08-10-18

Lastige leden niet zomaar schorsen



Rb. Midden-Nederland 27.09.2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:4724




Een lid van de SP vraagt, met voldoende andere leden, een ALV aan. Het bestuur reageert niet. Het lid schrijft zelf een ALV uit, aangenomen moet worden dat het lid dit doet conform de statuten. Het bestuur schorst het lid. Van de statuten mag het bestuur dat. De rechter laat echter weinig heel van de schorsing, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.



Het recht om een vergadering bijeen te roepen is een statutair recht dat niet zomaar mag worden weggenomen. Dat gebeurt door een schorsing wel. Een lid dat geschorst is kan de aan het lidmaatschap verbonden rechten namelijk niet uitoefenen (artikel 7 lid 2 van de statuten). Dit betekent dat uitsluitend het gebruikmaken van een statutair recht door een lid van de vereniging in redelijkheid geen reden kan zijn om tot schorsing van dat lid over te gaan. " 

Verder is het natuurlijk zo dat het voor een bestuur van een vereniging niet altijd leuk hoeft te zijn als door een lid van een bepaald statutair recht gebruik wordt gemaakt. Wellicht kan dat leiden tot frictie, maar dat is inherent aan de democratische inrichting van een vereniging als de onderhavige. Als onder die omstandigheid toch tot schorsing van het betreffende lid kan worden overgegaan, ondermijnt dat het democratische karakter van een vereniging, waarvoor juist de statuten de grondslag bieden." 

Voor zover zij [de SP] heeft bedoeld te zeggen dat de in die brief genoemde te behandelen onderwerpen schadelijk zouden kunnen zijn voor de SP, zou ze daar gelijk in kunnen hebben. Maar is het niet altijd zo dat als een groep leden het niet eens is met het bestuur van de vereniging en zij een vergadering uitroepen, de onderwerpen van die vergadering onwelgevallig voor het bestuur (kunnen) zijn? Deze onwelgevalligheid kan in ieder geval geen reden voor schorsing zijn. Datzelfde geldt voor de aankondiging in de oproepingsbrief dat mogelijk een motie van wantrouwen jegens het bestuur wordt ingediend. Hoe vervelend dat ook voor het bestuur kan zijn, uit de statuten volgt nu eenmaal dat (ontevreden) leden een vergadering bijeen mogen roepen en dat zij - als ze dat doen - de (mogelijk) te bespreken onderwerpen moeten noemen. Aan deze statutaire plicht heeft [eiseres] in de oproepingsbrief voldaan.' 

Vonnis van 27 september 2018

in de zaak van

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,

tegen

de vereniging
SOCIALISTISCHE PARTIJ,
gevestigd te Amersfoort,
verweerster, hierna te noemen: SP,



2De feiten


2.1.
[eiseres] was vanaf begin 2015 lid van de SP. De SP is een landelijke politieke partij met regionale afdelingen. [eiseres] was actief binnen de SP afdeling [naam afdelding] (hierna: de afdeling).
2.2.
In artikel 10 lid 3 sub c van de statuten van de SP is bepaald:
“de ledenvergadering komt ten minste eenmaal per jaar bijeen en voorts zo dikwijls als het afdelingsbestuur dit noodzakelijk oordeelt.

12-09-18

Wangedrag van ouder van lid


Rechtbank Midden-Nederland 13 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3217

Een voetbalvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op (een jeugdspeler van 8 jaar) vanwege wangedrag van diens vader. De rechter moet beoordelen (in kort geding) of de vereniging dit besluit had mogen nemen.

Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [het kind] , en niet die van zijn vader, [] . 
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [het lid] . [Het lid] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [Het lid] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [Het lid] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen." 
De rechter overweegt de de vereniging de toegang kan verbieden aan de vader, en dat de moeder dan het lid kan wegbrengen en begeleiden (en dat ook al eerder heeft gedaan). De rechter oordeelt dat het aannemelijk is dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap ongeldig is.

2Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.
Heeft de voetbalvereniging het besluit mogen nemen om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen vanwege het volgens haar ontoelaatbare gedrag van zijn vader ( [eiser sub 1] )? Dat is de vraag waar het in dit kort geding in de kern genomen om draait.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat deze vraag door de bodemrechter met “nee” zal worden beantwoord.
2.2.
Allereerst een korte weergave van de feiten.
De achtjarige zoon van [eiser sub 1] is al vier jaar lid van de voetbalvereniging en speelt in dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018 in JO9-1. [eiser sub 1] is (als ouder) betrokken bij de club en is jeugdtrainer geweest van onder andere het team waarin [eiser sub 2] speelde. [eiser sub 1] brengt [eiser sub 2] naar de trainingen en gaat mee naar de thuis- en uitwedstrijden.

Op 11 november 2017 heeft het team van [eiser sub 2] een uitwedstrijd gespeeld.
[eiser sub 1] was daarbij aanwezig om [eiser sub 2] aan te moedigen. Tijdens deze wedstrijd werd [eiser sub 2] gewisseld. [eiser sub 1] was het daarmee niet eens en heeft tegenover de jeugdcoach van het team daarover zijn ongenoegen geuit en is daarna met [eiser sub 2] , terwijl de wedstrijd nog niet was afgelopen, vertrokken.

Naar aanleiding hiervan heeft (het bestuur van) de voetbalvereniging [eiser sub 1] een afkoelingsperiode opgelegd. [eiser sub 1] is daarbij verboden om vanaf 14 november 2017 tot
1 maart 2018 het complex van de voetbalvereniging te betreden en thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Ook is hem verzocht om gedurende deze afkoelingsperiode geen contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
[eiser sub 1] heeft zich hieraan gehouden.
[eiser sub 1] en het bestuur van de voetbalvereniging zijn in de afkoelingsperiode met elkaar in gesprek gegaan over hoe nu verder. Het bestuur van de voetbalvereniging heeft aan [eiser sub 1] laten weten dat de ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader zich door het fanatieke gedrag van [eiser sub 1] , dat zich voor 11 november 2018 ook al had voorgedaan, bedreigd en geïntimideerd voelen en dat daarvoor een oplossing moet komen. [eiser sub 1] heeft aangegeven dat hij bij de voetbalvereniging en het voetbal van [eiser sub 2] betrokken wil zijn en heeft mediaton voorgesteld. Ook heeft hij laten weten in gesprek te willen gaan met ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] . De ouders voelden echter niet voor een gesprek. Tot een oplossing is het niet gekomen.

Het bestuur van de voetbalvereniging heeft vervolgens twee besluiten genomen, namelijk:
- de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 (hierna: het
opzeggingsbesluit), en
- de oplegging van een (nieuw) verbod aan [eiser sub 1] voor de duur van het nog lopende
voetbalseizoen van [eiser sub 2] ; [eiser sub 1] is daarbij verboden om zich tot 30 juni 2018
i) op het complex van de club te begeven, ii) uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te
bezoeken en iii) contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
Doet [eiser sub 1] dat toch dan wordt het lidmaatschap van [eiser sub 2] per direct opgezegd (en dus
niet per 30 juni 2018).
Het bestuur van de voetbalvereniging heeft deze besluiten door middel van twee brieven beiden gedateerd 26 februari 2018 aan [eiser sub 1] kenbaar gemaakt (meegedeeld).
2.3.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] komen in dit kort geding op tegen deze besluiten. Zij voeren aan dat deze besluiten op grond van artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar zijn omdat de inhoud van deze besluiten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die het bestuur van de voetbalvereniging op grond van artikel 2:8 lid 1 BW jegens hen in acht moet nemen. Zij vorderen daarom primair een verbod om uitvoering te geven aan deze besluiten en subsidiair – na wijziging van eis – schorsing van deze besluiten. Beide vorderingen komen erop neer dat de besluiten vooralsnog moeten worden genegeerd als ware zij niet genomen.
De voetbalvereniging voert gemotiveerd verweer.
Vernietigbaarheid opzeggingsbesluit?
2.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit van het bestuur van de voetbalvereniging ongeldig (vernietigbaar) is. Hierna zal worden uitgelegd waarom dit zo is.
2.5.
De vereniging (in dit geval het bestuur van de voetbalvereniging) kan op grond van artikel 2:35 BW het lidmaatschap van één van haar leden opzeggen:
- in de gevallen in de statuten genoemd
- wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap
gesteld te voldoen
- wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te
laten voortduren.
2.6.
De voetbalvereniging stelt zich op het standpunt dat haar besluit om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen rechtsgeldig is, omdat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Als reden hiervoor voert zij aan dat de vader van [eiser sub 2] zich herhaaldelijk, voor het laatst tijdens het incident van
11 november 2018, bedreigend en intimiderend bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft uitgelaten en dat daardoor binnen de voetbalvereniging onrust is ontstaan. De ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader van de voetbalvereniging zouden volgens de voetbalvereniging vanwege het gedrag van [eiser sub 1] op eieren lopen waardoor het plezier dat zij met elkaar op de voetbalclub zouden moeten hebben in het geding is. [eiser sub 1] is niet bereid gebleken om excuses voor zijn gedrag te maken, wat een oplossing in de weg staat. De voetbalvereniging heeft zich niet alleen de belangen van [eiser sub 2] aan te trekken, maar ook die van haar andere leden. De voetbalvereniging is daarom van mening dat zij niets anders kon dan het besluit te nemen om het lidmaatschap van
[eiser sub 2] op te zeggen.
2.7.
[eiser sub 1] herkent zich niet in dit door de voetbalvereniging gestelde gedrag. Hij is, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bevestigd, weliswaar erg fanatiek en betrokken bij de voetbalvereniging en het voetbalteam van [eiser sub 2] , maar hij betwist dat hij bedreigend en intimiderend is en dat ouders, teamkaderleden en kinderen bang voor hem zijn. Hij heeft dit team ook getraind en tot het niveau gebracht waar ze nu zijn, en de kinderen begroeten hem altijd enthousiast. Ook de ouders hebben hem complimenten gemaakt.
2.8.
Partijen verschillen dus van mening over de vraag of [eiser sub 1] zich bedreigend en intimiderend op de voetbalvereniging en bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft gedragen en
en voor angst en onrust binnen de voetbalvereniging zorgt.
De voorzieningenrechter kan de beoordeling van deze vraag in het midden laten, omdat ook wanneer de voetbalvereniging wordt gevolgd in haar standpunt over het gedrag van [eiser sub 1] dit, zoals hierna zal worden uitgelegd, niet de conclusie kan dragen dat er een rechtsgeldig opzeggingsbesluit is genomen.
2.9.
Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] , en niet die van zijn vader, [eiser sub 1] .
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [eiser sub 2] . [eiser sub 2] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [eiser sub 2] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [eiser sub 2] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen.
2.10.
Het is voor (het bestuur van) de voetbalvereniging mogelijk om [eiser sub 1] , wanneer hij zich na de voortzetting van het lidmaatschap van [eiser sub 2] nog steeds bedreigend en intimiderend of anderszins ontoelaatbaar gedraagt, van de voetbalvereniging te weren en hem te verbieden de thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Het bestuur van de voetbalvereniging kan daartoe, wanneer het gedrag van [eiser sub 1] daartoe aanleiding biedt, een (nieuw) aan [eiser sub 1] gericht besluit nemen.
De voetbalvereniging heeft zo’n besluit al twee keer eerder genomen. De eerste keer in
het kader van een afkoelingsperiode en de tweede keer in het kader van de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] .
[eiser sub 1] heeft zich toen aan deze besluiten gehouden, hoe moeilijk dit ook voor hem was.
De moeder van [eiser sub 2] heeft toen de rol van [eiser sub 1] overgenomen; zij heeft [eiser sub 2] naar zijn trainingen gebracht en is ook verschillende keren meegegaan naar zijn thuis- en uitwedstrijden. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij dit wat haar betreft kan blijven doen. Het is een belasting voor haar, maar niet onmogelijk.
De voetbalvereniging heeft opgemerkt dat vanaf de afkoelingsperiode de rust binnen de voetbalvereniging is wedergekeerd. Het aan [eiser sub 1] opgelegde verbod heeft dus effect gehad. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat als het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet en aan [eiser sub 1] een verbod zoals hiervoor bedoeld wordt opgelegd, [eiser sub 1] zich daaraan niet zal houden.

Dat het volgens de voetbalvereniging onwenselijk is om het lidmaatschap van [eiser sub 2] voort te zetten en tegelijkertijd zijn vader, [eiser sub 1] , structureel van de voetbalvereniging te weren, omdat dan wordt ingegrepen in de ouder-kind relatie, is misschien zo, maar maakt niet dat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Het is aan de ouders om hierover een beslissing te nemen en te bepalen of zij dan het lidmaatschap van [eiser sub 2] bij de voetbalvereniging willen opzeggen of niet.
Het is dus mogelijk dat het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet desnoods, voor zover daarvoor een feitelijke grondslag is, in combinatie met een besluit dat [eiser sub 1] wordt geweerd van de voetbalvereniging en de thuis- en uitwedstrijden. Van (het bestuur van) de voetbalvereniging kan worden verlangd dat zij gebruik maakt van deze voor [eiser sub 2] minder bezwarende mogelijkheid. De redelijkheid en billijkheid die de voetbalvereniging ten opzichte van [eiser sub 2] (haar lid) in acht moet nemen brengen dit met zich mee.
2.11.
Alle hiervoor in 2.9. en 2.10. genoemde omstandigheden in onderliggende samenhang wegend, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat (het bestuur van) de voetbalvereniging niet kon besluiten om het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 op te zeggen, vanwege de door haar aangevoerde grond dat van de voetbalvereniging in redelijkheid niet kan worden verlangd zijn lidmaatschap te laten voortduren. Het is in lijn daarmee ook aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar (ongeldig) is, omdat (het bestuur van) de voetbalvereniging door zonder geldige opzeggingsgrond het opzeggingsbesluit te nemen in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid die zij tegenover [eiser sub 2] in acht moet nemen op grond van artikel 2:8 BW.
2.12.
Nu het aannemelijk is dat er een ongeldig opzeggingsbesluit is genomen en het lidmaatschap van [eiser sub 2] van de voetbalvereniging dus voortduurt, is een ordemaatregel op zijn plaats, totdat de bodemrechter heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit of partijen in overleg met elkaar een andere oplossing hebben bereikt.
De voetbalvereniging zal, zoals [eiser sub 2] primair vordert, worden verboden om uitvoering te geven aan het opzeggingsbesluit. Dit betekent dat de voetbalvereniging het lidmaatschap van [eiser sub 2] moet respecteren en [eiser sub 2] ook voor het komende voetbalseizoen (vanaf 30 juni 2018) als spelend lid, en niet zoals zij meent als niet-spelend lid, in een team zal moeten indelen.
Het verweer van de voetbalvereniging dat een dergelijke vordering in kort geding niet kan worden toegewezen, gaat niet op. De voorzieningenrechter is in kort geding bevoegd om een ordemaatregel te treffen en dat is wat hij doet. De voorzieningenrechter beseft dat de voetbalvereniging dit zeer onwenselijk vindt, maar acht het belang van [eiser sub 2] om samen met zijn vriendjes te kunnen blijven voetballen totdat er duidelijkheid is over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit van doorslaggevende betekenis.
De door [eiser sub 2] in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen. De omvang van deze dwangsom zal daarbij worden beperkt.
De voetbalvereniging wordt ook niet gevolgd in haar verweer dat [eiser sub 2] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Het is, anders dan de voetbalvereniging lijkt te betogen, voldoende aannemelijk dat het nog mogelijk is om [eiser sub 2] bij een team in te delen. De zomervakantie dient zich aan en pas na deze vakantie zal het seizoen starten. Het verweer dat [eiser sub 2] geen belang bij deze vordering zou hebben, gaat daarom niet op.
Ook het argument van de voetbalvereniging dat een nieuw conflict zich aandient wanneer [eiser sub 2] wordt ingedeeld in een team dat [eiser sub 1] niet bevalt, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Eerst maar eens zien of dat het geval zal zijn.
De voorzieningenrechter geeft [eiser sub 1] en de voetbalvereniging mee dat zij vooral het belang van [eiser sub 2] voor ogen moeten houden.
Vernietigbaarheid besluit dat aan [eiser sub 1] is gericht
2.13. [eiser sub 1] vordert ook nog een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van het aan hem gerichte besluit van 26 februari 2018. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat hij daarbij, zoals de voetbalvereniging ook aanvoert, onvoldoende belang heeft.
Bij besluit van 26 februari 2018 is aan [eiser sub 1] een verbod opgelegd om zich tijdens het tot 30 juni 2018 lopende voetbalseizoen op het complex van de club te begeven, uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te bezoeken en contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader. Dit besluit ziet dus alleen op de periode van het huidige voetbalseizoen. Dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018, is op de datum dat dit vonnis wordt gewezen afgelopen. Dit betekent dat het bij dit besluit genomen verbod is uitgewerkt.
Er geldt op dit moment dus geen verbod meer. [eiser sub 1] heeft onvoldoende uitgelegd welk belang hij heeft bij een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van dit al uitgewerkte besluit. Hij kan met deze vorderingen in ieder geval niet bewerkstelligen dat hij voor het komende voetbalseizoen bij de voetbalvereniging betrokken kan zijn. Wanneer de voetbalvereniging [eiser sub 1] wil blijven weren dan zal zij daartoe een nieuw besluit moeten nemen. Op dit moment is er geen verbod van kracht.
Aan de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat dit besluit vernietigbaar is, wordt daarom niet toegekomen.

05-09-18

Royement en uitschrijven

Rb. Amsterdam 25 juli 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:5366

In deze uitspraak in kort geding geeft de rechtbank diverse overwegingen over de verenigingsrechtelijke gang van zaken bij een vereniging.

Een overweging wil ik uitlichten:
Een zorgvuldige handelwijze brengt mee dat DWS bij uitschrijving of royement daarvan duidelijk de reden (schriftelijk) weergeeft, bijvoorbeeld: wanbetaling, niet geselecteerd zijn of andere redenen (wangedrag), en dat zij een opzegtermijn van twee maanden hanteert. Het bestuur c.s. heeft aangevoerd dat de grond van uitschrijving in alle hier aan de orde zijnde gevallen is dat van DWS niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren, zodat per direct kan worden opgezegd. Als die grond zich inderdaad zou voordoen, is het aan DWS om dat in de opzeggingsbrief expliciet op te nemen en te motiveren. Dat is tot nu toe niet gebeurd, wat begrijpelijkerwijs voor onrust heeft gezorgd en waarmee het bestuur c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens meerdere eisers. " 

De rechtbank heeft gelijk dat een opzegging door de vereniging vanwege "redelijkerwijs niet gevergd kunnen worden om het lidmaatschap te laten voortduren", gemotiveerd dient te worden gedaan door het bestuur. Het is echter jammer dat de rechter spreekt van "uitschrijven"  en "royeren" . Beide termen kent te wet namelijk niet. De wet spreekt slechts van opzegging van het lidmaatschap (door de vereniging) en ontzetting uit het lidmaatschap, en geeft voor beiden duidelijke, aparte, regels. Een rechter die het bestuur aanspoort om juridisch zorgvuldiger te handelen, had kunnen beginnen met het (zelf) hanteren van de juiste terminologie. 


2De feiten

2.1.
DWS is een voetbalclub die in 1907 is opgericht. [gedaagde 4] en de broers
[gedaagde 3] en [gedaagde 2] ma(a)k(t)en deel uit van het bestuur van DWS, [gedaagde 3] sinds februari 2016, en [gedaagde 2] sinds december 2016.
2.2.
Drie van eisers zijn lid van DWS, de andere drie hebben een of meer kind(eren) die lid zijn (geweest).
2.3.
In de statuten van DWS staat onder meer:
Artikel 2.
(…)
2. Het verenigingsjaar (boekjaar) loopt van één juli tot en met dertig juni
(…)
EINDE LIDMAATSCHAP
Artikel 10.
(…)
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur. Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren of wanneer het lid na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of namens de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van het verenigingsjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)
BESTUUR
Artikel 12.
1. het bestuur bestaat uit tenminste vijf meerderjarige personen (…) die door de algemene vergadering uit de leden (…) worden gekozen.
(…)
6. De algemene vergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan, indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid vereist van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen.
(…)

01-09-18

Vereffenaar verboden vereniging

Rb. Den Haag 28 augustus 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:10452

Als vervolg op de verbodenverklaring van MC Satudarah in deze uitspraak, benoemt de rechtbank met deze uitspraak de vereffenaar.
De rechtbank bevestigt verder dat vereffenaar inderdaad wordt benoemt tijdens (of hangende) het hoger beroep van de vereniging tegen de verbodenverklaring.
Beschikking van 28 augustus 2018
in de zaak van
het OPENBAAR MINISTERIE (Landelijk Parket),
waarvoor optreedt de officier van justitie bij het Landelijk Parket,
domicilie kiezende bij het Landelijk Parket te Rotterdam gevestigd te Rotterdam, verzoekster,
hierna ook te noemen: OM,
tegen
de informele vereniging
SATUDARAH MOTORCYCLECLUB,
tevens naar buiten tredend als 'Black and Yellow Nation', zonder bekende vestigingsplaats,
verweerster,
hierna ook te noemen Satudarah,

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 18 juni 2018 Satudarah verboden en met onmiddellijke ingang ontbonden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat deze verbodenverklaring en ontbinding ook de onzelfstandige support clubs Saudarah en Supportcrew 999 betreffen. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak is aangehouden uitsluitend ter benoeming van een vereffenaar.
1.2.
Bij brief van 16 juli 2018 heeft het OM mr. [A] van [Advocaten en Notarissenkantoor] te [plaats] , voorgesteld als te benoemen vereffenaar. De rechtbank heeft de advocaat van Satudarah in de gelegenheid gesteld op die suggestie te reageren, van welke gelegenheid mr. Van Rijsbergen door een e-mail van 19 juli 2018 gebruik heeft gemaakt. Hij heeft de rechtbank in deze e-mail medegedeeld dat Satudarah geen bezwaar heeft tegen de benoeming van mr. [A] maar wel tegen de in de beschikking van de rechtbank opgenomen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van
de beslissing tot verboden verklaring en ontbinding.
1.3.
Mr. [A] heeft de rechtbank, na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de rechtbank, bij brief van 8 augustus 2018 medegedeeld bereid te zijn als vereffenaar op te treden als de rechtbank hem daartoe benoemt.

2De verdere beoordeling

2.1.
Nu Satudarah aan de rechtbank heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van mr. [A] en mr. [A] tot aanvaarding van de benoeming bereid is, zal de rechtbank overgaan tot diens benoeming.
2.2.
Voor het geval Satudarah mocht bepleiten dat de rechtbank op haar beslissing de verbodenverklaring en de ontbinding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren terugkomt: dat kan de rechtbank niet.
2.3.
Mocht Satudarah het standpunt innemen dat de benoeming van de vereffenaar niet uitvoerbaar bij voorraad kan (of behoort te) worden verklaard, dan overweegt de rechtbank, deels ten overvloede, nog het volgende. De (tekst van de) wet sluit uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding (anders dan voor de enquêteprocedure, artikel 2: 358 lid 1BW) niet uit. Tijdens de
behandeling van het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de nu geldende wettekst is slechts overwogen dat niet mag worden verwacht dat de rechter een ontbinding uitvoerbaar bij voorraad verklaart (K 1984/1985, nrs. 5-7, MvA, blz 8, paragraaf 25). Vervolgens is overwogen dat een uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbod geen rechtsgevolg zal hebben, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank las en leest hierin niet dat de wetgever uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden, heeft willen uitsluiten. Een logisch vervolg op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de beschikking van 18 juni 2018 is dat ook deze beschikking dadelijk uitvoerbaar zal zijn, zodat de vereffenaar met zijn taak kan aanvangen, ongeacht een ingesteld hoger beroep.

3De beslissing

De rechtbank:
3.1.
benoemt mr. [A] , advocaat te [plaats] , verbonden aan [Advocaten en Notarissenkantoor] , tot vereffenaar van de bij beschikking van 18 juni 2018 verboden en ontbonden verklaarde informele vereniging Satudarah, met inbegrip van de onzelfstandige support clubs Saudarah en Supportcrew 999;
3.2.
verklaart deze benoeming uitvoerbaar bij voorraad.

29-08-18

Echt betalen voor fraude medebestuursleden

Gerechtshof Den Haag 28.08.2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:2063

Hoger beroep van ECLI:NL:RBROT:2017:9351 (blogpost)

In deze zaak wordt een bestuurslid (de secretaris, belast met jeugdactiviteiten) veroordeeld tot betaling van €50.000 vanwege fraude door de voorzitter (die er met de kas vandoor is).

In deze zaak is er in de loop van een aantal jaren in totaal € 240.000,00 overgeboekt van de vereniging naar een stichting. Daar is het geld vervolgens verdwenen. Er was geen geldige grond voor de overboekingen. 


Volgens de secretaris hadden de voorzitter en penningmeesters met de oprichting van de stichting het doel om te voorkomen dat " het bestuur van de vereniging over grote bedragen kon beschikken" na eerdere fraude.

De secretaris werd door de rechtbank veroordeeld tot schadevergoeding op grond van (het in 2013 gewijzigde) artikel 2:9 BW. In principe is de secretaris dus aansprakelijk voor € 140.000,00 schade (gelet op haar zittingstermijn), maar het bedrag werd door de rechtbank gematigd door de rechter tot 50.000.

Het gerechtshof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank. 
 [De secretaris heeft] verklaard [] dat [penningmeester] en [voorzitter] door de vereniging waren gevraagd om uit te zoeken hoe het kon dat er € 20.000 weg was, dat bleek dat de secretaris voor haar een dakloze was die geld bij elkaar probeerde te scharrelen en dat het [penningmeester] en [voorzitter] toen beter leek om een stichting op te richten zodat het bestuur van de vereniging niet over grote bedragen kon beschikken. Uit deze verklaring komt duidelijk naar voren dat [de secretaris] wist dat de stichting is opgericht om er grote bedragen geld van de vereniging naar toe over te hevelen, zonder dat daarvoor (toen nog) een (rechts)grond bestond." 

Juridisch klopt dit, en lijkt het me ook de enige aanpak. Ik kan me goed voorstellen dat de secretaris de hele stichting als onderdeel van "de club" zag, en niet bekend was met het concept "rechtspersoonlijkheid". Aan de andere kant had de rechtbank het door de secretaris te betalen bedrag als verlaagd met € 90.000, min of meer uit coulance met de secretaris. Zoals het hof overweegt, heeft dit als gevolg dat het tekort zal moeten worden opgehoest door de vereniging / de leden. 

In de titel van deze post zeg ik "echt betalen", maar uiteraard is cassatie bij de Hoge Raad mogelijk. En verder is het nog maar de vraag of het vonnis succesvol ten uitvoer kan worden gelegd, of de secretaris wel voldoende financiële middelen heeft. Een vonnis blijft echter 20 jaar geldig, en de termijn kan worden verlengd.

Het geding

Bij exploot van 11 september 2017 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 28 juni 2017.
Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft RBvV de grieven bestreden.
Vervolgens heeft [appellante] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende:
a. De gemeente Rotterdam heeft een aantal volkstuincomplexen in eigendom, die zijn verdeeld in kavels (volkstuinen). RBvV verhuurt de kavels onder aan individuele volkstuinders. Deze zijn lid van RBvV en betalen daarvoor contributie.
b. De volkstuinders zijn per volkstuincomplex verenigd in een volkstuinvereniging. In deze zaak is dat Volkstuinvereniging De Beukhoeve (hierna: de vereniging). De vereniging int de door de volkstuinders aan RBvV verschuldigde huurpenningen en contributies om deze eens per jaar door te betalen aan RBvV.
c. [oprichter 1 / voorzitter] (hierna: [oprichter 1 / voorzitter]) is bestuurder (voorzitter) geweest van de vereniging van 19 juni 2006 tot 18 april 2015.
d. [appellante] is bestuurder (secretaris) geweest van de vereniging van 1 december 2007 tot 12 april 2014.
e. Op 10 januari 2011 hebben [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] (hierna: [oprichter 2 / penningmeester]) Stichting De Beukhoeve (hierna: de stichting) opgericht.
Volgens het handelsregister zijn activiteiten van de stichting:
A. Het ontvangen van Derdengelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van rechthebbenden[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn,
B. Het tijdelijk beheren van wat de stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbende[n] of degene[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn.
Bestuurders van de stichting zijn [oprichter 1 / voorzitter] (voorzitter), [appellante] (secretaris) van 10 januari 2011 tot 1 januari 2015 en [oprichter 2 / penningmeester] (penningmeester) van 10 januari 2011 tot 31 juli 2012 (zijn overlijden). In deze periode was [oprichter 2 / penningmeester] ook bestuurder (penningmeester) van de vereniging.
f. Tussen de vereniging en RBvV was meermalen discussie over het opschorten en afdragen van huurpenningen en contributies. Bij vonnis van 27 maart 2015 is de vereniging veroordeeld tot betaling aan RBvV van € 160.849,93 met rente en proceskosten.
g. Op 21 april 2015 heeft RBvV ten laste van de vereniging executoriaal derdenbeslag laten leggen onder ABN AMRO Bank. ABN AMRO Bank heeft verklaard dat de saldi van de vereniging op die datum € 7.675,93 bedroegen.
h. Vanaf de bankrekening van de vereniging zijn de volgende bedragen - in totaal € 240.000 - overgeboekt naar de rekening van de stichting:
€ 100.000 op 20 juli 2011 met een pas op naam van [oprichter 2 / penningmeester];
€ 50.000 op 1 juli 2013
€ 30.000 op 9 april 2014
€ 20.000 op 14 januari 2015
€ 20.000 op 22 februari 2015 en
€ 20.000 op 1 april 2015, telkens met een pas op naam van [oprichter 1 / voorzitter].
In totaal is een bedrag van € 42.000 teruggeboekt van de stichting naar de vereniging. De overige bedragen – in totaal € 198.000 – zijn niet teruggeboekt.
i. Op 28 juli 2015 heeft de vereniging ten laste van de stichting derdenbeslag laten leggen onder ABN AMRO Bank. ABN AMRO Bank heeft verklaard dat de saldi van de stichting op die datum € 568,99 bedroegen.
j. Op 15 december 2015 hebben de vereniging als cedent en RBvV als cessionaris, de akte van cessie getekend zoals geciteerd door de rechtbank onder 2.14. van het bestreden vonnis.
h. Bij brief van 15 december 2015 heeft RBvV mededeling van de cessie gedaan aan [appellante].
2.2.
In deze procedure heeft RBvV – voor zover in hoger beroep nog van belang – hoofdelijke veroordeling gevorderd van de stichting, [oprichter 1 / voorzitter] en [appellante] tot betaling van een bedrag van € 198.000, met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
2.3.
In de zaak tegen [appellante] heeft de rechtbank – na matiging – [appellante] veroordeeld tot betaling van € 50.000, met rente en kosten. Omdat zij niet voldoende zijn onderbouwd heeft de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.4.
Grief I komt er op neer dat de rechtbank meer en andere feiten had moeten vaststellen dan zij heeft gedaan. Voor zover er meer (dan de onder 2.1 vastgestelde) voor de beoordeling relevante feiten vast staan, blijkt daarvan uit de rechtsoverwegingen hieronder. Voor het overige behoeft de grief op deze plaats geen verdere bespreking.
2.5.
Als onderdeel van grief I (onder 3.23) heeft [appellante] aangevoerd dat zij een stuk onder ogen heeft gekregen, waaruit blijkt dat het bedrag van € 198.000 (inderdaad) niet is teruggeboekt, maar dat een bedrag van € 194.600 op 11 april 2015 in contanten door de vereniging is ontvangen van de stichting. [appellante] heeft ter onderbouwing hiervan een kopie van de gestelde kwitantie overgelegd.
2.6.
Het hof begrijpt dit verweer aldus dat [appellante] daarmee beoogt te stellen dat de door [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] aan de vereniging onttrokken bedragen tot het beloop van € 194.600 door contante betaling aan de vereniging zijn terugbetaald. Dit is een bevrijdend verweer waarvan de stelplicht en de bewijslast op [appellante] liggen.
2.7.
Dit verweer wordt verworpen. De overgelegde “kwitantie” (RBvV betwist deze) betreft een verklaring van [oprichter 1 / voorzitter], die geen partij is in deze procedure. Derhalve komt daaraan vrije bewijskracht toe. Naast de stelling dat deze “kwitantie” bewijst dat het geld is terugbetaald, heeft [appellante] niets anders gesteld dan deze “haar onder ogen is gekomen”. Daarmee is het verweer onvoldoende onderbouwd. Met name had van [appellante] verwacht mogen worden dat zij nader zou hebben verklaard onder welke omstandigheden en op welke wijze zij in het bezit is gekomen van dit stuk, waar dit uit afkomstig is (de administratie van de vereniging, de stichting of anders) en wat haar overigens bekend is omtrent de beweerde (contante) terugbetaling van het desbetreffende geldbedrag. Dat is met name van belang nu:
- niet in geschil is dat alle betalingen van gelden door de vereniging aan de stichting (vermeld onder h.) en ook de terugbetaling van € 42.000 door de stichting aan de vereniging via bankoverschrijvingen zijn verricht;
- niet blijkt uit de administratie van de vereniging dat deze het geld heeft ontvangen (hetgeen blijkt uit de correspondentie die de rechtbank onder 2.12. van de feiten noemt);
- op geen enkele wijze blijkt dat de stichting contante opnames heeft gedaan van haar bankrekening tot dit bedrag;
- het stuk (kennelijk) is opgesteld door [oprichter 1 / voorzitter], zonder dat daarbij (kennelijk) een andere bestuurder of andere betrokkene bij de vereniging (zoals een lid) een rol heeft gespeeld;
- de stichting, hoewel het volgens [appellante] een kwitantie zou zijn ten behoeve van de stichting, afgegeven door de vereniging, die tot bewijs kan dienen ter bevrijding van de stichting, deze kwitantie in eerste aanleg niet heeft overgelegd;
- uit het vonnis blijkt (rov 4.11) dat de stichting heeft gesteld dat [oprichter 1 / voorzitter], toen hij zijn functie als voorzitter van de vereniging heeft neergelegd, de volledige administratie heeft achtergelaten op het kantoor van de vereniging.
Nu tegen deze achtergrond het hier bedoelde verweer onvoldoende is toegelicht en geconcretiseerd, bestaat geen aanleiding [appellante] toe te laten tot het door haar aangeboden bewijs in de vorm van het horen van [oprichter 1 / voorzitter].
2.8.
Grief II komt er op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat RBvV vorderingsgerechtigde is ingevolge de cessie.
2.9.
Ingevolge art. 3:94 BW vindt de levering van een recht op naam plaats door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de debiteur door de vervreemder of verkrijger. De over te dragen vordering moet overeenkomstig art. 3:84, lid 2 BW in voldoende mate door de akte worden bepaald. Dit vereiste moet niet strikt worden uitgelegd. Het houdt niet in dat vordering in de akte steeds zelf moet zijn geïndividualiseerd. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.
2.10.
De akte vermeldt met betrekking tot de vordering(en) op [appellante]:
”dat [de vereniging] tevens vorderingen uit hoofde van (interne en/of externe) bestuurdersaansprakelijkheid en/of onverschuldigde betaling en/of een andere rechtsgrond op [oprichter 2 / penningmeester], zijnde oud bestuurder van [de vereniging] en bestuurder van de stichting en op mevrouw [appellante], zijnde oud-bestuurder van de stichting, hierna gezamenlijk te noemen ‘[oprichter 1 / voorzitter] c.s.’”;
dat [de vereniging] zijn voormelde vorderingen op de stichting en op [oprichter 1 / voorzitter] c.s. derhalve wenst over te dragen aan de RBvV, die bereid is deze cessie te aanvaarden;
1. De [vereniging] draagt bij deze zijn hierboven in de considerans omschreven reeds bestaande vorderingen op de stichting en op [oprichter 1 / voorzitter] c.s. (zowel op hen gezamenlijk als op elk individueel) over aan de RBvV (…)
2. De [vereniging] draagt tevens bij deze alle toekomstige vorderingen op de stichting en op [oprichter 1 / voorzitter] c.s. (zowel op hen gezamenlijk als op elk individueel) over aan de RBvV (…)
In de brief waarbij de cessie door RBvV aan [appellante] is meegedeeld is vermeld:
“Bij deze delen wij u mede dat we alle huidige en toekomstige vorderingen van V.T.V. De Beukhoeve op u op welke rechtsgrond en van welke grootte dan ook, hebben overgenomen van V.T.V. de Beukhoeve. (…)”
2.11.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat voor de bepaling van de inhoud van de akte van cessie niet slechts van belang is hetgeen uit de akte zelf blijkt, maar dat het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gegeven de tekst van de akte, waarin de naam van [appellante] is opgenomen en die verwijst naar vorderingen die de vereniging heeft uit interne en externe bestuursaansprakelijkheid op [oprichter 1 / voorzitter] en op [appellante] en ook omvat alle toekomstige vorderingen op welke rechtsgrond ook, is een redelijke uitleg dat de vereniging al haar vorderingen op [appellante] heeft willen overdragen op RBvV. Ook de vordering uit hoofde van interne aansprakelijkheid jegens haar, de vereniging. Verklaringen of gedragingen van partijen bij de cessieakte waaruit kan volgen dat de akte anders moet worden uitgelegd zijn gesteld noch gebleken.
Uit de mededeling die RBvV vervolgens aan [appellante] heeft gedaan, blijkt dat in ieder geval RBvV de overdracht zo heeft opgevat als hiervoor beschreven. Gelet op de bewoordingen van de mededeling had [appellante] dat als geadresseerde redelijkerwijs ook moeten behoren te begrijpen. Grief II faalt.
2.12.
De grieven III en IV komen er op neer dat de rechtbank bij het aannemen van aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW ten onrechte is voorbij gegaan aan de verweren van [appellante] dat zij geen kennis had van de overboekingen en dat de kascontrolecommissie van de vereniging een goedkeurende verklaring heeft afgegeven waarop door de algemene ledenvergadering decharge is verleend en dat haar derhalve geen verwijt kan worden gemaakt.
2.13.
Art. 2:9 BW regelt de interne aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon tegenover die rechtspersoon. Ingevolge lid 1 van dit artikel is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Voor aansprakelijkheid is vereist dat een ernstig verwijt kan worden gemaakt aan de desbetreffende bestuurder. Of in een bepaald geval sprake is van een ernstig verwijt dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997, 360).
2.14.
Binnen de vereniging zijn de financiële zaken een taakgebied van alle bestuurders, nu niet is gesteld of gebleken dat deze krachtens de wet of de statuten aan een of meer van de bestuurders waren toebedeeld. [appellante] is daarbij evenzeer verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken als de andere twee bestuurders, ook als zij zich daar niet feitelijk mee heeft bemoeid.
2.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat [oprichter 2 / penningmeester] en [oprichter 1 / voorzitter] (en niet [appellante]) vanaf de rekening van de vereniging de onder 2.1. sub h genoemde aanzienlijke bedragen hebben overgeboekt naar de rekening van de stichting. [appellante] heeft in ieder geval behoren te weten van de oprichting van de stichting omdat zij bij die oprichting als bestuurder is ingeschreven in het handelsregister. Haar verweer dat [oprichter 2 / penningmeester] en [oprichter 1 / voorzitter] haar buiten haar medeweten om als zodanig hebben inschreven wordt gepasseerd. Allereerst is dit in tegenspraak met haar verklaring ter comparitie in eerste aanleg waarop zij heeft verklaard dat zij overrompeld was door het verzoek bestuurder te worden van de stichting en al snel bedacht dat ze dat niet wilde. Voorts heeft RBvV er bij de comparitie van partijen in eerste aanleg op gewezen (onder overlegging van productie 11) dat bij inschrijving van een bestuurder, het handelsregister een handtekening en een kopie van een identiteitsbewijs vereist van deze persoon. [appellante] verzuimt toe te lichten hoe haar verklaring in eerste aanleg zich verhoudt tot haar opstelling in hoger beroep en hoe [oprichter 2 / penningmeester] en [oprichter 1 / voorzitter] zonder haar medeweten haar handtekening en een kopie van haar identiteitsbewijs hebben kunnen verkrijgen, terwijl een nadere toelichting wel van haar verwacht had mogen worden.
2.16.
Ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft [appellante] verklaard (en zij heeft dit in hoger beroep herhaald) dat [oprichter 2 / penningmeester] en [oprichter 1 / voorzitter] door de vereniging waren gevraagd om uit te zoeken hoe het kon dat er € 20.000 weg was, dat bleek dat de secretaris voor haar een dakloze was die geld bij elkaar probeerde te scharrelen en dat het [oprichter 2 / penningmeester] en [oprichter 1 / voorzitter] toen beter leek om een stichting op te richten zodat het bestuur van de vereniging niet over grote bedragen kon beschikken. Uit deze verklaring komt duidelijk naar voren dat [appellante] wist dat de stichting is opgericht om er grote bedragen geld van de vereniging naar toe over te hevelen, zonder dat daarvoor (toen nog) een (rechts)grond bestond. [appellante] betwist niet dat zij op de hoogte was van het feit dat [oprichter 1 / voorzitter] met RBvV was gebrouilleerd over de betaling van aan RBvV verschuldigde huurpenningen. Tegen die achtergrond had zij kunnen en moeten begrijpen dat [oprichter 1 / voorzitter], zolang hij bestuurder was van de vereniging en de stichting via deze weg gelden zou kunnen onttrekken aan de macht van de leden van de vereniging en van de schuldeisers, zoals RBvV.
Bovendien blijkt uit de verklaring van [appellante] dat de reden dat [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] haar vroegen om bestuurder van de stichting te zijn, was gelegen in de omstandigheid dat er een voltallig bestuur nodig was. [appellante] had zich behoren te realiseren dat zij, door in te stemmen met dit verzoek zonder vervolgens zicht te houden op de activiteiten van [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] met betrekking tot de financiën van de vereniging en de stichting, [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] de gelegenheid gaf om gelden van de vereniging over te maken naar de stichting, wat ook is gebeurd, en vervolgens het geld ook aan de stichting te onttrekken. Ook als zij al na 5 maart 2011 (de datum waarop zij, naar zij stelt, volgens de toezegging van [oprichter 1 / voorzitter] zou worden uitgeschreven als bestuurder van de stichting) geen enkele bemoeienis meer heeft gehad met de stichting, neemt dat niet weg, dat zij op de hoogte was van het bestaan daarvan en het doel van de oprichting.
Door [oprichter 1 / voorzitter] en [oprichter 2 / penningmeester] hun gang te laten gaan en geen openheid van zaken te geven aan de vereniging door het informeren van de algemene ledenvergadering, heeft [appellante] niet alles gedaan wat van haar als bestuurder kan worden verlangd. Daarmee heeft zij niet het inzicht getoond en de zorgvuldigheid betracht die had mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Dit kan haar worden verweten. Grief III faalt.
2.17.
Dat de kascommissie heeft verklaard dat de kas naar behoren is gevoerd en dat vervolgens door de ledenvergadering van de vereniging decharge is verleend, leidt niet tot een ander oordeel. In eerste aanleg heeft RBvV als productie 16 verklaringen overgelegd van B. Ferrari en F.M. Goutziers, waarin deze uitleggen dat de kascommissie de administratie van de vereniging heeft bekeken in het bijzijn en op aangeven van [oprichter 1 / voorzitter], dat geen bijzonderheden zijn aangetroffen en niet is opgevallen dat grote bedragen waren overgemaakt aan een stichting in de jaren 2012 - 2014, maar dat het mogelijk is dat er afschriften ontbraken. Voorts houden de verklaringen in dat als de betrokkenen zouden hebben gezien dat (grote) bedragen zijn overgemaakt aan de stichting, daar nader onderzoek naar zou zijn verricht en dat als duidelijk zou zijn geworden dat dat gebeurde om de gelden buiten het bereik van de vereniging of haar schuldeisers te houden, zij niet zouden hebben geadviseerd decharge te verlenen.
2.18.
Deze verklaringen heeft [appellante] niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Aangenomen moet daarom worden dat de leden van de kascommissie niet op de hoogte waren van de betalingen aan de stichting. Ten overvloede geldt dat indien al decharge zou zijn verleend, deze decharge zich niet kan uitstrekken tot zaken die onbekend waren voor de algemene ledenvergadering (vgl HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997, 360). Dat de algemene ledenvergadering op de hoogte was van het bestaan van de stichting en het overboeken van de litigieuze bedragen (en decharge heeft verleend), is niet (voldoende onderbouwd) gesteld. Grief IV faalt.
2.19.
Grief V komt er op neer dat aanleiding bestaat voor verdere matiging van de schadevergoeding tot een lager bedrag dan de door de rechtbank vastgestelde € 50.000.
2.20.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellante] haar taak als bestuurder niet naar behoren heeft vervuld en dat haar daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft in het vonnis de schadevergoeding, gelet op alle omstandigheden van het geval, gematigd tot € 50.000. Het hof verenigt zich met dit oordeel en de gronden (rov 4.28.) waarop dit berust. Voor verdere matiging ziet het hof in de door [appellante] aangevoerde argumenten geen grond. Dat zij is geschrokken van de veroordeling in eerste aanleg is geen reden tot matiging. Ook de omstandigheid dat € 50.000 voor haar een groot bedrag is, geeft onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van kennelijk onaanvaardbare gevolgen. De gelden die de stichting onder zich genomen heeft en heeft laten verdwijnen betroffen de lidmaatschapsgelden en de huurvergoedingen die de tuinders/leden aan de vereniging hebben afgedragen ten behoeve van RBvV en in verband met het gebruik van hun volkstuin. RBvV dient op haar beurt de huren af te dragen aan de gemeente Rotterdam. Tegen deze achtergrond is het niet kennelijk onaanvaardbaar als van de schade die is geleden tijdens het bestuurderschap van [appellante] van de vereniging door haarongeveer een derde wordt gedragen Grief V faalt.
2.21.
De grieven I tot en met V falen. De grieven VI, VII en VIII hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke bespreking. Het bestreden vonnis zal bekrachtigd worden. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Het bewijsaanbod van [appellante] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende - nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven - te worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:
  • -
    bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2017;

28-08-18

Toch vergaderen na afgezegde ALV


Rechtbank Midden-Nederland 27 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3685

In deze vergadering wordt een ALV afgezegd afgezegd door het bestuur, een paar uur voordat deze zou plaatsvinden. Op initiatief van kritische leden wordt er toch vergaderd (en wordt het bestuur afgezet /geschorst en nieuw bestuur benoemd). Is dit besluit geldig?
De rechtbank oordeelt niet. 
" Deze [vergadering] is weliswaar uitgeroepen door het bestuur, maar evenzeer weer afgezegd [...]. Dit brengt met zich dat voorshands moet worden aangenomen dat hij [A, de voorzitter] de ALV van 29 juni 2018 rechtsgeldig heeft kunnen afzeggen.
Nu evenmin gebleken is dat die bijeenkomst, als ware het een ALV, is opgeroepen op de wijze zoals in artikel 5.3.1. van de statuten  is bepaald [verzoek van 10% van de leden] en er geen vooraf bekend gemaakte agenda onder de leden is verspreid, is voorshands niet aannemelijk dat de bijeenkomst van 29 juni 2018 als een ALV heeft te gelden. Dit brengt tevens met zich dat de besluiten die op 29 juni 2018 zijn genomen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet als rechtsgeldig zijn aan te merken, hetgeen zowel geldt voor de benoeming van de leden van het interim bestuur, als de schorsing van [A] (en anderen) in afwachting van een besluit tot diens royement als lid van [de vereniging] ." 

De rechtbank overweegt ook, tamelijk opmerkelijk, dat alle benoemingen van bestuursleden op een eerdere (geldige) ALV ongeldig zijn, omdat er tijdens die ALV niet gestemd is (er waren precies genoeg kandidaten, namelijk 7 kandidaten; naast deze 7 personen bestond het bestuur nog uit de voorzitter A die al eerder gekozen was). 
" Er is volgens de notulen in het geheel niet gestemd over de benoeming van de zes leden die naast [A, de voorzitter] het bestuur zouden gaan vormen. Door [de vereniging] wordt wel volgehouden dat de verkiezing bij acclamatie heeft plaatsgevonden, maar voor dit standpunt is geen steun te vinden in de notulen van die vergadering en door [de kritische leden] is ter zitting uitdrukkelijk betwist dat de benoeming de instemming van de tijdens die vergadering aanwezige leden had. Desgevraagd heeft [A] ter zitting ook niet kunnen bevestigen dat er op enig moment tijdens de vergadering uitdrukkelijk is gevraagd of de benoeming van de overige zes bestuurders, naast [A] , ‘en bloc’ op de goedkeuring van de leden kon rekenen. Voorshands is dan ook aannemelijk dat het benoemingsbesluit vernietigbaar is nu het is tot stand gekomen in strijd met de statuten en hetgeen is bepaald in artikel 2:15 BW. " 

Daarom is volgens de rechter allen de voorzitter A geldig benoemd (op een nog eerdere ALV, waarbij wel gestemd is). 

Dat oordeel lijkt mij te hard in het licht van artikel 2:8 lid 2 BW (een in de statuten opgenomen regel is niet van toepassing, " voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.").


2.2.
In de statuten van [eiseres] zijn, onder meer, de volgende bepalingen opgenomen:
 HET BESTUUR
Artikel 4
4.1.1.
Het bestuur van de Vereniging wordt gevormd door een oneven aantal van minimaal vijf (5) en maximaal zeven (7) door de Algemene Ledenvergadering uit haar midden gekozen leden.

5.2.3.
Plaats en tijdstip van de Algemene Ledenvergadering wordt door het bestuur bepaald. […] Het bestuur draagt tevens zorg voor de oproeping van de leden door de toezending van convocaties onder bijsluiting van de agenda met bijbehorende stukken voor deze vergadering.
[…]
5.3.1.
Minimaal tien procent (10%) van de stemgerechtigde leden kunnen schriftelijk, met handtekeningen, aan het bestuur te kennen geven een Bijzondere Algemene Ledenvergadering bijeen te doen roepen.
Het bestuur is verplicht deze vergadering binnen drie (3) weken bijeen te roepen.

2.4.
In de notulen van de Algemene Ledenvergadering (hierna te noemen: ALV) van 27 maart 2018 staat, onder meer, het volgende:
 Bestuursverkiezing
7 leden hebben zich kandidaat gesteld en aangezien er eerder in de vergadering is vastgesteld dat het bestuur uit 7 leden mag bestaan, hoeft er niet gestemd te worden”.
2.5.
Het bestuur heeft een volgende ALV uitgeroepen voor 29 juni 2018. Een paar uur voor aanvang daarvan heeft het bestuur een e-mail naar de leden gestuurd dat de ALV geen doorgang zal vinden.
2.6.
Gedaagde sub 2 (hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ) heeft hierop het volgende e-mailbericht aan alle leden gestuurd:
“Geachte leden,

U heeft zojuist een mail ontvangen waarin de ALV wordt afgelast.

Ik zou hedenavond namens meer dan 20 medetuinders een punt van orde inbrengen wat heel erg belangrijk is. Dit heeft ermee te maken dat de vereniging geen legitiem bestuur heeft.

Om bovenstaande reden willen we u uitdrukkelijk verzoeken om vanavond om 20.00 uur naar de vereniging te komen. We komen bijeen bij de [locatie] . Wij zullen dan het hele verhaal uit de doeken doen.”