09-02-14

Hoofdelijke externe aansprakelijkheid bestuursleden

Rechtbank Amsterdam 13 januari 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:282 

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders van de vereniging "Bewonersraad" jegens woningcorporatie inzake participatiebudget dat werd verstrekt op grond van een overeenkomst welke voorzag in een verantwoordingsplicht door de Bewonersraad. Hoofdelijke veroordeling van bestuurders tot verlenen inzage in boeken, met dwangsom. Tamelijk verstrekkende "doorbraak van aansprakelijkheid". In principe lijkt mij sprake van wanprestatie van de vereniging, met mogelijkheid van ontbinding van de overeenkomst en terugbetalingsverplichting voor de vereniging. De bestuursleden zijn echter geen partij bij de overeenkomst met de woningcorporatie. Van betalingsonmacht van de vereniging blijkt uit het vonnis niet, zodat van aansprakelijkheid o.g.v. de Beklamel-norm mij (vooralsnog) geen sprake lijkt. 

vonnis van de kantonrechter
I n z a k e de stichting Woningstichting Rochdale,
t e g e n
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Bijlmer Bewonersraad Rochdale,
2. [gedaagde]
3. [gedaagde 2]
4. [gedaagde 3]
gezamenlijk nader te noemen BBR c.s. en afzonderlijk BBR, [gedaagde 2], [gedaagde 3] of [gedaagde],


VERLOOP VAN DE PROCEDURE
·   
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
In conventie en (voorwaardelijke) reconventie
1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:
a.    BBR is de bewonersraad van voorheen Woningstichting Nieuw Amsterdam.
b.   Naar aanleiding van de overname van Nieuw Amsterdam door Rochdale is tussen Rochdale en BBR op 8 mei 2002 een Samenwerkingsovereenkomst gesloten.

Artikel 3 Erkenning en representativiteit bepaalt, voor zover van belang:
De vereniging Bijlmer Bewonersraad wordt door Rochdale/NA erkend als onderhandelingspartner voor wat betreft het beheer en beleid van Rochdale/NA daar waar het complexoverstijgende belangen betreft, op voorwaarde dat en zolang: ( ... )
b. De vereniging Bijlmer Bewonersraad aannemelijk maakt dat ten minste 80% van de leden (huurdersorganisaties op complexniveau) in het werkgebied van de vereniging Bijlmer Bewonersraad lid is. (. .. ).
c. iedere bewonersorganisatie die lid is van de bewonersraad, van de voorgenomen activiteiten en standpunten die de bewonersraad, namens haar leden in het overleg met Rochdale/NA, inneemt, op de hoogte wordt gehouden. 
d. alle leden tenminste eenmaal per jaar worden uitgenodigd voor een vergadering waarin de vereniging Bijlmer Bewonersraad verantwoording aflegt over het functioneren van het afgelopen jaar, en in samenspraak de plannen voor het volgend jaar vaststelt. (... ).
Artikel 8 regelt de financiële ondersteuning van BBR door Rochdale.
In artikel 9 Verantwoording door de vereniging Bijlmer Bewonersraad staat:
De Bijlmer Bewonersraad legt jaarlijks, voor 1 april, verantwoording af aan Rochdale/NW door middel van een jaarverslag met accountantsverklaring (...)
Artikel 21 Slotbepalingen bepaalt, voor zover van belang: ( . .. )
2. Deze samenwerkingsovereenkomst wordt door partijen vastgesteld is uitsluitend van kracht zolang woningstichting Nieuw Amsterdam blijft bestaan als afzonderlijk toegelaten instelling.
c. Met ingang van 1 januari 2004 is Rochdale gefuseerd met Woningstichting Patrimonium. Naar aanleiding hiervan is bij Rochdale een nieuwe bewonersraad opgericht: Bewonersraad Patroc. Deze heeft in 2008 haar naam veranderd in Bewonersraad Rochdale.
d. Na pogingen om BBR met Bewonersraad Rochdale te laten fuseren, heeft Rochdale vastgesteld dat een samengaan van beide bewonersraden niet is gerealiseerd. Bij brief van 7 oktober 2008 aan de besturen van beide raden heeft zij naar aanleiding daarvan onder meer geschreven: (. . .) Op grond van de statuten van Rochdale en de samenwerkingsovereenkomst met bewonersraad Rochdale erkennen wij Bewonersraad Rochdale als het enige bewonersvertegenwoordigend orgaan op het niveau van de corporatie. ( .. .) Wij nodigen het bestuur van de Bijlmer Bewonersraad uit met ons in overleg te treden over een herziening van de samenwerking. De oorspronkelijke overeenkomst is als gevolg van de fusie van Rochdale met Nieuw Amsterdam beëindigd. Wij stellen het echter op prijs de door de Bijlmer Bewonersraad opgebouwde expertise, ervaring en netwerken te behouden. De nieuwe overeenkomst zal voorzien in informatie- en adviesrecht voor de Bijlmer Bewonersraad in het kader van de vernieuwing van de Bijlmer.
e. Rochdale heeft hierbij toegezegd dat zij BBR nog om haar zienswijze zou vragen aangaande het beleid en nog voor de huisvesting en financiering van BBR zorg zou dragen. Rochdale heeft BBR in dat kader een jaarlijks budget voor bewonersparticipatie toegekend van € 70.000,00, conform de samenwerkingsovereenkomst uit 2002.
f. Bij brief van 19 mei 2011 heeft Rochdale aan het bestuur van BBR laten weten dat zij per 1 juli 2011 Bewonersraad Rochdale als enige overkoepelende huurdersorganisatie op corporatieniveau erkent. Rochdale is bereid met BBR een nieuwe samenwerkingsovereenkomst aan te gaan waarbij BBR de gezamenlijke belangen van haar leden, te weten bewonerscommissies uit de Bijlmermeer, behartigt, primair betreffende de vernieuwing Bijlmermeer. Rochdale laat weten dat zij de financieringsrelatie wil herzien en dat de huurovereenkomst voor de huisvesting per 1 september 2011 wordt beëindigd. Bij brief van 6 oktober 2011 heeft Rochdale de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 december 2011 en de ontruiming aangezegd.
g. Bij brief van 6 juli 2010 heeft Rochdale BBR verzocht om een afrekening over de besteding van het budget over 2009 van in totaal € 69.208,54.
h. Naar aanleiding van de op 15 november 2010 door [gedaagde 2] ([functie] van BBR) toegestuurde jaarrekening en toelichting heeft Rochdale over een aantal posten toelichting gevaagd, waaronder de post "Advisering en Volkshuisvesting" van € 17.542,33.
i. Tijdens een gesprek hierover op 17 juni 2011, heeft BBR toegelicht dat laatstgenoemde post voornamelijk facturen betrof van de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2].
j. Bij e-mail van 21 juli 2011 aan [gedaagde 2] en bij brief van 4 oktober 2011 aan BBR, heeft Rochdale haar bedenkingen geuit over de firma [bedrijf 2]/[naam], vanwege discrepanties tussen bedrijfsgegevens die op de facturen staan en gegevens van de Kamer van Koophandel, en BBR verzocht om een bewijs van inschrijving bij de KvK van het bedrijf [bedrijf 2] adviesbureau gedurende de periode dat de opdrachten zijn uitgevoerd, het BTW -nummer van het bedrijf, een overzicht van alle opdrachten die door het bedrijf zijn uitgevoerd voor BBR en een bewijs van de geleverde prestaties.
k. Bij brief van 13 oktober 2011 heeft het bestuur van BBR hierop gereageerd.
l. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft Rochdale bericht dat deze verantwoording tekort schoot.
m. Op 23 november 2011 heeft BBR volgens eigen opgave zoveel mogelijk stukken toegestuurd gerelateerd aan [bedrijf 2]/[naam], waaronder een urenoverzicht verrichte werkzaamheden voor BBR over 2009 en 2010.
n. Bij brief van 27 december 2011 heeft Rochdale laten weten dat zij de door BBR verstrekte verantwoording onvoldoende vond en dat zij zich genoodzaakt zag aangifte te doen van verdenking van fraude en dat zij de onverantwoord uitgegeven budgetten zou gaan terugvorderen.
o. Op 12 januari 2012 heeft Rochdale aangifte gedaan.
p. Bij brief van haar gemachtigde van 24 januari 2012 heeft Rochdale het bestuur van BBR gesommeerd om inzage te geven in de aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam] betaalde bedragen en € 13.716,48 aan Rochdale terug te betalen.
q. Bij vonnis in kort geding van 6 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter de vordering van Rochdale om de door haar aan BBR c.s. ter beschikking gestelde (kantoor)ruimte in een woning aan de [adres] te ontruimen, afgewezen.
r. Bij verzoekschrift van 22 mei 2012 heeft Rochdale verzocht BBR c.s. hoofdelijk te veroordelen om inzage te geven in de boeken en andere bescheiden en daarmee de in 2009 aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam] in 2009 betaalde bedragen inzichtelijk te maken, alsmede BBR c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rochdale te betalen € 13.716,48 althans het bedrag dat BBR c.s. volgens de boeken en andere bescheiden aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam] betaald hebben, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,00.
s. BBR c.s. hebben zich verzet tegen toewijzing van voormeld verzoek en bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzocht om Rochdale te veroordelen om BBR ook vanaf 1 juli 2011 te erkennen als huurdersorganisatie conform de WOHV en Rochdale te veroordelen tot vergoeding van de kosten die samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het vervullen van haar taken en het beschikbaar stellen van faciliteiten, waaronder het ter beschikking stellen van een ruimte van waaruit de vereniging haar werkzaamheden kan verrichten.
t. In deze verzoekschriftprocedure (kenmerk EA 12-252) heeft op 28 augustus 2012 een mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen. Vervolgens is de zaak aangehouden ten einde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een oplossing van hun geschillen te komen. Partijen hebben vervolgens de kantonrechter laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt.
u. Bij beschikking van 24 december 2012 heeft de kantonrechter zowel de verzoeken van Rochdale als de tegenverzoeken van BBR c.s. afgewezen, met de motivering dat deze buiten het bereik van (artikel 8 van) de WOHV vallen. In aanvulling daarop heeft de kantonrechter in enkele overwegingen ten overvloede zijn visie op de tussen partijen ontstane situatie gegeven.

Vordering
In conventie
2.
Rochdale vordert BBR c.s. hoofdelijk te veroordelen om:
a. binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in de boeken en andere bescheiden en de in 2009, 2010 en 2011 aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam](t) betaalde bedragen inzichtelijk te maken, op straffe van een dwangsom;
b. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen € 13.716,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012;
c. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de bedragen die BBR c.s. volgens de boeken en andere bescheiden in 2009 (naast het bedrag als genoemd onder 2.), 2010 en 2011 aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam](t) betaald hebben, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012;
d. € 904,00 aan Rochdale te voldoen wegen buitengerechtelijke incassokosten.
Voorts vordert Rochdale:
e. een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen terzake de kantoorruimte aan de [adres] is geëindigd, althans dat een datum zal worden vastgesteld waarop deze overeenkomst is of wordt ontbonden c.q. beëindigd;
f. om BBR c.s. te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de kantoorruimte aan de [adres] te ontruimen, of straffe van een dwangsom;
g. veroordeling van BBR c.s. tot betaling van de kosten voor de ontruiming voor het geval zij niet vrijwillig aan het gevorderde onder f. voldoen, met veroordeling van BBR c.s. in de kosten van de procedure.
3.
Rochdale heeft hiertoe gesteld – kort gezegd – dat BBR c.s. de door haar aan [bedrijf 2] adviesbureau betaalde bedragen niet kunnen verantwoorden. Het gaat in 2009 om € 13.716,48 van het totale bewonersparticipatiebudget 2009 van € 69.208,54. Over de jaren 2010 en 2011 zijn deze kosten voor Rochdale nog niet inzichtelijk, maar deze zullen volgens haar blijken uit de boeken en bescheiden van BBR. Rochdale heeft zich daarbij beroepen op artikel 9 van de (voorheen geldende) samenwerkingsovereenkomst tussen partijen. Ook volgt dit volgens Rochdale uit artikel 7 van de WOHV. Volgens haar kunnen de bedoelde bedragen niet worden verantwoord door middel van de reeds door BBR c.s. overgelegde facturen van [bedrijf 2] adviesbureau dan wel [naam](t). Rochdale stelt zich daarom op het standpunt dat delen van het door haar ter beschikking gestelde budget onrechtmatig zijn besteed. Rochdale heeft ter onderbouwing van haar stellingen alle stukken die ook in de eerdere procedures tussen partijen zijn overgelegd in het geding gebracht.
4.
Rochdale stelt dat de bestuursleden van BBR op grond van artikel 6:162 jo. 2:10 BW naast BBR hoofdelijk veroordeeld dienen te worden tot het geven van inzage in de boeken en het terugbetalen van de niet verantwoorde bedragen alsmede de wettelijke rente en gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Rochdale stelt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door de betrokken bestuurders, schending van de administratieplicht ex artikel 2:10 BW en een onwillige houding van de bestuursleden, die hen kan worden verweten.
5.
Ten aanzien van de door haar gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst terzake de (kantoor)ruimte aan de [adres] is geëindigd en de gevorderde ontruiming, voert Rochdale aan dat zij deze ruimte in het kader van de samenwerkingsovereenkomst indertijd ter beschikking heeft gesteld, maar dat daar thans geen aanleiding meer toe is. Weliswaar staat in de overeenkomst die partijen op 1 september 2001 hebben gesloten dat het gaat om een huurovereenkomst zelfstandige woonruimte, maar deze woorden zijn volgens haar misleidend. Het betreft volgens Rochdale in feite een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW. Rochdale heeft de kantoorruimte ter beschikking gesteld aan BBR c.s. uit hoofde van haar verplichting uit de voorheen tussen partijen geldende samenwerkingsovereenkomst om BBR (financieel) te ondersteunen, om te gebruiken als vergaderruimte en administratiekantoor. Deze verplichting geldt volgens haar niet meer, omdat de samenwerkingsovereenkomst in 2006 is beëindigd. Uit coulance heeft Rochdale toegezegd dat BBR de ruimte nog tijdelijk mocht gebruiken, maar vanaf mei 2011 heeft zij laten weten dat dit gebruik moest worden beëindigd.
6.
Indien mocht worden geoordeeld dat de overeenkomst ter zake de kantoorruimte niet rechtsgeldig is opgezegd en niet is beëindigd, voert Rochdale aan dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomst tussen partijen wordt voortgezet. Van Rochdale kan niet langer worden gevergd dat zij de overeenkomst met BBR continueert, nu BBR niet langer overlegpartner van Rochdale is.
Verweer
7.
BBR c.s. wijzen er in de eerste plaats op dat de kantonrechter in de verzoekschriftprocedure geen beslissing heeft gegeven omtrent de status van BBR als huurdersorganisatie in de zin van de WOHV. Volgens hen is dit laatste de hoofdvraag, waarop tot op heden niet is beslist. Volgens BBR c.s. zal de Huurcommissie Den Haag hierover een oordeel geven.
8.
BBR c.s. voeren voorts verweer, waarbij zij verwijzen naar hetgeen is aangevoerd in de in 2012 gevoerde verzoekschrift- en kort gedingprocedures en de daarbij in het geding gebrachte stukken. BBR c.s. stellen dat zij altijd inzage hebben gegeven in de financiële stukken en dat Rochdale altijd welkom was en is voor inzage in de administratie. Het probleem is volgens BBR c.s. dat Rochdale niet tevreden kan worden gesteld op dit punt. Nu al staat vast dat zij geen genoegen zal nemen met de wijze waarop BBR de betalingen aan Scott inzichtelijk kan maken. Alleen al daarom is een veroordeling op straffe van een dwangsom misplaatst.
9.
BBR c.s. wijzen erop dat zij bij het opstellen van de financiële stukken gebruik hebben gemaakt van de financiële expertise van medewerkers van Rochdale en dat in het verleden aan de formele eis in de samenwerkingsovereenkomst om een jaarverslag met accountantsverklaring in te leveren nooit uitvoering is gegeven. BBR c.s. herhalen het in de verzoekschriftprocedure gevoerde verweer dat hen niet verweten kan worden dat de inschrijving van (het bedrijf van) [naam] bij de Kamer van Koophandel of de registratie van haar BTW-nummer niet deugdelijk was. BBR c.s. bestrijden overigens dat [naam] een niet bestaand persoon zou zijn, zoals Rochdale suggereert. [naam] verblijft echter al enige tijd in het buitenland. BBR c.s. zijn niet bij machte om haar te dwingen naar Nederland te komen voor een gesprek met Rochdale. Wel kan [naam] vertegenwoordigd worden door haar advocaat.
10.
BBR c.s. stellen dat, zolang er geen bindende uitspraak is over de status van BBR als huurdersorganisatie, de vorderingen met betrekking tot de ontruiming van de kantoorruimte afgewezen moeten worden.
In voorwaardelijke reconventie
11.
Voor het geval de kantonrechter de vordering van Rochdale tot beëindiging van de overeenkomst en ontruiming van de ter beschikking gestelde ruimte [adres] inhoudelijk wil behandelen, verzoekt BBR c.s. de kantonrechter om de uitspraak van de Huurcommissie over de vraag of BBR een huurderorganisatie in de zin van de WOHV is af te wachten en als uitgangspunt te nemen bij de behandeling van de vordering tot beëindiging van de overeenkomst met betrekking tot [adres] en de daarmee samenhangende vordering tot ontruiming.


Beoordeling
In conventie
12.
Bij de beoordeling geldt tot uitgangspunt dat beide partijen onder overlegging van een groot aantal producties met verwijzing naar eerdere procedures een aantal stellingen hebben ingenomen en verweren hebben gevoerd, maar die in het onderhavige geding in hun conclusies niet erg duidelijk hebben toegelicht. Dat blijft voor rekening en risico van partijen. De kantonrechter rekent het niet tot zijn taak om in de grote aantallen producties steun te zoeken voor standpunten van partijen zonder dat partijen in de verschillende conclusies specifieke aanduidingen daarvoor hebben gegeven. Een enkele verwijzing naar andere tussen partijen gevoerde procedures, dan wel overgelegde stukken, is in dit verband onvoldoende.
13.
Bij de beoordeling heeft verder te gelden dat Rochdale gelden aan BBR ter beschikking heeft gesteld in het kader van de bewonersparticipatie en dat partijen in dat verband kennelijk ook de samenwerkingsovereenkomst hebben voortgezet zoals die in het verleden tussen partijen is gesloten. Onweersproken is immers gebleven dat Rochdale een participatiebudget aan BBR ter beschikking heeft gesteld op basis van die samenwerkingsovereenkomst (zie 1.5) In die overeenkomst is ook een verantwoordingsverplichting afgesproken. In dat kader was BBR gehouden jaarlijks verantwoording af te leggen van de door haar gedane bestedingen van het door Rochdale verstrekte budget. Daarbij hebben partijen afgesproken dat deze jaarlijkse verantwoording middels een accountantsverklaring diende te geschieden.
14.
Met betrekking tot de vordering van Rochdale tot inzage in de boeken en andere bescheiden geldt dat in de samenwerkingsovereenkomst noch in de WOHV een dergelijke vorm van verantwoording besloten ligt. In de WOHV is in artikel 7 lid 3 een verplichting tot verantwoording opgenomen over de besteding van de ter beschikking gestelde bedragen, maar is niet bepaald hoever deze verplichting reikt. Door Rochdale is in dit geding niet toegelicht waarom zij voor deze vorm, namelijk jaarlijkse verantwoording middels accountantsverklaring, heeft gekozen en zonder nadere toelichting valt ook niet goed te begrijpen waarom Rochdale zelf, niet bij uitstek een organisatie gericht op financiële verslaglegging, degene zou moeten zijn die die verantwoording thans verzorgt. Anderzijds neemt Rochdale in dit geding kennelijk genoegen met deze (mindere) vorm van verantwoording.
15.
Als in dit geding niet bestreden staat vast dat over de jaren 2009, 2010 en 2011 gelden aan BBR zijn toegekend en dat een verantwoording met accountantsverklaring niet heeft plaatsgevonden. De door BBR verstrekte jaarrekening en toelichting door [gedaagde 2] over 2009 bevat geen accountantsverklaring, terwijl gesteld noch gebleken is dat over 2010 en 2011 op enigerlei wijze door BBR financiële verantwoording is afgelegd over het aan haar verstrekte budget. Anders dan BBR kennelijk meent, ligt het niet op de weg van Rochdale om de stukken van BBR te controleren, maar dient BBR in beginsel zelf voor een adequate verantwoording zorg te dragen. Indien vervolgens over die verantwoording gerechtvaardigde vragen ontstaan, hoort BBR voor sluitende beantwoording te zorgen en kan zij zich niet verschuilen achter personen die in het buitenland verblijven. Dat Rochdale in het verleden genoegen heeft genomen met de door BBR ingeleverde stukken, leidt er nu niet toe dat zij nu niet om nadere verantwoording kan vragen, zoals BBR kennelijk meent.
16.
Met betrekking tot de besteding van het budget over 2009 geldt het volgende. Vastgesteld wordt dat BBR c.s., tegenover de (ernstige) verwijten van Rochdale dat het participatiebudget 2009 voor een bedrag van € 13.716,48 niet kan worden verantwoord, slechts herhalen dat zij te goeder trouw [naam] althans haar bedrijf [bedrijf 2] hebben ingehuurd, volgens hen zelfs nog op advies van een medewerker van Rochdale, in hun streven om de bewonersparticipatie te bevorderen. Dit laatste viel immers onder het takenpakket als huurdersorganisatie. Ook hebben BBR c.s. herhaald dat zij altijd hebben meegewerkt aan inzage in de boeken en dat Rochdale te allen tijde van harte welkom was om de administratie bij BBR c.s. te komen inzien. Het enige waar BBR c.s. niet aan kunnen voldoen, is [naam] dwingen om in persoon in Nederland te verschijnen, daar zij voor langere tijd in het buitenland verblijft. Met Rochdale wordt geoordeeld dat BBR c.s. thans niet meer met dit verweer kunnen volstaan. Gelet op het tijdsverloop – Rochdale vraagt al een aantal jaar om verantwoording van voormeld bedrag – had van BBR c.s. en dus de bestuursleden mogen worden verwacht dat zij alles op alles zouden zetten om met een onderbouwing van de gespendeerde bedragen te komen, met name nu de overgelegde bescheiden niet kloppen, zoals door BBR is erkend. Nu een middels accountantsverklaring goedgekeurde jaarrekening niet beschikbaar gesteld is, behoort daartoe dan minst genomen het volledig en zonder voorbehoud ter beschikking stellen van (een kopie van) de volledige administratie over 2009, zodat Rochdale deze kan inzien en zo nodig zelf een controle kan bewerkstelligen.
17.
Voor zover de vordering hierop ziet, is deze derhalve toewijsbaar op de hierna vermelde wijze, zowel jegens BBR c.s. als (hoofdelijk) jegens [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde], aangezien zij als bestuursleden degenen zijn die het in hun macht hebben om daadwerkelijk aan deze veroordeling te voldoen. Nu ook over 2010 een goedgekeurde jaarrekening ontbreekt en aangaande 2011 nog helemaal geen jaarrekening is ingeleverd, is er aanleiding ook de vordering die op deze jaren ziet toe te wijzen. Ook de in verband hiermee gevorderde dwangsom is toewijsbaar, zij het dat deze wordt gesteld op € 250,00 per dag en gemaximeerd als na te melden.
18.
Ook BBR c.s. geven toe dat een aantal zaken rondom [naam] en het bedrijf [bedrijf 2] advies dubieus overkomen. Het had op de weg van BBR c.s. gelegen om die indruk weg te (doen) nemen. Op zijn minst hadden BBR c.s. kunnen bewerkstelligen dat [naam], al dan niet bij monde van haar advocaat, een aanvullende schriftelijke verklaring had gegeven voor de administratieve gang van zaken en de door haar verrichte werkzaamheden, zodat het bezwaar dat zij in het buitenland zou zijn, daarmee zou zijn ondervangen. Ook het houden van een rogatoire commissie, waarbij [naam] in het buitenland een beëdigde verklaring had kunnen afleggen, had daartoe kunnen bijdragen.
19.
Nu BBR c.s. dit alles hebben nagelaten, kan het achterwege blijven van een verantwoording van de ter beschikking gestelde gelden hen worden aangerekend en is de stelling van Rochdale, dat er sprake is van onrechtmatige bestedingen, door BBR onvoldoende weerlegd. De vordering tot (terug)betaling van € 13.716,48 is derhalve toewijsbaar jegens BBR, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 en de buitengerechtelijke incassokosten.
20.
Bij de beantwoording van de vraag of ook de bestuursleden tot terugbetaling gehouden zijn, dient te worden beoordeeld of zij als bestuurders kennelijk onbehoorlijk de taken als bestuurder hebben vervuld. Zoals hiervoor onder 1.g is overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat door BBR gelden die door Rochdale aan BBR zijn toevertrouwd teneinde de bewonersparticipatie te optimaliseren onrechtmatig zijn besteed, hetgeen in beginsel een handelen oplevert dat geen redelijk denkend bestuurder zou doen. Door de bestuurders gezamenlijk noch individueel is in deze procedure in de conclusies afdoende toegelicht waarom in de gegeven omstandigheden hun handelen niet ernstig verwijtbaar is of is een uitleg gegeven van hun handelen. Dat leidt ertoe dat de bestuurders van BBR hoofdelijk aansprakelijk zijn.
21.
Voor veroordeling tot restitutie van al dan niet terecht uitgekeerde bedragen over 2010 en 2011 is op dit moment geen plaats, aangezien de vordering op dit punt niet gespecificeerd is en bij gebreke van een financiële verantwoording op dit moment niet te beoordelen is.
22.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan worden vastgesteld dat BBR op onrechtmatige wijze gelden heeft besteed die aan haar door Rochdale ter beschikking zijn gesteld. Dat betekent dat in redelijkheid van Rochdale niet gevergd kan worden dat zij de gebruiksovereenkomst met BBR voortzet, wat er ook zij van de andere door Rochdale aangevoerde gronden. In het licht van hetgeen hierboven is overwogen zal de vordering tot verklaring voor recht dat de tussen partijen ter zake de kantoorruimte [adres] bestaande overeenkomst kan worden beëindigd worden toegewezen, evenals de daaraan gerelateerde vordering tot ontruiming. De gevorderde ontruiming is derhalve eveneens toewijsbaar op de hierna te melden wijze. Ook de kosten voor een eventuele onvrijwillige ontruiming zullen worden toegewezen.
23.
BBR c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In (voorwaardelijke) reconventie
24.
In conventie is geoordeeld dat de overeenkomst tussen partijen ter zake [adres] te Amsterdam mag worden beëindigd, zodat is voldaan aan de voorwaarde voor de eis in reconventie. Aan het verzoek van BBR c.s. om de uitspraak van de door BBR c.s. ingeschakelde Huurcommissie af te wachten en deze tot uitgangspunt te nemen, zal echter niet worden voldaan. Immers, gelet op het oordeel in conventie dat het ervoor wordt gehouden dat sprake is van onrechtmatige besteding van gelden, zou een uitspraak van de Huurcommissie omtrent de status van BBR in deze voor de ontruiming geen verschil maken.
25.
De kosten van de procedure blijven voor BBR c.s. als de in het ongelijk gestelde partij.
BESLISSING
De kantonrechter:
In conventie:
veroordeelt BBR, [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis Rochdale inzage te geven in de boeken en andere bescheiden van de administratie van BBR en de in 2009, 2010 en 2011 aan [bedrijf 2] adviesbureau c.q. [naam](t) betaalde bedragen inzichtelijk te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij daarmee in gebreke blijven:
veroordeelt BBR, [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling aan Rochdale van:
- € 13.716,48 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 tot aan de voldoening;
- € 904,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen ter zake de kantoorruimte aan de [adres] is beëindigd;
veroordeelt BBR c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, de kantoorruimte aan de [adres] te ontruimen, met achterlating van de eigendommen van Rochdale, met afgifte van de sleutels, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt BBR, [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, indien niet vrijwillig aan de hiervoor onder IV gegeven veroordeling wordt voldaan en Rochdale de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder moet bewerkstelligen, in de kosten van de ontruiming conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;
veroordeelt BBR, [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de kosten van het geding tot op heden begroot op:
-griffierecht: € 896,00
-kosten dagvaarding: € 92,82
-salaris gemachtigde: € 600,00
--------------
Totaal: € 1.588,82
Inclusief eventueel verschuldigde BTW;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
In voorwaardelijke reconventie
wijst de vordering af;
veroordeelt BBR in de kosten van het geding aan de zijde van Rochdale gevallen, tot heden begroot op nihil