01-10-13

Opzegging lastig lid (VVHG)

Rechtbank Noord-Holland 3 juli 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:5531

Samenvatting rechtspraak.nl "Geen vernietiging besluit tot opzegging lidmaatschap van vereniging voor lastig lid van de vereniging." (De term "lastig lid" komt niet in de uitspraak voor. Je vraagt je af wie de samenvattingen schrijft.)

De rechtbank stelt in dit kader het volgende voorop. Het lidmaatschap van een vereniging kan eindigen door opzegging en royement. Dat zijn twee verschillende maatregelen. Royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moeten worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden daarom door de rechter streng beoordeeld.
Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen. De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen.

Vonnis van 3 juli 2013
in de zaak van
[JMJ] [naam eiser] , tegen
de Vereniging Vrijwillige Hulpverlening Gedetineerden


1. De procedure




1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 september 2012;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 28 november 2012;
- het proces-verbaal van de comparitie van 18 maart 2013 met de daarin genoemde twee stukken.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald. De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingelast.

2De feiten

2.1
De VVHG (hierna: de vereniging) is een vereniging waarin (thans ruim 20 actieve) vrijwilligers zich belangeloos ten behoeve van gedetineerden inzetten. De werkzaamheden van de vrijwilligers bestaan onder meer uit het verlenen van geestelijke bijstand aan gedetineerden, het samenwerken met zusterinstellingen en het kritisch volgen van ontwikkelingen op het terrein van het eigen werkveld.
2.2
[naam eiser] is sinds het midden van de jaren negentig lid van de vereniging. Op 24 april 2008 is [naam eiser] aangesteld als bestuurder van de vereniging.
2.3
Als bestuurder zette [naam eiser] zich onder meer in voor het leiden van gespreksgroepen, de nazorg en het commissiewerk, en het vervoer van en geld pinnen voor gedetineerden.
2.4
Bij brief van 23 januari 2012 (productie 3 bij dagvaarding) bericht het bestuur van de vereniging aan [naam eiser] dat hij vanaf 30 januari 2012 niet langer namens de vereniging werkzaam mag zijn in penitentiaire inrichting Heerhugowaard / Alkmaar locatie de Schutterswei te Alkmaar. In de brief verwijt de vereniging [naam eiser] (kort samengevat) eigenzinnig en ongepast optreden en dat hij niet openstaat voor signalen ter correctie van zijn gedrag.
2.5
Bij brief van 30 januari 2012 (productie 6 bij dagvaarding) bericht het bestuur van de vereniging aan [naam eiser] dat (kort samengevat) de overige bestuurders niet langer met [naam eiser] willen samenwerken wegens gebrek aan vertrouwen.
2.6
Bij brief van 20 februari 2012 maakt [naam eiser] bezwaar tegen de inhoud van voormelde brieven. Hij betwist de gegrondheid van de klachten.
2.7
Bij brief van 14 maart 2012 zegt het bestuur van de vereniging het lidmaatschap van [naam eiser] op tegen 20 februari 2012. In deze brief verwijt het bestuur [naam eiser] opnieuw eigenzinnig optreden en niet openstaan voor signalen ter correctie van zijn gedrag. Het bestuur verwijt [naam eiser] voorts onheuse bejegening van bestuurders [persoon A], [persoon B] en [persoon C].
2.8
Op 18 april 2012 vindt een algemene ledenvergadering plaats. [naam eiser] is niet aanwezig op deze vergadering. De bestuurderstermijn van [naam eiser] verstrijkt op diezelfde dag. Hij wordt niet herkozen.

3Het geschil

3.1
[naam eiser] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1) ten aanzien van het lidmaatschap:
Primair:
a: de opzegging van het lidmaatschap van [naam eiser] door de vereniging vernietigt ex artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en [naam eiser] per omgaande in staat stelt zijn werkzaamheden als lid van de vereniging voort te zetten;
b: de vereniging verplicht om een afschrift van de agenda en het verslag van de algemene ledenvergadering gehouden op 18 april 2012 aan [naam eiser] te doen toekomen.

Subsidiair:
voor recht verklaart dat het lidmaatschap van [naam eiser] niet reeds is geëindigd en [naam eiser] per omgaande in staat stelt zijn werkzaamheden als lid van de vereniging voort te zetten.

2) ten aanzien van het bestuurderschap:
a: voor recht verklaart dat [naam eiser] ten onrechte niet in staat is gesteld zich verkiesbaar te stellen op het verstrijken van zijn bestuurstermijn en [naam eiser] in staat stelt zich verkiesbaar te stellen als bestuurder van de vereniging tijdens de eerstvolgende algemene ledenvergadering;
b: de vereniging verplicht om de notulen van bestuursvergaderingen, alsmede de correspondentie tussen de bestuursleden van de vereniging tussen 1 november 2001 en 18 april 2012 aan [naam eiser] te doen toekomen.

3) de vereniging veroordeelt om ten titel van dwangsom aan [naam eiser] te betalen € 1.000,= voor iedere dag dat de vereniging weigerachtig is aan het bevel uit het te dezen tegen haar te wijzen vonnis te voldoen.

4) de vereniging veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2
De vereniging voert verweer.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1
[naam eiser] heeft vorderingen ingesteld met betrekking tot zowel het lidmaatschap van de verenigingals het bestuurdersschap. De rechtbank zal allereerst de vorderingen met betrekking tot het lidmaatschap bespreken.
4.2
[naam eiser] heeft gevorderd dat de opzegging door de vereniging van zijn lidmaatschap wordt vernietigd. Hij heeft ter onderbouwing gesteld, kort samengevat, dat het besluit tot opzegging onzorgvuldig tot stand is gekomen aangezien het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, dat geen sprake is geweest van tijdige opzegging en dat geen sprake was van zwaarwegende redenen waaruit volgt dat van de vereniging redelijkerwijze niet meer kon worden gevergd het lidmaatschap van [naam eiser] te laten voortduren. De vereniging heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de stellingen en verweren van partijen hierna, voor zover relevant, bespreken.
hoor en wederhoor
4.3
[naam eiser] heeft gesteld dat het besluit tot opzegging onzorgvuldig is genomen wegens het ontbreken van hoor en wederhoor aangezien hij nooit in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren tegen de communicatie van de vereniging noch om het woord te voeren in de algemene ledenvergadering. De vereniging heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.
4.4
De rechtbank stelt in dit kader het volgende voorop. Het lidmaatschap van een vereniging kan eindigen door opzegging en royement. Dat zijn twee verschillende maatregelen. Royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moeten worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden daarom door de rechter streng beoordeeld.
Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen. De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen. Omdat beide partijen in hun processtukken en op de zitting uit zijn gegaan van opzegging en niet van royement, zal de rechtbank dat ook als uitgangspunt nemen.
4.5
Uit het hiervoor vooropgestelde volgt reeds dat het ontbreken van formeel hoor en wederhoor op zichzelf geen reden is voor vernietiging van een besluit tot opzegging. Uit de brieven over en weer van partijen (vermeld onder 2.4 tot en met 2.6) blijkt bovendien dat de vereniging [naam eiser] al eerder heeft aangesproken op zijn gedrag en dat [naam eiser] hierop heeft gereageerd. Voorts heeft [naam eiser] niet weersproken dat hij voorafgaand aan het besluit tot opzegging is aangesproken op het feit dat hij in strijd met de regels losse thee had meegenomen naar de gevangenis (conclusie van antwoord 7). Daarmee heeft de vereniging zich in de aanloop naar een besluit tot opzegging jegens [naam eiser] gedragen zoals het haar naar redelijkheid en billijkheid betaamt. De stelling van [naam eiser] dat het gebrek aan hoor en wederhoor grond geeft voor vernietiging faalt derhalve.
zwaarwegende redenen
4.6
[naam eiser] heeft voorts gesteld dat het besluit tot opzegging vernietigbaar is omdat de vereniginggeen zwaarwegende redenen heeft gehad waaruit volgt dat van de vereniging redelijkerwijze niet kan worden gevergd zijn lidmaatschap te laten voortduren. [naam eiser] heeft ter onderbouwing onder meer gesteld dat niet is gebleken van enig disfunctioneren in zijn rol als vrijwilliger, dat hetgeen devereniging daarover beweert onvoldoende is onderbouwd, dat er geen specifieke voorvallen ter sprake zijn gebracht die opzegging zouden rechtvaardigen en dat de klachten geuit door de verenigingongegrond zijn. De vereniging heeft deze stellingen van [naam eiser] gemotiveerd betwist.
4.7
De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals reeds overwogen toetst de rechtbank een dergelijk besluit inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen. Bij die beoordeling acht de rechtbank het volgende van belang.
4.8
De vereniging heeft aangevoerd dat het gedrag van [naam eiser] reden was voor de opzegging. Ter illustratie heeft de vereniging in de conclusie van antwoord de volgende gedragingen gesteld: [naam eiser] heeft in strijd met de regels van de vereniging niet meteen een door hem geconstateerde drugstransactie gemeld en losse thee ingevoerd terwijl dat verboden is in verband met het gevaar van de invoer van drugs. Ook heeft [naam eiser] bij herhaling kritiek geuit op andere leden en onkiese opmerkingen gemaakt jegens andere leden van de vereniging, waardoor een aantal van hen om die reden de vereniging zelfs heeft verlaten. Verder heeft [naam eiser] in het algemeen blijk gegeven van eigenzinnig en eigenmachtig optreden waarmee hij andere bestuurders en leden in de wielen rijdt.
4.9
[naam eiser] is ter zitting gevraagd om op deze verwijten te reageren. [naam eiser] heeft de verwijten van de vereniging met betrekking tot zijn gedragingen en uitingen jegens andere leden van de vereniging hierna slechts ten dele betwist. [naam eiser] heeft de stelling van de vereniging dat zij onder voorwaarden subsidie krijgt van Justitie en dat [naam eiser] in strijd met deze voorwaarden heeft gehandeld, in het geheel niet betwist. [naam eiser] heeft ter zitting onder meer opgemerkt dat de drie bestuurders [persoon B], [persoon D] en [persoon A] niet de kwaliteiten hebben om hem te beoordelen, dat bestuurder [persoon B] de rechter op het verkeerde been heeft willen zetten en dat bestuurder [persoon A] zich heeft laten inpakken door de andere bestuurders. Ook heeft [naam eiser] een zeer krenkende opmerking gemaakt over bestuurder [persoon B].
4.10
Uit het voorgaande, en ook uit al het overige in de processtukken en ter zitting verhandelde, komt een beeld naar voren van iemand die zich niet of nauwelijks wenst te conformeren aan de omgangsvormen in en beslissingen van de vereniging, bij herhaling onaangepast gedrag vertoont waardoor andere leden gehinderd worden of zich gekrenkt voelen, en hierop moeilijk aanspreekbaar is. Een en ander vindt plaats binnen een betrekkelijk kleine vrijwilligersorganisatie als de vereniging, waarin onderling respect en vertrouwen vereist zijn om op een constructieve wijze te kunnen samenwerken en op eenduidige wijze naar buiten te kunnen optreden. Een dergelijke wijze van samenwerking wordt door de houding van [naam eiser] op zijn minst genomen bemoeilijkt. De rechtbank ziet niet in dat redelijk oordelende mensen onder deze omstandigheden, mede in acht genomen de door [naam eiser] onweersproken stelling dat de beslissing om zijn lidmaatschap te beëindigen breed gedragen wordt binnen de vereniging, niet tot het besluit zouden zijn gekomen dat [naam eiser] niet langer als lid van de vereniging te handhaven was. De door [naam eiser] in de dagvaarding onder punt 24 gestelde persoonlijke belangen die hij heeft bij herstel van zijn lidmaatschap zijn op zichzelf valide, maar wegen hier niet tegen op. De stelling van [naam eiser] dat de vereniging geen zwaarwegende redenen heeft gehad waaruit volgt dat van de vereniging redelijkerwijze niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren, wordt gelet op het voorgaande verworpen.
tijdigheid opzegging lidmaatschap
4.11
De stelling van [naam eiser] dat geen tijdige opzegging heeft plaatsgevonden omdat opzegging slechts kan geschieden tegen het einde van het jaar 2012 wordt verworpen. Voor zover [naam eiser] hiermee bedoeld heeft dat niet tijdige opzegging kan leiden tot vernietiging van het besluit tot opzegging geldt dat dit geen steun vindt in het recht.
4.12
Hooguit kan niet tijdige opzegging op grond van de statuten van de vereniging leiden tot verlenging van het lidmaatschap (productie 2 bij dagvaarding, artikel 6 lid 3). Dat is hier echter niet het geval. De rechtbank gaat ervan uit dat de brief van 14 maart 2012 vermeld onder 2.7 als opzegging van het lidmaatschap geldt. In de eerdere brieven vermeld onder 2.4 en 2.5 wordt immers niet expliciet gesproken over opzegging van het lidmaatschap. Bij de datum van die brief, 14 maart 2012, dient te worden opgeteld een opzeggingstermijn van vier weken (statuten, artikel 6 lid 3). Dat betekent dat als opzeggingsdatum in beginsel zou gelden 11 april 2012. Vervolgens geldt op grond van hetzelfde artikel dat opzegging slechts kan geschieden tegen het einde van het boekjaar. Dat is op grond van artikel 15 lid 1 van de statuten tegen 31 december 2012. Het lidmaatschap van [naam eiser] is derhalve geëindigd na 31 december 2012.
(Noot.: Blijkbaar is geen beroep gedaan op art. 2:36 BW lid 1 in fine).
resumerend
4.13
Nu [naam eiser] verder geen stellingen heeft ingenomen ter onderbouwing van zijn vordering dat het besluit tot opzegging moet worden vernietigd, zal zijn vordering tot vernietiging van het besluit en bepaling dat de vereniging hem in staat zal stellen zijn werkzaamheden als lid voort te zetten (zoals geformuleerd in het petitum onder 1 Primair a en 1 Subsidiair) worden afgewezen.
4.14
[naam eiser] heeft onder 1 Primair b gevorderd dat de vereniging hem de agenda en het verslag van de algemene ledenvergadering van 18 april 2012 doen toekomen. De vereniging heeft het conceptverslag reeds in het kader van deze gerechtelijke procedure overgelegd, zodat [naam eiser] thans geen belang meer heeft bij dit deel van deze vordering. Dit zal daarom worden afgewezen. De vordering om toezending van (een kopie van) de agenda van deze vergadering zal worden toegewezen nu onder 4.12 is vastgesteld dat [naam eiser] het gehele jaar 2012 nog lid was. Vanuit die hoedanigheid had hij recht op toezending van de agenda. Voorts heeft de vereniging erkend nog steeds over die agenda te beschikken.
4.15
[naam eiser] heeft onder petitum 2 sub a gevorderd dat de rechtbank verklaart dat [naam eiser] ten onrechte niet in staat is gesteld zich verkiesbaar te stellen op het verstrijken van zijn bestuurstermijn en dat de vereniging [naam eiser] in staat moet stellen zich verkiesbaar te stellen tijdens de eerstvolgende algemene ledenvergadering. De vereniging heeft deze vordering betwist.
4.16
De rechtbank oordeelt als volgt. Het tweede deel van deze vordering is niet toewijsbaar nu vast staat dat [naam eiser] na 31 december 2012 geen lid meer was.
4.17
Ten aanzien van het eerste deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestuurstermijn van [naam eiser] voortduurde tot 18 april 2012. Zoals hiervoor vastgesteld was [naam eiser] op dat moment nog steeds lid van de vereniging tot en met 31 december 2012. Dat betekent dat hij zich op 18 april 2012 in beginsel nog verkiesbaar had kunnen stellen. De rechtbank ziet echter niet in welk belang [naam eiser] thans heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat het bestuur hem toen, wat daar ook van zij, ten onrechte niet in staat heeft gesteld zich verkiesbaar te stellen. [naam eiser] heeft aan deze verklaring voor recht immers geen nadere rechtsgevolgen verbonden in die zin dat hij, bijvoorbeeld, heeft gesteld hierdoor enige schade te hebben geleden, waarvoor hij gecompenseerd zou moeten worden. Gelet op het voorgaande zal dit deel van de vordering ook worden afgewezen.
4.18
De vordering onder petitum 2 sub b (overleggen notulen van bestuursvergaderingen en correspondentie tussen 1 november 2011 en 18 april 2012, ter zitting gewijzigd in de periode van november 2011 tot februari 2012) zal ook worden afgewezen wegens gebrek aan belang. De vereniging heeft onbetwist gesteld dat [naam eiser] alle stukken tot 11 februari 2012 heeft gehad en dat er geen stukken zijn over de periode 11 tot 20 februari 2012.
4.19
De gevorderde veroordeling tot betaling van een dwangsom (petitum sub 3) zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen nu [naam eiser] niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat de vereniging weigerachtig is om de agenda van de algemene ledenvergadering van 18 april 2012 aan [naam eiser] te doen toekomen.
4.20
Hiermee zijn alle hoofdvorderingen behandeld. ...

5De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de vereniging de agenda van de algemene ledenvergadering van 18 april 2012 aan [naam eiser] moet doen toekomen.
5.2
veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de vereniging tot op heden begroot op het bedrag van € 977,00.
5.3
wijst af het meer of overig gevorderde.
5.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.