31 januari 2011

Ontzetting Moskeevereniging

Rb. Utrecht 30-12-2009, LJN BK8010

Ontzetting uit het lidmaatschap is een strafmaatregel en wordt vaak beschouwd als de zwaarste sanctie binnen een vereniging. Een dergelijke maatregel wordt marginaal getoetst, had men tot het besluit kunnen komen? Daarbij kunnen de stemverhoudingen van belang zijn (in dit geval 324 temmen voor ontzetting en 54 tegen; besluit van de ALV zelf en niet het bestuur). Als er vergelijkbare verenigingen zijn waar het lid later lid van kan worden dan weegt het belang van het lid minder zwaar.



4.12. Het feit dat het besluit van de algemene ledenvergadering marginaal moet worden getoetst brengt mee dat uitsluitend moet worden beoordeeld of dit orgaan van de vereniging er in redelijk heeft toe kunnen komen om het besluit van het bestuur tot ontzetting van [eiser] uit zijn lidmaatschap te bekrachtigen, gelijk hiervoor onder 4.3. al is overwogen. In het kader van deze beoordeling zijn de navolgende omstandigheden van belang. De taak van het bestuur van een vereniging is mede om de orde en rust binnen die vereniging te handhaven, en indien verstoord, te herstellen. Dit heeft er in de onderhavige zaak toe geleid dat het bestuur van de Moskeevereniging het nodig vond om [eiser] uit zijn lidmaatschap te ontzetten, waarbij als kernargument is genoemd dat [eiser] bedreigingen heeft geuit en intimiderend is opgetreden. De specifiek genoemde redenen die door het bestuur voorafgaand aan de algemene ledenvergadering zijn gegeven ter onderbouwing van dit besluit (zie 2.4.) zijn met dit algemene verwijt in overeenstemming. Dat het besluit tot ontzetting voor [eiser] onwelgevallig is, brengt niet zonder meer mee dat dit besluit moet worden vernietigd (zie 4.5.). Redengevend hiervoor is onder meer dat naast het bestuur ook de (andere) leden van de Moskeevereniging in het algemeen een klimaat nastreven waarbinnen zij in orde en rust uitvoering aan hun geloofsovertuiging kunnen geven. De algemene ledenvergadering heeft tijdens de vergadering van 5 juli 2008 geoordeeld dat met de aanwezigheid van [eiser] als lid deze orde en rust niet is gewaarborgd. De stemverhouding toen, 324 stemmen voor ontzetting en 54 tegen, ondersteunt deze gevolgtrekking. Met andere woorden: het overgrote deel van de leden van de Moskeevereniging heeft in het handelen van [eiser] aanleiding gezien om het eerder door het bestuur genomen besluit tot ontzetting te bekrachtigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit op democratische wijze genomen besluit in strijd te achten met de redelijkheid en billijkheid. Dit oordeel zou anders luiden, indien het individuele belang van [eiser] zich tegen het algemeen verwoorde belang van de Moskeevereniging zou verzetten. Hoewel de ontzetting uit het lidmaatschap ontegenzeggelijk een zware maatregel is, is hiervan geen sprake. Hiervoor geldt in zijn algemeenheid dat het karakter van een vereniging tot gevolg heeft dat het individuele belang van één lid niet snel prevaleert boven een daarmee strijdig belang van de vereniging en haar andere leden, althans het merendeel daarvan (zie 4.5.).

Meer specifiek wordt acht geslagen op het feit dat niet gesteld of gebleken is dat de ontzetting het voor [eiser] onmogelijk maakt zijn geloof (eventueel binnen een andere moskeevereniging) te belijden. Samenvattend is dan ook de conclusie (marginaal toetsend) dat het door de algemene ledenvergadering bekrachtigde besluit tot ontzetting van [eiser] niet in strijd is met de door de Moskeevereniging en haar organen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid.

27 januari 2011

Opzegging door vereniging zonder statuten (procedureel)

Rb Middelburg 14 september 2005, LJN AY8005 (I)


Een interessante uitspraak over opzegging van het lidmaatschap in een koor. Het koor is een informele vereniging zonder schriftelijke statuten. Er bestaan dus geen interne procedurele regels waaraan voldaan moest zijn. Volgens de rechtbank is het bestuur volledig vrij in de wijze waarop zij het lidmaatschap van eiser beëindigde. Een stemming van de (toevallig) aanwezige leden tijdens een repetitie is voldoende. Dat is opvallend, want een repetitie kan toch moeilijk worden beschouwd als een vergadering van enig orgaan van de vereniging.


De post van gisteren ging over het vastleggen van de statuten van deze vereniging in een notariële akte. De volgende post gaat over de inhoudelijke criteria.




2. De feiten


(Het koor is een informele vereniging zonder schriftelijke statuten, maar met een eigen boekhouding en eens per jaar een ledenvergadering)

2.3 Eiser was tot 17 maart 2004 lid van het koor “Het Veerse Scheepstuig”. Tussen eiser en het koorlid [dhr. H.] ontstond onenigheid. Deze onenigheid had haar weerslag op de sfeer tijdens de repetities en optredens van het koor.

2.4 Omstreeks 10 maart 2004 heeft het bestuur van het koor met eiser en [dhr. H.] de afspraak gemaakt dat zij binnen het koor niet meer over hun geschil zouden spreken. Desondanks werden opnieuw koorleden bij het geschil tussen eiser en [dhr. H.] betrokken en liep de spanning in het koor op. Op 17 maart 2004 stemden de tijdens een koorrepetitie aanwezige leden, na discussie over de ontstane situatie, over het voortduren van het lidmaatschap van eiser. De meerderheid van de aanwezige koorleden stemde vóór opzegging van het lidmaatschap. Vervolgens werd het lidmaatschap van eiser met onmiddellijke ingang opgezegd.

3. Het geschil

3.1 [Eiser] voert hiertoe aan dat de wijze waarop het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van eiser tot stand is gekomen in strijd is met de goede vergaderorde. Hij stelt daartoe dat de stemming op 17 maart 2004 niet vooraf bekend gemaakt is aan alle leden. Derhalve hebben niet alle leden hun stem kunnen uitbrengen. Bovendien zijn de leden die op 17 maart 2004 aanwezig waren niet in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk hun mening over de eventuele beëindiging van het lidmaatschap kenbaar te maken. Ook is eiser niet in de gelegenheid gesteld zich tegen de aantijgingen te verweren. Daarbij beschikte het koor op 17 maart 2004 niet over statuten, een oprichtingsakte of een huishoudelijk reglement op basis waarvan het lidmaatschap van eiser beëindigd kon worden of een stemming daaromtrent belegd kon worden.


3.2 (...) Gedaagde voert subsidiair aan dat het koor ten tijde van het lidmaatschap van eiser geen formele vereniging was, dat wil zeggen niet was opgericht bij notariële akte. Het bestuur had derhalve de bevoegdheid het lidmaatschap van eiser onmiddellijk op te zeggen in geval het redelijkerwijs niet van de vereniging gevergd kon worden het lidmaatschap te laten voortduren. 


4.3 De rechtbank komt vervolgens toe aan de vordering van eiser gedaagde te bevelen hem op zijn eerste verzoek na betekening van het vonnis toe telaten als lid van gedaagde. De rechtbank komt daarbij allereerst toe aan de stelling van eiser dat gedaagde bij het nemen van het besluit tot opzegging van zijn lidmaatschap in strijd met de goede vergaderorde heeft gehandeld. Hij wijst daarbij op de wijze waarop de stemming omtrent de beëindiging van zijn lidmaatschap is verlopen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. 

Blijkens het hierboven onder 4.1 overwogene was het koor “Het Veerse Scheepstuig” ten tijde van de opzegging van het lidmaatschap van eiser een informele vereniging. De vereniging had geen statuten opgesteld. Zij had evenmin op andere wijze afspraken gemaakt omtrent de handelwijze bij opzegging van een lidmaatschap door de vereniging. Het bestuur was bij de opzegging van eisers lidmaatschap dan ook niet aan bijzondere spelregels gebonden en derhalve vrij in de wijze waarop zij het lidmaatschap van eiser beëindigde. De wijze waarop de stemming onder de koorleden omtrent eisers lidmaatschap is verlopen kan naar het oordeel van de rechtbank ook door de beugel.

26 januari 2011

Omzetten informele vereniging

Rb Middelburg 14 september 2005, LJN AY8005 (III)


Een informele vereniging kan besluiten de statuten vast te leggen in een notariële akte (2:28). Voor de notaris zal het echter eenvoudiger zijn als er een nieuwe vereniging wordt opgericht, omdat dan niet hoeft te worden gecontroleerd of aan de vereisten voor het nemen van een besluit door de ALV was voldaan. Het is de vraag of er sprake is van een nieuwe vereniging.


2.1 Het koor “Het Veerse Scheepstuig” is opgericht door leden van de kaartclub van de wijkvereniging “Sanddijck” te Veere.
Het koor voerde zijn eigen boekhouding en hield eens per jaar een ledenvergadering.
Het koor had geen statuten opgesteld.

24 januari 2011

Geschorst tot aan ALV (oud)

Rb. Breda, 27-6-1983, LJN AH0022, KG 1983, 227

Het lidmaatschap van een lid wordt opgezegd door het bestuur vanwege dringende redenenen. Het lid stelt beroep in bij de ALV, die maar een keer per jaar bijeenkomt. Moet er een extra ALV worden uitgeschreven? Het antwoord is " ja", volgens de rechtbank.



O. dat ingevolge art. 6 lid 1 sub c van de statuten van gedaagde het lidmaatschap onder meer eindigt door opzegging zijdens de vereniging wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren; dat voorts in art. 6 lid 3 wordt bepaald dat binnen een maand na kennisgeving van een zodanige opzegging beroep open staat op de algemene vergadering en dat het lid gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is geschorst;

21 januari 2011

Wie is er lid II

Hoge Raad  7 april 1989, LJN ZC4015


Klassieker

Gerechtshof:
3
Vaststaat dat Vinck ten tijde van de ten processe genoemde besluiten en nadien beedigd makelaar in onroerende goederen was, lid van de afdeling zomede enig directeur en enig aandeelhouder van Vinck Makelaardij BV gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam welke vennootschap de makelaardij uitoefende.
4
Vinck heeft bij dupliek in eerste aanleg gesteld dat bij het ‘merendeel van de leden geen woningen in verkoop zijn’ daar zij de makelaardij uitoefenen door middel van besloten vennootschappen; de afdeling heeft bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat ‘vrijwel alle leden van geintimeerde — met name zij die in de stad Rotterdam gevestigd zijn — ’ het makelaarsvak uitoefenen ‘in de vorm van een rechtspersoon’. Dit een en ander brengt mede dat waar in de besluiten wordt gesproken van ‘bij hen in verkoop zijnde woningen’ — waarbij ‘hen’ terugslaat op ‘de leden’ — is gedoeld op, tevens, woningen welke in verkoop zijn bij de rechtspersonen, in het bijzonder besloten vennootschappen, door middel waarvan de leden — natuurlijke personen — de makelaardij uitoefenen en dat in die besluiten ligt opgesloten dat een lid, voorzover het niet zelf die woningen aanmeldt voor plaatsing in ‘De Makelaar’, ervoor moet zorgdragen dat de desbetreffende rechtspersoon dat doet, bij gebreke waarvan het lid het in de besluiten forfaitair bepaalde advertentiekostenbedrag in rekening kan worden gebracht.

De Hoge Raad doet de cassatie af met art. 81 RO.

Wie is er lid

Hof Leeuwarden, 28 juni 2008, LJN BD5872

Bij NVM zijn makelaars lid (natuurlijke personen) terwijl het makelaarsbedrijf wordt uitgeoefend in een bedrijf, vaak een BV of VOF.
Terzijde: kan een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (VOF) eigenlijk lid zijn van een vereniging?

NVM vordert betaling van entreegeld van ERA Makelaardij Het Raadhuis VOF.

Rechtbank:
5.3. De vraag die uit het verweer van de vennootschap als eerste voortvloeit is of de entreegeldregeling haar kan binden, in die zin dat die regeling in de feitelijke omstandigheden waarin de vennootschap verkeerde haar de EUR 11.344,00 (exclusief BTW) verschuldigd deed zijn aan de NVM. Deze vraag spitst zich toe op het punt of de NVM een derde, [namelijk de VOF] die geen lid is van de NVM, door haar entreegeldregeling kan binden. Uitgangspunt moet dan zijn dat de NVM een vereniging is die valt onder de regels van titel 1 en 2 van Boek 2 BW.
Artikel 2:26 bepaalt dat een vereniging een rechtspersoon met leden is; het is een samenwerkingsverband van leden. Bij het verkrijgen van het lidmaatschap wordt de betreffende persoon gebonden door de toepasselijke wettelijke bepalingen, zoals artikel 2:8 BW,en door het interne verenigingsrecht, welk recht dient te voldoen aan de wet en tot stand komt door de werking van statuten en de op grond van die statuten tot stand komende regelingen. Een andere bron van verbintenissen is er niet: artikel 2:34a BW bepaalt dat aan het lidmaatschap slechts bij of krachtens statuten verbintenissen kunnen worden verbonden. Daarbij bepaalt artikel 2:34 BW dat het lidmaatschap persoonlijk is. Reeds hieruit vloeit voort dat de vennootschap niet door het interne verenigingsrechtkon worden gebonden: niet de vennootschap was lid van de NVM maar mevrouw [betrokkene 1 ]. Voor zover de entreegeldregeling anders bepaalt is deze strijdig met dwingend recht en dient zij buiten toepassing te worden gelaten.
(…)

Hof:
2.1. Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank en hetgeen de rechtbank ter motivering daarvan heeft overwogen - zoals hiervoor is geciteerd - en neemt die beslissing en motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat een en ander betekent dat alleen de leden van de NVM door het interneverenigingsrecht gebonden kunnen worden.

2.2. Voor zover de NVM heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het lidmaatschap van een vereniging persoonlijk is, in die zin dat slechts natuurlijke personen lid kunnen zijn van een vereniging, berusten de grieven op een onjuiste lezing van de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 5.3. Het gaat erom dat de vennootschap niet door het interne verenigingsrecht kon worden gebonden, omdat niet de vennootschap lid is van de NVM maar mevrouw [betrokkene 1 ] en het lidmaatschap voorts niet overdraagbaar is (maar persoonlijk is) en dus niet overgedragen kan zijn van mevrouw [betrokkene 1 ] aan de vennootschap. Voor zover de entreegeldregeling anders bepaalt - en deze de vennootschap wèl heeft willen binden aan het interne verenigingsrecht - is deze strijdig met dwingend recht en dient zij buiten toepassing te worden gelaten.

20 januari 2011

vernietiging besluit en vervaltermijn

Rb Haarlem, 10 november 2010, LJN BO9392


Een vve wil een speeltuintje aanleggen, twee bewoners zijn het daar niet mee eens. De ALV is op 25 juni 2009, de vordering is op 1 juli 2010 ontvangen op de griffie. En dat is te laat. Zelfs nu het bestuur een langere termijn had aangegeven.

3. Artikel 2:15 lid 5 BW bevat een vervaltermijn waarbinnen de vordering tot vernietiging moet zijn ingediend. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd.

4. De onderhavige vordering is op 1 juli 2010 ter griffie ontvangen. Door [A. + B.] is niet gesteld, terwijl ook overigens niet is gebleken,dat zij eerst na 1 juli 2009 kennis hebben genomen of hebben kunnen nemen van het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 25 juni 2009, terwijl zij evenmin hebben gesteld dat zij toen niet ter vergadering aanwezig waren.

5. Op grond van het vorenstaande moet de kantonrechter ervan uitgaan dat [A. + B.] hun vordering buiten de vervaltermijn van één jaar hebben ingediend. Zij kunnen daarin derhalve niet meer worden ontvangen. Hieraan doet niet af dat in de brief van het bestuur van 15 juni 2010 aan de leden van de Vereniging van Eigenaars een termijn van twee maanden wordt gegund, omdat een dergelijke termijnstelling de wettelijke vervaltermijn niet opzij kan zetten.

Overigens gaat het hier om vernietiging ex 5:130 BW en daarvoor lijkt de termijn mij toch echt 1 maand (lid 2)

18 januari 2011

Fusieperikelen

Rb. Maastricht, 30 oktober 2009, LJN BK2013

Een zeer onduidelijke aanduiding van een agendapunt in de uitnodiging voor de ALV kan een genomen besluit ongeldig maken.
" De voorzieningenrechter stelt voorop dat de besluitvorming en gang van zaken rondom een voorgenomen fusie van een vereniging met een andere vereniging tot een nieuwe vereniging, gelet op het ingrijpende karakter ervan zorgvuldig, transparant, eenduidig en met inachtneming van de statuten en het verenigingsrecht dient te geschieden."




3.3.De gang van zaken en besluitvorming rondom de voorgenomen fusie van de RvT [(een vereniging)] met de LMV [een andere vereniging].

3.3.1.Uit het debat tussen partijen en de overgelegde stukken leidt de voorzieningenrechter de volgende feiten af.
Nadat tijdens de ALV van 20 augustus 2009 niet kon worden gestemd over het op de agenda staande fusievoorstel (quorum niet gehaald) is op de volgende ALV van 9 september 2009 dat fusievoorstel in stemming gebracht. Dat voorstel is toen niet aangenomen. De voorstanders kwamen één stem te kort.
Op verzoek van 10% van de leden heeft het bestuur van de RvT een nieuwe ALV uitgeschreven voor 7 oktober 2009.
De groep die om de ALV had verzocht heeft twee agendapunten op de agenda laten plaatsen te weten:
“2. Vernietiging van het besluit m.b.t. het fusievoorstel genomen d.d. 9-9-2009
3 In stemming brengen het voorstel om het bestuur op te dragen alsnog uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO”

17 januari 2011

Exoneratie in statuten

Gerechtshof Den Haag, 29 juni 2010, LJN BM9599

Het organiseren van activiteiten hoort bij een vereniging, maar een organisator is al snel aansprakelijk. Steeds een overeenkomst laten sluiten waarbij aansprakelijkheid van de vereniging wordt uitgesloten niet handig. Daarnaast is een dergelijk beding waarschijnlijk een onredelijk bezwarende algemene voorwaarde en dus ongeldig. Deze uitspraak geeft aan dat statutaire exoneratiebedingen stand houden voor de rechter en dus een bruikbaar alternatief zijn.

7. Blijkens deze klacht (iii) stelt [appellant] zich op het standpunt dat de artikelen 27 en 28 van de statuten vergelijkbaar zijn met algemene voorwaarden (in de zin van artikel 6:231 BW), dat de statuten overeengekomen moeten worden en dat de gebruiker (Coöperatie ZHE) deze ter hand moet stellen aan de wederpartij ([appellant]). Volgens [appellant] heeft hij de betreffende statuten nimmer ontvangen, zodat de betreffende exoneratieclausules voor vernietiging gereed liggen. Voor zover nodig roept [appellant] nadrukkelijk de vernietiging van de exoneratieclausules van de statuten in. De andersluidende overwegingen van de rechtbank (kort weergegeven in dit arrest in rechtsoverweging 1.8 (c)) worden daarbij bestreden. Daarnaast klaagt [appellant] erover dat de rechtbank de stelling van [appellant] dat het beroep van Coöperatie ZHE op de exoneratieclausules onaanvaardbaar is, niet heeft besproken en evenmin de stelling van [appellant] dat de exoneratieclausules in de statuten onredelijk bezwarend zijn op grond van artikel 6:233a BW.

8. Vast staat dat [appellant] lid is van de vereniging Coöperatie ZHE en als zodanig gespecialiseerde hulp heeft ingeroepen (alleen leden kunnen dat). De statuten van de vereniging bevatten exoneratieclausules, waarbij elke aansprakelijkheid voor uitleenkrachten is uitgesloten, behoudens grove schuld en/of nalatigheid.
Het hof stelt voorop dat statuten van een vereniging, zoals Coöperatie ZHE, gelden als objectief recht en voor een groot deel de rechtsbetrekkingen in de vereniging bepalen. Dit betekent, anders gezegd, dat de statuten de dwingende inhoud van de betrekkingen tussen de vereniging- een democratisch ingerichte ledenorganisatie - en haar leden bepalen. De verhouding tussen de vereniging en haar leden wordt niet beheerst door hetgeen partijen overeenkomen, maar door dit objectieve verenigingsrecht.


9. De leden zijn dus gebonden aan de statuten, ook als zij de inhoud ervan niet kenden. Mocht [appellant] de inhoud van deze exoneratieclausules niet gekend hebben - Coöperatie ZHE betwist dit overigens gemotiveerd - dan komt dit voor zijn risico. Als lid van Coöperatie ZHE had [appellant] het immers in zijn macht om wel kennis te nemen van de statuten, terwijl het ook van leden mag worden verwacht dat zij van de - ook op hen betrekking hebbende - statuten kennis nemen. Hetgeen [appellant] op dit punt anderszins heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel.

10. Uitgangspunt is dus de gebondenheid aan de statuten. Ingeval echter toepassing van een statutaire regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 2:8, tweedelid, BW), dient hierover anders te worden geoordeeld. [appellant] heeft in dit verband betoogd dat het beroep van Coöperatie ZHE op de exoneratieclausules in haar statuten onaanvaardbaar is, omdat hij als lid van Coöperatie ZHE erop mocht vertrouwen dat hem voldoende gemotiveerd en kundig personeel ter beschikking zou worden gesteld en omdat hij hiervoor ook heeft betaald. Deze argumenten worden verworpen. Niet valt in te zien waarom het onaanvaardbaar zou zijn dat Coöperatie ZHE zich beroept op haar statuten, waarin zij in de daar bedoelde gevallen aansprakelijkheid uitsluit. Het hof wijst er in dit verband nog op dat de Coöperatie ZHE (blijkens haar statuten, artikel 2) de arbeidskrachten zonder winstoogmerk aan de leden beschikbaar stelt tegen kostenvergoeding en dat de exoneratieclausules in de statuten Coöperatie ZHE niet volledig disculperen, maar dat Coöperatie ZHE aansprakelijk blijft in geval van grove schuld en/of nalatigheid.

11. In dit geval betekent dit dat Coöperatie ZHE zich wel degelijk op de exoneratieclausules in haar statuten mag beroepen. Er is geen sprake van overeengekomen algemene voorwaarden in de zin van de artikelen 6:231 t/m 6:238 BW, terwijl, gelet op de geheel andere aard van de statuten, evenmin grond is voor toepasselijkheid van deze artikelen bij wijze van reflexwerking. Het beroep van [appellant] op de wettelijke regeling van genoemde artikelen wordt reeds hierom verworpen. Dit betekent dat de als (iii) weergegeven klacht van [appellant] geen verdere bespreking behoeft.

16 januari 2011

Opzeggen lidmaatschap

Rb. Middelburg, 3-6-2010, LJN BN8700


In deze uitspraak een voorbeeld van een vereniging waarin, zonder succes, geprobeerd was uit te sluiten dat leden hun lidmaatschap konden opzeggen.


Het betrof een recreatiepark waarbij geprobeerd was een VvE te construeren door in 1992 de "Coöperatieve vereniging van eigenaren in rekreatiepark [A] U.A.," op te richten.


4.1. Artikel 28 van de statuten van [partij A] bepaalt dat een lid zijn lidmaatschap slechts door opzegging kan beëindigen, indien een ander met ingang van de dag waartegen is opgezegd in zijn plaats treedt en tegelijkertijd eigenaar of beperkt zakelijk gerechtigde van een bouwkavel/bungalow is geworden. Die bepaling is in strijd met de artikelen 2:35, lid 1 onder b, BW en art. 2:36, lid 1 tweede volzin, BW. Voorop staat de vrijheid om uit te treden uit een vereniging. Art. 28 van de statuten beperkt deze vrijheid zodanig dat daar in feite niets van overblijft. Art. 28 van de statuten staat niet toe op te zeggen tegen het einde van een boekjaar, terwijl dat ex art. 2:36, lid 1, BW in ieder geval mogelijk is.


De kantonrechter overweegt verder dat de vereniging geen coöperatie volgens 2:53 lid 1 kon zijn, omdat de vereniging geen bedrijf uitoefende, en dat de rechtsvorm van een vereniging niet gebruikt kan worden om een soort van vereniging van eigenaars te bereiken.


(Bijgewerkt 11 december 2014)