventie) te dupliceren. De rechtbank laat de conclusie van dupliek in reconventie daarom buiten beschouwing.
4.14. [eiser] heeft niet onrechtmatig tegenover [gedaagde sub 2] gehandeld door haar in de procedure in conventie te betrekken. Zijn standpunt dat de uitspraak van de Ereraad als bindend advies moet worden aangemerkt en dat hij daarom [gedaagde sub 2] in de procedure tot vernietiging daarvan moest betrekken (artikel 3:51 lid 2 j° 3:56 BW) om in zijn vordering te kunnen worden ontvangen, kan als bepleitbaar worden aangemerkt (vlg. onder meer de door [eiser] ter onderbouwing van zijn standpunt aangehaalde literatuur en rechtspraak). Dat de rechtbank hem hierin niet volgt, doet hieraan niet af. [gedaagde sub 2] wordt voor haar gelijk op dit punt genoegzaam gecompenseerd door de proceskostenveroordeling te harer gunste in conventie. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat een deel van de door [gedaagde sub 2] in reconventie gevorderde kosten klaarblijkelijk betrekking heeft op werkzaamheden van haar advocaat die zagen op – blijkens het voorgaande: vergeefse – bestrijding van de vernietigingsvordering van [eiser] in conventie ten gronde, waar zij in de context van de grondslag van haar vordering in reconventie had kunnen volstaan met bestrijding, in conventie, van slechtst de in conventie gevorderde proceskostenveroordeling te harer laste.
4.15.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1.
vernietigt de uitspraak van de Ereraad,
5.2.