26-01-2014

Frauderende penningmeester

Rechtbank Alkmaar 11 juli 2012 (Ponyclub Bucephalus)
ECLI:NL:RBALK:2012:5563 (publicatie 24 januari 2014, anonimisering toegevoegd) 

Frauderende penningmeester. Tussenvonnis inzake bewijslast en bewijsopdracht. 
Voor afloop, zie dit bericht 

Vonnis van 11 juli 2012
in de zaak van
de vereniging LANDELIJKE RIJVERENIGING / PONYCLUB BUCEPHALUS,
eiseres, tegen
[Gedaagde]
Partijen zullen hierna ''de rijvereniging'' en ''[Gedaagde]'' genoemd worden.



2 De feiten
2.1
[De rijvereniging] is een paardensportvereniging. Het bestuur van de vereniging wordt gevormd door zeven leden, waaronder een voorzitter, een secretaris en een penningmeester.
2.2
[Gedaagde] is vanaf het najaar in 2009 tot het najaar in 2011 penningmeester geweest. Hij was uit dien hoofde belast met het beheer over de financiën van de rijvereniging, wat onder meer inhield het namens de vereniging ontvangen van betalingen dan wel het verrichten van betalingen.
2.3
De rijvereniging beschikt over de door [Gedaagde] opgestelde kasboeken 2009 en 2011.
2.4
[Gedaagde] heeft bij zijn vertrek in het najaar van 2011 een bedrag van € 9.720,00 in kas aan de rijvereniging overgedragen.
2.5
De rijvereniging heeft na het vertrek van [Gedaagde] aan de hand van bonnetjes voor een bedrag van € 10.020,= uitgaven gereconstrueerd.
Het geschil
3.1
De rijvereniging vordert – samengevat – veroordeling van [Gedaagde] tot betaling van € 40.221,40, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
[Gedaagde] voert verweer.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling
4.1
De rijvereniging heeft ter onderbouwing van haar vordering op [Gedaagde] het volgende gesteld. [Gedaagde] heeft in zijn hoedanigheid als penningmeester van de rijvereniging valsheid in geschrifte gepleegd door de handtekeningen van (ex)bestuurders te vervalsen teneinde een overeenkomst van kredietverlening ad € 35.000,= met de bank aan te gaan, en heeft daarnaast geld van de rijvereniging verduisterd door exorbitant veel pinopnames ten laste van de vereniging te verrichten zonder deze deugdelijk in een boekhouding te verantwoorden, door zichzelf opbrengsten uit de kantine en evenementen toe te eigenen, door geld van de rijvereniging aan zichzelf over te maken en door ten bate van zichzelf pintransacties van de bankrekening van de rijvereniging te verrichten. [Gedaagde] heeft de stellingen van de rijvereniging gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de stellingen en verweren van partijen achtereenvolgens bespreken.
4.2
De rijvereniging grondt haar vordering allereerst op onrechtmatige daad en verder op toerekenbare tekortkoming. Onder verwijzing naar wat de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 2 maart 2007 (LJN AZ3535) overweegt de rechtbank het volgende. Voor een vordering op grond van onrechtmatige daad jegens een bestuurder van een rechtspersoon is slechts ruimte indien er, onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die voor de bestuurder voortvloeit uit zijn benoeming, sprake is van een onrechtmatige daad, waarbij voor zover dit het geval mocht zijn, de aansprakelijkheid moet worden vastgesteld op basis van de in artikel 2:9 BW genoemde maatstaven. Zoals hiervoor is overwogen bestaat het aan [Gedaagde] te maken verwijt erin dat hij geld van de rijvereniging heeft verduisterd. Deze gedraging is los van de benoeming van [Gedaagde] als bestuurder als onrechtmatig te beschouwen. De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de stellingen van de rijvereniging leiden tot de slotsom dat sprake is van verduistering aan de zijde van [Gedaagde].
4.3
De rijvereniging grondt haar vordering op de periode dat [Gedaagde] penningmeester is geweest bij de rijvereniging. Partijen verschillen van mening over de vraag van wanneer tot wanneer die periode precies liep. De rijvereniging gaat uit van de periode oktober 2009 tot 15 september 2011, [Gedaagde] gaat uit van december 2009 tot 9 september 2011.
4.4
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de periode [Gedaagde] is begonnen op de datum dat hij formeel benoemd is geworden als penningmeester. Dat hij toen nog niet over administratie en bankpas beschikte, doet (wat daar ook van zij) niets af aan het feit dat hij vanaf dat moment reeds formeel geautoriseerd was om namens de rijvereniging als penningmeester op te treden. De rechtbank gaat er van uit dat de periode eindigt op de datum dat [Gedaagde] geschorst was en zijn bankpas en administratieve stukken bij de rijvereniging heeft ingeleverd, aangezien hij vanaf dat moment geen rechtshandelingen namens de rijvereniging meer kon en mocht verrichten. De rechtbank stelt de eerste datum vast, als gesteld door [Gedaagde] en niet betwist door de rijvereniging, op 27 november 2009. De rechtbank stelt de tweede datum vast, als gesteld door [Gedaagde] en niet betwist door de rijvereniging, op 9 september 2011. De vraag of [Gedaagde] in zijn hoedanigheid als penningmeester geld van de rijvereniging heeft verduisterd beperkt zich derhalve tot de periode van 27 november 2009 tot en met 9 september 2011.
4.5
Het beroep dat [Gedaagde] doet op decharge over 2009 en 2010 faalt. Decharge maakt een bestuurder uiteraard niet onvatbaar voor de gevolgen van een door hem jegens de rechtspersoon gepleegde onrechtmatige daad en geldt overigens ook niet zonder meer voor feiten en handelingen die niet uit de stukken blijken op basis waarvan de decharge is verleend.
4.6
[Gedaagde] heeft als primair verweer aangevoerd dat het rapport Wiedijk, dat de rijvereniging als productie 8 bij dagvaarding heeft overgelegd, niet moet worden betrokken bij de beoordeling dan wel dat er geen bewijswaarde aan kan worden toegekend, omdat het ten eerste niet is voorzien van de achterliggende gegevens en ten tweede omdat [Gedaagde] niet is gehoord bij de totstandkoming ervan. De rijvereniging heeft de stellingen van [Gedaagde] gemotiveerd betwist.
4.7
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de rijvereniging [Gedaagde] niet heeft betrokken bij het opstellen van het rapport Wiedijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat Wiedijk de status heeft van partijdeskundige, wiens rapport de status heeft van de stellingen van de rijvereniging, die door [Gedaagde] zijn te betwisten. De rechtbank zal het rapport Wiedijk als zodanig betrekken bij de beoordeling. De rechtbank zal de vraag of de achterliggende stukken van het rapport Wiedijk nodig zijn hieronder bespreken bij de afzonderlijke posten.
4.8
Het verweer van [Gedaagde] dat het bestuur van de rijvereniging onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld door de door [Gedaagde] bij zijn vertrek verzochte kascontrole te weigeren, faalt. Onderwerp van geschil zijn de gedragingen van [Gedaagde] jegens de rijvereniging, niet andersom. In dit verweer valt ook geen ''eigen schuld'' verweer te zien.
contante pinopnames
4.9
De rijvereniging heeft allereerst gesteld dat [Gedaagde] als penningmeester met de bankpas die hem door de vereniging ter beschikking was gesteld buitensporig veel pinopnames heeft verricht, tot een bedrag van € 40.701,= waarvan de besteding in het geheel niet is verantwoord over 2010 aangezien [Gedaagde] geen kasboek over dat jaar heeft achtergelaten, en onvolledig en/of onjuist is verantwoord over 2009 en 2011 omdat [Gedaagde] over die periodes weliswaar kasboeken heeft bijgehouden maar dat onvolledig dan wel onjuist heeft gedaan. De rechtbank begrijpt dat de rijvereniging met deze stelling bedoelt dat [Gedaagde] zich gelden van pinopnames, die aan de rijvereniging toebehoorden, heeft toegeëigend. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat hij met het geld van de pinopnames contante betalingen aan instructeurs en leveranciers heeft gedaan, en dat deze gang van zaken gebruikelijk was op de rijvereniging. De rijvereniging heeft hierna erkend dat instructeurs deels contant betaald worden maar tevens aangevoerd dat dit lang niet zoveel was als de bedragen die [Gedaagde] heeft gepind, en dat het merendeel van de betalingen aan instructeurs en leveranciers via de bank werd gedaan.
4.10
De rechtbank oordeelt als volgt. Met voorgaande stellingen en verweren is thans nog niet komen vast te staan dat [Gedaagde] zich door middel van contante pinopnames geld van de rijvereniging heeft toegeëigend. Daarvoor moet naar het oordeel van de rechtbank blijken dat er in de periode [Gedaagde] significant meer contante pinopnames hebben plaatsgevonden dan in de jaren daarvoor (waarbij de rechtbank als referentie neemt een periode van drie jaar) zonder dat voor die significante toename een toereikende verantwoording kan worden gevonden in betalingen aan instructeurs of leveranciers, bijvoorbeeld omdat, zoals [Gedaagde] stelt, deze in voorgaande jaren vaker via de bank werd betaald dan in de periode [Gedaagde].
4.11
De rechtbank zal de rijvereniging in de gelegenheid stellen deze significante toename aan te tonen en neemt aan dat de rijvereniging dit zal willen doen door middel van geschrift. De rechtbank stelt zich voor dat de rijvereniging dit doet door de hoeveelheid contante pinopnames (aantallen en bedragen per jaar) van de bankrekeningen van de rijvereniging die door de toenmalige penningmeester zijn verricht in de drie jaar vóór de periode [Gedaagde] (27/11/06–26/11/09) af te zetten tegen de hoeveelheid pinopnames die door de penningmeester zijn verricht in de periode [Gedaagde] (27/11/09–9/9/11), en dat ze een standpunt inneemt over de vraag of uit de vergelijking van die twee een significant verschil blijkt, waar dit op wijst en hoe dit zich verhoudt tot de hoeveelheid bankbetalingen dan wel niet verrichte betalingen aan instructeurs en leveranciers in die twee periodes. De rechtbank stelt zich voor dat de rijvereniging voorgaand standpunt nader onderbouwt door overlegging over beide perioden van alle bankafschriften van de bankrekening(en) waarvandaan werd gepind en waarvandaan de bankbetalingen aan instructeurs en leveranciers werden gedaan. [Gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.
4.12
De rechtbank merkt thans reeds het volgende op ten aanzien van de bewijslast voor een toereikende verantwoording van de pinopnames. De bewijslast voor de stelling dat ter zake van deze pinopnames sprake is van verduistering aan de zijde van [Gedaagde] ligt volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bij de rijvereniging. De rechtbank ziet in de volgende omstandigheden aanleiding om hierin enige nuance aan te brengen.
- Tussen partijen staat vast dat [Gedaagde] valsheid in geschrifte heeft gepleegd door de handtekeningen van twee (ex)bestuurders van de rijvereniging te vervalsen op een overeenkomst waarin [Gedaagde] bij de bank, zonder medeweten van zijn medebestuurders, ten laste van de rijvereniging een lening van € 35.000,= heeft willen aanvragen. Dat aan deze intenties van [Gedaagde] geen uitvoering is gegeven is, blijkens de stellingen van partijen, te danken aan de alertheid van de bank en niet aan inkeer bij [Gedaagde]. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat de valsheid in geschrifte niet ter zake doet omdat de rijvereniging haar vordering niet op de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan heeft gegrond. Dat moge zo zijn, maar deze daad geeft wel inzicht in de wijze waarop [Gedaagde] zijn functie van penningmeester heeft ingevuld.
- Partijen twisten over de vraag of [Gedaagde] het kasboek 2010 aan de rijvereniging heeft overhandigd. Tussen partijen staat vast dat [Gedaagde] het kasboek 2010 niet persoonlijk aan één van de bestuurders heeft overhandigd maar dat hij bij zijn vertrek heeft verwezen naar een locatie op de rijvereniging, waar hij het kasboek zou hebben achtergelaten. De rijvereniging stelt dat het kasboek 2010 niet op de door [Gedaagde] genoemde locatie is aangetroffen. [Gedaagde] heeft deze stelling onbetwist gelaten. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [Gedaagde] geen kasboek 2010 heeft achtergelaten bij de rijvereniging.
- [Gedaagde] heeft erkend dat hij het digitale exemplaar van het kasboek 2010, dat hij thuis op zijn computer had staan, heeft verwijderd nadat hij decharge had verkregen. De rechtbank stelt vast, als gesteld door de rijvereniging en niet betwist door [Gedaagde], dat bestuurders van de rijvereniging op dat moment jegens hem reeds zorgen hadden geuit over de manier waarop hij de financiën van de rijvereniging verantwoordde. De door [Gedaagde] gegeven verklaring dat het bestand moest verdwijnen omdat hij ruimte nodig had op zijn harde schijf, acht de rechtbank weinig geloofwaardig. [Gedaagde] had het bestand om die reden ook eenvoudig op een andere informatiedrager kunnen opslaan.
- [Gedaagde] erkent geld van de rijvereniging naar zichzelf te hebben overgemaakt zonder de rijvereniging hierover te hebben ingelicht. Naar eigen zeggen was dit ter verrekening van posten die hij voor de rijvereniging had voorgeschoten. Ook als deze verrekeningsgrond komt vast te staan, betekent het voorgaande dat [Gedaagde] zijn privé vermogen en dat van de rijvereniging door elkaar heeft laten lopen, zonder de rijvereniging hierover in te lichten.
Uit het voorgaande komt aan de zijde van [Gedaagde] een beeld naar voren van grove nalatigheid met betrekking tot zijn plichten en verantwoordelijkheden als penningmeester en voorts ernstige leugenachtigheid. Mede in acht genomen het feit dat [Gedaagde] in zijn hoedanigheid als penningmeester bij uitstek het volledige inzicht in de inkomsten en uitgaven van de rijvereniging had en dat het juist zijn taak was om een adequate financiële administratie te verzorgen, zal de rechtbank, indien komt vast te staan dat er in de periode [Gedaagde] sprake is geweest van een significante stijging van niet verantwoorde contante pinopnames die naar hem zijn te herleiden, voorshands als vaststaand aanvaarden dat [Gedaagde] zich het geld van deze opnames heeft toegeëigend. [Gedaagde] zal alsdan vervolgens in de gelegenheid gesteld worden tegenbewijs te leveren, door aan te tonen dat hij het geld van de contante pinopnames heeft besteed ten bate van de rijvereniging.
afdrachten kantine en evenementen
4.13
De rijvereniging heeft voorts gesteld dat uit evenementen en kantineactiviteiten een bedrag van € 9.640,= is gegenereerd, dat in contanten aan [Gedaagde] is overhandigd en dat hij niet heeft verantwoord in de kasboeken. De rijvereniging stelt in het verlengde dat [Gedaagde] zich deze gelden heeft toegeëigend. [Gedaagde] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.
4.14
De rechtbank oordeelt als volgt. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat de afdrachten uit de kantine en evenementen niet aan hem werden overhandigd, maar door de kantinebeheerder, mevrouw Blokker, direct op een bankrekening van de rijvereniging werden gestort. De rijvereniging heeft dit hierna erkend ten aanzien van de kantinegelden. De stelling van de rijvereniging dat [Gedaagde] zich deze kantinegelden heeft toegeëigend wordt daarom reeds nu als onvoldoende onderbouwd verworpen.
4.15
Partijen zijn het er over eens dat de evenementencommissie de kas van een evenement beheerde en dat deze kas na afloop van het evenement werd overgedragen aan [Gedaagde]. Uit de stellingen van partijen blijkt voorts dat beiden als uitgangspunt nemen dat het geld daarna door de penningmeester moest worden bewaard in de kas voor contante uitgaven waarvan de besteding in het kasboek moest worden verantwoord of op een van de bankrekeningen van de rijvereniging moest worden gestort.
4.16
De rechtbank oordeelt als volgt. Met voorgaande stellingen en verweren is thans nog niet komen vast te staan dat [Gedaagde] zich contante opbrengsten van de evenementen heeft toegeëigend. Daarvoor moet onder meer komen vast te staan dat concrete geldbedragen uit evenementen in de periode van 27 november 2009 tot en met 9 september 2011 aan [Gedaagde] zijn overgedragen, en dat deze daarna niet ten goede zijn gekomen aan de rijvereniging.
4.17
De rechtbank zal de rijvereniging in de gelegenheid stellen deze gegevens in het geding te brengen. [Gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld op de akte van de rijvereniging te reageren.
4.18
Op grond van hetgeen is overwogen onder 4.12 zal de rechtbank, indien komt vast te staan dat bedragen uit evenementen aan [Gedaagde] zijn overhandigd, voorshands als vaststaand aanvaarden dat [Gedaagde] zich deze contante bedragen heeft toegeëigend. [Gedaagde] zal daartegen tegenbewijs kunnen leveren, door aan te tonen dat het geld is besteed ten bate van de rijvereniging. [Gedaagde] kan daarbij gebruik maken van de onder 4.11 vermelde bankafschriften.
overboekingen naar CR Finance
4.19
Tussen partijen is niet in geschil dat [Gedaagde], zonder overleg met de rijvereniging, een bedrag van € 6.012,= heeft overgemaakt van een bankrekening van de rijvereniging naar een bankrekening ten name van CR Finance, waarvan [Gedaagde] rechthebbende is. [Gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij dit heeft gedaan ter verrekening van posten die hij uit zijn eigen privévermogen voor de rijvereniging had betaald. De rijvereniging heeft dit verweer gemotiveerd betwist.
4.20
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu [Gedaagde] geen rechtsgrond voor betaling gesteld heeft, acht de rechtbank de overmaking door [Gedaagde] van geld van de rijvereniging naar zichzelf onrechtmatig, tenzij komt vast te staan dat, zoals [Gedaagde] stelt, sprake is van een terechte verrekenpost. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt [Gedaagde] voor deze grondslag van verrekening de bewijslast.
4.21
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [Gedaagde], dient de rijvereniging (bij voorkeur onder verwijzing naar de onder 4.11 vermelde bankafschriften) schriftelijk nader te concretiseren op welke overboekingen de stelling van de rijvereniging precies betrekking heeft. De rechtbank zal de rijvereniging daartoe in de gelegenheid stellen. Daarna zal [Gedaagde] de gelegenheid krijgen om aan te geven op welke door hem betaalde rekeningen ten laste van de rijvereniging deze overboekingen zien. De rijvereniging zal daarna de gelegenheid krijgen om daar weer op te reageren.
pintransacties
4.22
De rijvereniging heeft gesteld dat [Gedaagde] voor een bedrag van € 561,= pintransacties heeft uitgevoerd ten laste van een bankrekening van de rijvereniging, terwijl niet is gebleken dat deze transacties ten bate van de rijvereniging waren. De rijvereniging stelt in het verlengde dat [Gedaagde] deze transacties ten bate van zichzelf heeft uitgevoerd. [Gedaagde] heeft erkend dat deze transacties ten bate van hemzelf waren en heeft aangevoerd dat ook deze transacties ter verrekening waren van posten die hij voor de rijvereniging uit zijn privévermogen had verricht. De rijvereniging heeft dit verweer gemotiveerd betwist.
4.23
Voor deze post geldt naar analogie hetzelfde als onder 4.20 en 4.21 is vermeld, zodat partijen zich ook hierover bij akte zullen kunnen uitlaten.
algemeen
4.24
De rechtbank hecht eraan ter zake van de akten thans reeds op te merken dat het aan partijen is om hun standpunt te formuleren en concreet te maken aan de hand van relevante producties, voorzien van een toelichting. Het is niet aan de rechtbank om een stapel producties die niet zijn voorzien van een nauwkeurige toelichting te onderzoeken op de eventuele relevantie daarvan. De rechtbank zal dat dus ook niet doen.
4.25
Tussen partijen is niet in geschil dat in het verlengde van hetgeen is vermeld onder 2.4 en 2.5 een bedrag van € 19.740,00 in mindering moet worden gebracht op het bedrag dat [Gedaagde] op grond van het hiervoor vermelde mogelijk verschuldigd zal zijn aan [de rijvereniging].
4.26
De rechtbank houdt, in afwachting van de akten van partijen, iedere beslissing aan.
De beslissing
De rechtbank
5.1
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 augustus 2012 voor een akte aan de zijde van de rijvereniging, waarin zij zich zal kunnen uitlaten overeenkomstig het vermelde onder 4.11 (contante pinopnames), 4.17 (afdrachten evenementen), 4.21 (overboekingen naar CR Finance) en 4.23 (pintransacties).
5.2
verwijst de zaak vervolgens naar de rol van woensdag 5 september 2012 voor antwoordakte aan de zijde van [Gedaagde].
5.3
verwijst de zaak vervolgens naar de rol van woensdag 3 oktober 2012 voor antwoordakte aan de zijde van de rijvereniging uitsluitend met betrekking tot het vermelde in de laatste zin van 4.21.
5.4
iedere beslissing wordt aangehouden.