20 juni 2020

Ongeschreven eisen aan besluitvorming in vereniging

Kernpunten
  • De rechtbank legt uit welke (ongeschreven) eisen uit artikel 2:8 BW volgen voor de manier waarop een bestuur besluiten neemt.
  • “De eisen die aan de totstandkoming van een besluit worden gesteld, kunnen als volgt worden uitgewerkt. 
    • In de eerste plaats moet een besluit voldoende zorgvuldig worden voorbereid. 
    • Het bestuur moet de nodige kennis verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen.
    •  Het beginsel van hoor- en wederhoor speelt daarbij een rol: afhankelijk van de aard van het te nemen besluit en de in de statuten opgenomen procedures moeten de belanghebbenden bij dat besluit de gelegenheid krijgen tot inspraak.”
  • Ik merk op dat volgens mij ‘inspraak’ en hoor en wederhoor (geen streepje trouwens) twee verschillende beginselen zijn. Hoor en wederhoor zit vooral op situaties waarbij een lid beschuldigd wordt van ongepaste handelen. Inspraak ziek vooral op plannen en beleid.

  • Over de inhoud van besluiten:
  • “Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling dient het besluit te worden getoetst aan eisen van ‘subsidiariteit’ en ‘proportionaliteit’. 
    • Bij subsidiariteit gaat het om de vraag of het besluit nodig is om het beoogde doel te bereiken. 
    • Bij proportionaliteit gaat het om de vraag of de inhoud en voorziene gevolgen van dat besluit niet te verstrekkend zijn voor het bereiken van dat doel. 
  • Daarbij geldt dat het beoogde doel én de wijze waarop dat beoogde doel moet worden bereikt, in beginsel worden bepaald door [de vereniging] en haar bestuur. Het bestuur heeft daarbij de nodige beoordelingsvrijheid. 

  • Dan, over de manier waarop de rechter besluiten van een bestuur toetst in een rechtszaak: 
  • De (voorzieningen)rechter kan alleen beoordelen of de gedachtegang van het bestuur in redelijkheid te volgen is. 
    • Het gaat om de vraag of het bestuur het besluit heeft kunnen nemen bij een voldoende zorgvuldige voorbereiding en een te begrijpen inhoudelijke afweging. 
    • Aan de motivering van het besluit mogen niet te hoge eisen worden gesteld. 
    • Zo wordt niet zonder meer verlangd dat het bestuur alle tegenargumenten weerlegt. Het is aan het bestuur om een belangenafweging te maken. 
    • Het is alleen de taak van de [rechter] om de belangenafweging van het bestuur te controleren. Ingevolge vaste jurisprudentie dient daarbij terughoudendheid te worden betracht ”





Toetsingskader

4.2.

Aan de hand van het rechtspersonenrecht moet worden beoordeeld of sprake is van een nietig dan wel vernietigbaar besluit. Daarbij geldt dat in het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen. Het toetsingskader is neergelegd in de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW). In die artikelen is het bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon nietig is als dat besluit in strijd is met de wet of de statuten, tenzij de wet anders bepaald (2:14 BW). Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is vernietigbaar wegens (i) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (ii) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist en strijd met een reglement (2:15 BW).

4.3.

De eisen die aan de totstandkoming van een besluit worden gesteld, kunnen als volgt worden uitgewerkt. In de eerste plaats moet een besluit voldoende zorgvuldig worden voorbereid. Het bestuur moet de nodige kennis verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het beginsel van hoor- en wederhoor speelt daarbij een rol: afhankelijk van de aard van het te nemen besluit en de in de statuten opgenomen procedures moeten de belanghebbenden bij dat besluit de gelegenheid krijgen tot inspraak.

4.4.

Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling dient het besluit te worden getoetst aan eisen van ‘subsidiariteit’ en ‘proportionaliteit’. Bij subsidiariteit gaat het om de vraag of het besluit nodig is om het beoogde doel te bereiken. Bij proportionaliteit gaat het om de vraag of de inhoud en voorziene gevolgen van dat besluit niet te verstrekkend zijn voor het bereiken van dat doel. Daarbij geldt dat het beoogde doel én de wijze waarop dat beoogde doel moet worden bereikt, in beginsel worden bepaald door Noorderlandmelk en haar bestuur. Het bestuur heeft daarbij de nodige beoordelingsvrijheid. De (voorzieningen)rechter kan alleen beoordelen of de gedachtegang van het bestuur in redelijkheid te volgen is. Het gaat om de vraag of het bestuur het besluit heeft kunnen nemen bij een voldoende zorgvuldige voorbereiding en een te begrijpen inhoudelijke afweging. Aan de motivering van het besluit mogen niet te hoge eisen worden gesteld. Zo wordt niet zonder meer verlangd dat het bestuur alle tegenargumenten weerlegt. Het is aan het bestuur om een belangenafweging te maken. Het is alleen de taak van de (voorzieningen)rechter om de belangenafweging van het bestuur te controleren. Ingevolge vaste jurisprudentie dient daarbij terughoudendheid te worden betracht (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145).

Concl AG: nietig / vernietigbaar

Kernpunt

  • Dit is een 'conclusie' van de 'advocaat-generaal' en geen uitspraak van een rechter. “De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat advies al dan niet te volgen.” De Hoge Raad heeft in dit geval het advies gevolgd.
  • Een besluit van een orgaan van een vereniging dat ongeldig is, kan nietig zijn, of vernietigbaar. Daartussen zitten belangrijke verschillen.
  • “Anders dan een nietig besluit is een vernietigbaar besluit daardoor weliswaar vernietigbaar, maar niettemin rechtsgeldig totdat het door de rechter wordt vernietigd, áls dat gebeurt (wat in de praktijk lang niet altijd het geval is) met inachtneming van de daarvoor geldende regels”.
  • Vernietiging kan alleen door de rechter, op verzoek van de vereniging zelf of van iemand die er belang bij heeft. De rechtszaak om een vernietiging te krijgen, moet worden ingesteld binnen 1 jaar nadat het besluit kort gezegd bekend is gemaakt.
  • Artikel 2:14 bepaalt dat : “Is een besluit nietig, omdat het is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, dan kan het door die ander worden bekrachtigd. ”. 
  • Deze zinsnede moet als volgt worden uitgelegd: “Wat deze voorbeelden illustreren, is dat het bij wettelijke of statutaire bepalingen als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW (en de aldus vereiste betrokkenheid van de ander voorafgaand aan het betreffende besluit van het betreffende orgaan) typisch gaat om specifieke regelingen voor bepaalde besluiten van een orgaan van een rechtspersoon, niet om generieke regelingen die (vrijwel) alle besluiten van een orgaan bestrijken. Dit past bij de gedachte dat art. 2:14 lid 2 BW, zoals het in de literatuur wel wordt uitgedrukt, is geschreven voor de gevallen waarin een orgaan voor het uitoefenen van een bepaalde bevoegdheid (het nemen van een bepaald besluit) op grond van de wet of de statuten is aangewezen op de medewerking of het medeweten van een ander. Daarmee strookt de ook in de literatuur te vinden observatie dat art. 2:14 lid 2 BW is beperkt tot een bekrachtiging van een besluit door een ander die in de wet of de statuten specifiek is aangewezen om rechtstreeks invloed uit te oefenen op het betreffende besluit.”



ECLI:NL:PHR:2020:111

Zaak gaat over een BV
Arrest HR ECLI:NL:HR:2020:832 (Art. 81 RO).
Arrest hof ECLI:NL:GHSHE:2018:4876

Overweging hof:


" Het hof stelt voorop dat artikel 16 lid 4 van de statuten de aandeelhoudersvergadering van [appellante] de bevoegdheid geeft om tot het ontslag van de statutair bestuurder te besluiten. Vast staat in dit geval dat voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering, zo daartoe een oproeping is verstuurd, niet de oproepingstermijn van veertien dagen in acht is genomen (artikel 23 lid 2 van de statuten van [appellante] ) en dat evenmin de te behandelen onderwerpen zijn vermeld (artikel 22 lid 4 van de statuten van [appellante] ). Volgens artikel 2:227 lid 7 BW heeft de bestuurder het recht om zijn raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering te geven en vast staat dat dit niet is gebeurd (artikel 2:227 lid 7 BW). Dit laatste voorschrift stemt overeen met artikel 23 lid 5 van de statuten van [appellante] ."

" Naar het oordeel van het hof gaat het bij de door [geïntimeerde] bedoelde schending van wettelijke en statutaire bepalingen om bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW, waarbij geen sprake is van een schending als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW. Aldus is sprake van een vernietigbaar (ontslag)besluit. Het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering vindt zijn grondslag in artikel 2:8 BW, waarbij ook [geïntimeerde] ervan uitgaat dat het nalaten hiervan reden is voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voor zover [geïntimeerde] nog stelt dat zij het ontslagbesluit heeft vernietigd bij brief van 11 augustus 2017 van haar advocaat, is van belang dat artikel 2:15 lid 3 BW voorschrijft dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank. Buitengerechtelijke vernietiging is niet mogelijk. Dit betekent dat op en na 17 juli 2017 sprake is geweest van een weliswaar vernietigbaar maar niet vernietigd en daarom vooralsnog als geldig te beschouwen ontslagbesluit, zodat (ook) de vordering onder I in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen."

14 juni 2020

Bestuurders persoonlijk aansprakelijk

Kernpunten
  • In deze zaak zijn de bestuursleden van een huurdersvereniging elk persoonlijk aansprakelijk voor het niet nakomen van een samenwerkingsovereenkomst met de woningbouwcooperatie. De bestuursleden worden elk verooordeeld tot het betalen van € 110.482.
  • De bestuursleden waren 'niet verschenen' in de procedure. Ze hadden dus geen verdediging gevoerd. Ze kunnen nog bezwaar maken als kort gezegd de deurwaarder op de stoep staat met het vonnis.
  • Deze uitspraak is een vervolg op deze eerdere uitspraak. In die eerdere uitspraak had de rechter geoordeeld dat "door [de] voorzitter, twee zogeheten verantwoordingsdocumenten zijn vervalst en er gebruik werd gemaakt van twee resultatenrekeningen, een voor intern gebruik en de ander voor extern gebruik. Ook is erkend dat er “zaken buiten de boeken” werden gehouden. ".
  • N.B. niet alleen de voorzitter wordt veroordeeld, maar in wezen alle bestuursleden die niet hadden geschikt met de woningbouwcooperatie.





De beoordeling

2.1.

De procedure zal tegen de verweerders 2, 4, 5 en 6 (door Stichting Viverion in haar

laatste akte aangeduid als verweerders 1 tot en met 4) worden geroyeerd.

2.2.

Door mr. Van Zutphen is in zijn laatste akte betoogd dat uit de

vaststellingsovereenkomst die Stichting Viverion heeft gesloten met verweerders 2, 4, 5 en 6

volgt dat er een “integrale streep” onder de procedure zou worden gezet en jegens alle

verweerders zou worden geroyeerd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In de eerste

plaats geldt dat mr. Van Zundert in deze procedure enkel optreedt namens verweerder sub.

6, [verweerder sub 6]. Gesteld noch gebleken is dat hij in deze procedure bevoegd is de overige

verweerders te vertegenwoordigen. Voorts blijkt uit de overgelegde

vaststellingovereenkomst niet dat verweerders 1, 3 en 7 partij zijn bij die overeenkomst

noch dat de wel bij deze overeenkomst betrokken verweerders die overeenkomst zijn

aangegaan mede namens de verweerders 1, 3 en 7.

2.3.

Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of

ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

2.4.

Verweerders 1, 3 en 7 zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de

proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Viverion worden

begroot op:

- griffierecht 3.946,00

- salaris advocaat 5.121,00 (3 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 9.067,00

3De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van verweerders 2, 4, 5 en 6

3.1.

royeert de procedure

ten aanzien van verweerders 1, 3 en 7

3.2.

verklaart voor recht dat de Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1) tekort

is geschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst jegens Stichting Viverion

en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de dientengevolge door haar geleden en te lijden

schade;

3.3.

veroordeelt de Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1) tot betaling van

schadevergoeding aan Stichting Viverion ten belope van € 110.482,00, te vermeerderen met

de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van algehele voldoening;

3.4.

verklaart voor recht dat [verweerder sub 3] (verweerder sub. 3) en

[verweerder sub 7] (verweerder sub. 7) onrechtmatig jegens Stichting Viverion hebben gehandeld

door actieve bijdrage te leveren aan de vervalsing van jaarstukken en

verantwoordingsdocumenten, onbehoorlijke bestuur, het nalaten van controleren

van de boekhouding en het voeren van een dubbele boekhouding en het

onrechtmatig besteden van de financiële bijdragen als gevolg waarvan Stichting Viverion

schade heeft geleden,

3.5.

veroordeelt [verweerder sub 3] (verweerder sub. 3) en [verweerder sub 7]

(verweerder sub. 7) hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding aan Stichting Viverion ten

belope van € 110.482,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

dagvaarding tot de datum van algehele voldoening; met dien verstande dat als de ene partij -

waaronder mede wordt begrepen Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1) - betaalt

de andere daarvan is bevrijd,

3.6.

verklaart voor recht dat Stichting Viverion rechtmatig haar financiële bijdrage voor

het jaar 2018 heeft opgeschort overeenkomstig artikel 11 lid 14 van de

samenwerkingsovereenkomst,

3.7.

veroordeelt Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1), [verweerder sub 3]

(verweerder sub. 3) en [verweerder sub 7] (verweerder sub. 7) hoofdelijk om de

kosten van het onderzoek van [naam 1] te voldoen aan Stichting Viverion op grond van

artikel 6:96 lid 2 sub b BW, een bedrag groot € 17.609,71, vermeerderd met de wettelijke

rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

3.8.

veroordeelt Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1), [verweerder sub 3]

(verweerder sub. 3) en [verweerder sub 7] (verweerder sub. 7) hoofdelijk in de

proceskosten, aan de zijde van Stichting Viverion tot op heden begroot op € 9.067,00,

vermeerderd met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat,

te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Huurdersvereniging Lochem (verweerder sub. 1),

[verweerder sub 3] (verweerder sub. 3) en [verweerder sub 7] (verweerder sub. 7)

niet binnen 7 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens

betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris

advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de

wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag

na dagtekening van dit vonnis,

3.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de

verklaringen voor recht zoals uitgesproken bij de overwegingen 3.2., 3.4. en 3.6.,

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

5 juni 2020

Competitie en corona

Kernpunten
  • De rechter laat het besluit van de KNVB in stand.
  • “Dat Cambuur en De Graafschap nu schade lijden en de KNVB hen hier niet voor compenseert, maakt niet dat het beluit wat inhoud betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid [van artikel 2:8 BW]. Deze situatie is veroorzaak door een coronapandemie waaraan niemand iets aan kon doen. Uitgangspunt is dan dat de schade moet worden gedragen door degene die het lijdt.
  • “Het bestuur is dus binnen de bandbreedte gebleven die vooraf gecommuniceerd is. Van een gebrekkige procedure, die vernietiging van het besluit zou rechtvaardigen, is daarom geen sprake geweest. ”

ECLI:NL:RBMNE:2020:1851


3De beoordeling van het geschil

Verbod om uitvoering te geven aan het promotie- en degradatiebesluit en de daarmee verband houdende vorderingen die ertoe strekken dat Cambuur en De Graafschap promoveren, althans dat een nieuw besluit wordt genomen over promotie en degradatie

3.1.
Eerst zullen het gevorderde verbod om uitvoering te geven aan het promotie- en degradatiebesluit en de en de daarmee verband houdende vorderingen die ertoe strekken dat Cambuur en De Graafschap promoveren, althans dat een nieuw besluit over promotie- en degradatie wordt genomen, worden besproken. Deze vorderingen zullen, zoals hierna zal worden uitgelegd, worden afgewezen, omdat het niet aannemelijk is dat het promotie- en degradatiebesluit ongeldig is.

Grondslag en toetsingskader
3.2.
Cambuur en De Graafschap leggen aan de vorderingen ten grondslag dat het promotie- en degradatiebesluit nietig of vernietigbaar is.
3.3.
Aan de hand van het rechtspersonenrecht moet worden beoordeeld of dit zo is. Daarbij geldt dat in het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen. Het toetsingskader is neergelegd in de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW).
In die artikelen is het volgende bepaald:
- Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is nietig als dat besluit in strijd is met de wet of de statuten, tenzij de wet anders bepaald (2:14 BW)

23 mei 2020

Opzegging lidmaatschap; veiligheid terecht vooropgesteld

Kernpunten.
Dit is een belangrijke uitspraak waarbij een vereniging (de KNVB; de bond) zegt het lidmaatschap op van een lid (een voetbalclub, DSWV) op grond van, in wezen, het waarborgen van (fysieke) veiligheid.

De rechtbank: “De eisen die aan de totstandkoming van een besluit [in het bijzonder tot opzegging van het lidmaatschap] worden gesteld, kunnen als volgt worden uitgewerkt. 
  • In de eerste plaats moet een besluit voldoende zorgvuldig worden voorbereid. 
  • Het bestuur moet de nodige kennis verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen.
  • Het beginsel van hoor- en wederhoor speelt daarbij een rol: afhankelijk van de aard van het te nemen besluit en de in de statuten opgenomen procedures moeten de belanghebbenden bij dat besluit de gelegenheid krijgen tot inspraak.”
Over de rol van 'subsidiariteit' en 'proportionaliteit':
“Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling wijst  [het lid] terecht op de eisen van ‘subsidiariteit’ en ‘proportionaliteit’. 
  • Bij subsidiariteit gaat het om de vraag of het besluit nodig is om het beoogde doel te bereiken. 
  • Bij proportionaliteit gaat het om de vraag of de inhoud en voorziene gevolgen van dat besluit niet te verstrekkend zijn voor het bereiken van dat doel. 
  • Daarbij geldt dat het beoogde doel én de wijze waarop dat beoogde doel moet worden bereikt, in beginsel worden bepaald door de vereniging en het bestuur. Het bestuur heeft daarbij de nodige beoordelingsvrijheid. ”

Over de manier waarop de rechter het besluit toetst:
  • De rechter kan alleen beoordelen of de gedachtegang van het bestuur in redelijkheid te volgen is. 
  • Het gaat om de vraag of het bestuur het besluit heeft kunnen nemen bij een voldoende zorgvuldige voorbereiding en een te begrijpen inhoudelijke afweging. 
  • Aan de motivering van het besluit mogen niet te hoge eisen worden gesteld. Zo wordt niet zonder meer verlangd dat het bestuur alle tegenargumenten weerlegt. 
  • Het is aan het bestuur om een belangenafweging te maken. Het is alleen de taak van de rechter om de belangenafweging van het bestuur te controleren. De rechter moet dus terughoudend zijn.
Over de rol en het belang van ‘veiligheid’ in het verenigingsrecht:
  • “Het is niet alleen te begrijpen, maar ook terecht dat de KNVB de veiligheid vooropstelt.”
  • “Overigens moet [het lid, zelf ook een vereniging] ook zonder waarschuwing [...] begrijpen dat zij de veiligheid moet waarborgen. Het zou niet nodig moeten zijn dat een ander haar dat vertelt.”
  • “[Het lid] heeft (terecht) niet weersproken dat de [de vereniging, de KNVB] ervoor mag en moet zorgen dat de veiligheid op en rondom het voetbalveld door de clubs (preventief) wordt bewaakt. ”
  • De opzegging van het lidmaatschap is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel. “Het bondsbestuur beschouwt de opzegging echter niet als straf, maar als maatregel die nodig is met het oog op het (acute) belang van veiligheid. Daarbij gaat het niet om het gedrag van individuele spelers, maar om de vraag of [het lid] individuele spelers én toeschouwers voldoende in het gareel kan houden”; de rechtbank neemt deze analyse over. “Omdat het opzeggingsbesluit niet is bedoeld om [het lid] of spelers te straffen, is het niet aan de rechter om te beoordelen of [het lid] en haar spelers ‘voldoende zijn gestraft’. De vraag waar het in dit kort geding wel over gaat is of de inschatting van het bondsbestuur dat [het lid] de veiligheid op en rond het veld niet kan waarborgen, zorgvuldig tot stand gekomen. ”. Impliciet is dus, als het antwoord op die vraag 'ja' is (het lid kan de veiligheid  niet waarborgen), de opzegging geldig. 

ECLI:NL:RBMNE:2020:1835

3De beoordeling

Inleiding

3.1.
Dit kort geding gaat over de vraag of het opzeggingsbesluit, naar voorlopig oordeel, in stand kan blijven. Het antwoord is ‘ja’. Hierna zal worden uitgelegd hoe de voorzieningenrechter tot deze conclusie is gekomen.
Toetsingskader
3.2.
Voordat kan worden toegekomen aan de beoordeling van het opzeggingsbesluit, zal eerst worden ingegaan op het toetsingskader. De wet en de rechtspraak bepalen hoe de rechter het opzeggingsbesluit moet beoordelen.1 [ ECLI:NL:RBMNE:2020:1083] 
3.3.
Het opzeggingsbesluit is een opzegging van het lidmaatschap door de vereniging in de zin van artikel 2:35 lid 1 onder c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zo’n opzegging is volgens artikel 2:35 lid 2 BW mogelijk als “redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren”. Diezelfde norm is ook opgenomen in artikel 10 lid 3 van de statuten van de KNVB (productie 16 van DWSV). DWSV vindt dat het opzeggingsbesluit op grond van artikel 2:15 onder b BW vernietigbaar is omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Artikel 2:15 onder b BW verwijst naar het eerste lid van artikel 2:8 BW.2 [ECLI:NL:PHR:2019:1178, punt 3.25Daarin wordt bepaald, voor zover dat hier relevant is, dat een vereniging en degenen die op grond van de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich tegenover elkaar moeten gedragen in lijn met ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’. Het gaat dan om de totstandkoming van het besluit en om de inhoud daarvan. Het bestuur moet dus de redelijkheid en billijkheid bij haar besluitvorming in acht nemen en kan alleen het lidmaatschap opzeggen als het voortduren daarvan in redelijkheid niet van de vereniging kan worden gevraagd.
3.4.
De eisen die aan de totstandkoming van een besluit worden gesteld, kunnen als volgt worden uitgewerkt.
In de eerste plaats moet een besluit voldoende zorgvuldig worden voorbereid.
Het bestuur moet de nodige kennis verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het beginsel van hoor- en wederhoor speelt daarbij een rol: afhankelijk van de aard van het te nemen besluit en de in de statuten opgenomen procedures moeten de belanghebbenden bij dat besluit de gelegenheid krijgen tot inspraak.

21 mei 2020

Terughoudende toetsing

Kernpunten

  • Dit is een uitspraak van de Hoge Raad over een B.V uit 2013. De uitspraak is echter ook van belang voor het verenigingsrecht.
  • De Hoge Raad overweegt dat “de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen”.
  • De Hoge Raad overweegt ook dat: “uitwerking van deze zorgvuldigheidsplicht [van art. 2:8 BW] zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval”.




ECLI:NL:HR:2013:BZ9145

Onderdeel 4 betoogt dat besluit A op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietigbaar is op de grond dat de vergadering van houders van prioriteitsaandelen in strijd met de door art. 2:8 BW gevorderde redelijkheid en billijkheid niet alle in aanmerking komende belangen tegen elkaar heeft afgewogen.
3.4.2
De in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, brengt onder meer mee dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van deze zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer in aanmerking mag worden genomen dat sprake is van minderheidsaandeelhouders en meerderheidsaandeelhouders (vgl. HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, Zwagerman). Nu de houders van prioriteitsaandelen grootaandeelhouder waren in de algemene vergadering van gewone aandeelhouders die op 3 juli 2008 besluit B nam, neemt onderdeel 4.3 terecht tot uitgangspunt dat zij bij het nemen van besluit A de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de belangen van minderheidsaandeelhouders zoals VEB c.s. moesten betrachten.
3.4.3
Dit laat echter onverlet dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Het hof heeft deze terughoudendheid in de hiervoor in 3.2.3 weergegeven rov. 3.26-3.27 met juistheid vooropgesteld. De onderdelen 4.1 en 4.2 betogen weliswaar dat de door het hof in rov. 3.27 vermelde maatstaf onjuist is, maar bestrijden – terecht – niet de juistheid van de in rov. 3.26 neergelegde maatstaf. Hetgeen in rov. 3.27 is overwogen is een uitvloeisel van die maatstaf. De onderdelen 4.1 en 4.2 falen dus.

17 mei 2020

Naar wie moet een vereniging redelijk zijn onder art .2:8?

Kernpunten

  • Dit is een 'conclusie van de advocaat-generaal' (AG) en geen uitspraak van een rechter. De conclusie is wel van praktisch belang, omdat rechtbanken ernaar verwijzen in uitspraken (voorbeelden volgen t.z.t).
  • De |AG overweegt dat ook oud-leden kunnen vallen onder art. 2:8 BW. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan een vereniging dus verplicht zijn om zich redelijk en billijk op te stellen naar een oud-lid.
  • Hoe 'persoonlijker' de vereniging, hoe zorvuldiger de vereniging en de leden zich naar elkaar moeten opstellen. “Het ligt in lijn daarmee voor de hand dat naarmate de verhoudingen binnen de rechtspersoon een meer persoonsgebonden karakter hebben en minder anoniem zijn, die zorgvuldigheidsplicht – en meer in het bijzonder de norm dat betrokkenen zich mede moeten laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van de overigen – in gewicht toeneemt”
  • " leden [] jegens de vereniging [], en ook onderling, op hun beurt evenzeer gehouden zijn zich als zodanig te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW wordt gevorderd.75 Hetzelfde geldt logischerwijs voor andere personen dan leden []  die, in de omstandigheden van het geval, onder het bereik van art. 2:8 BW vallen.”
  • De rechter heeft het laatste woord over wat redelijk en billijk is. “Het voorgaande maakt genoegzaam duidelijk dat (een orgaan van) een rechtspersoon bij het nemen van een besluit rechtens niet het laatste woord heeft of dat besluit voldoet aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid in dat geval vordert op grond van art. 2:8 lid 1 BW, nu dit laatste toetsbaar is in rechte, bijvoorbeeld in het kader van art. 2:15 BW op vordering van een persoon als bedoeld in art. 2:15 lid 3 sub a BW, zoals een lid [].”
  • " de mogelijkheid voor een rechtspersoon om via een orgaan en aanwending van stemrechten daarbinnen besluiten te nemen, geeft een ‘in beginsel’ vrijheid daartoe. Een vrijheid die mede begrensd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de bescherming die betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:8 BW daaraan kunnen ontlenen, zo nodig in rechte en bijvoorbeeld via art. 2:15 lid 1 sub b BW (waarbij ook een bepaling als art. 3:53 lid 2 BW kan spelen die verder maatwerk mogelijk maakt, waarover de behandeling van subonderdeel 1.3). Zou het anders zijn, dan zou een reëel gat ontstaan in de rechtsbescherming binnen het rechtspersonenrecht"




ECLI:NL:PHR:2019:1178



3.12
Voor zover het subonderdeel neerkomt op een flankerend betoog bij subonderdeel 1.2 inhoudend dat het verweer van de VD als bedoeld in het subonderdeel en subonderdeel 1.2 “terecht” is voorgesteld, en de VD (dan ook) belang heeft bij alsnog behandeling van dat verweer, merk ik op dat dat betoog geen stand houdt, ook indien het hof dat verweer niet zou hebben onderkend. Dit reeds, omdat dat verweer ook blijkens het subonderdeel en subonderdeel 1.2 is gestoeld op toepassing van een harde regel die geen steun vindt in het recht.
In de kern beroept de VD zich op een {vermeende, PJL} regel die meebrengt dat nu [verweerder] ten tijde van het wijzigingsbesluit VD ex-VD lid was, hij in dit geval jegens de VD ‘dus’ geen rechten kan ontlenen aan art. 2:8 BW. Of in andere woorden, aansluitend bij het subonderdeel: “dergelijke personen (ex-leden) behoren [niet] tot de door de wetgever beperkte ‘kring van personen’ die een beroep op artikel 2:8 BW kunnen doen”, oftewel “[verweerder] [kan] geen rechten ontlenen aan artikel 2:8 BW, als zijnde niet lid van de VD”.31 Daarmee miskent de VD de reikwijdte van art. 2:8 BW.