17-08-18

Besluit vereist statutaire basis

Rechtbank Midden-Nederland 11 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3056

Deze zaak gaat over een bungalowparkvereniging (boek 2 BW vereniging). De vereniging heeft een besluit genomen over de manier waarop een lid mag parkeren op zijn eigen perceel. Het perceel is gelegen op dat park (c.q. het complex); het lid is eigenaar van het perceel. De rechter oordeelt dat dit besluit nietig is.

De rechtbank stelt vast dat de Vereniging met het Besluit voorwaarden heeft opgelegd aan [het lid] waaronder hij gebruik mag maken van zijn eigendomsrecht. Artikel 2:14 lid 1 BW vereist dat ieder besluit van een vereniging een statutaire basis moet hebben. Een besluit dat zonder statutaire basis een verbintenis aan een lid oplegt, is nietig (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:120).


De rechtbank stelt vast dat de Vereniging op basis van de Statuten beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van (het gebruik van) het [gezamenlijke] binnenterrein. Uit de Statuten volgt immers dat het doel van de Vereniging is om – [kort gezegd] – het binnenterrein te onderhouden en te beheren. Mogelijk kan de Vereniging dus ten aanzien van het binnenterrein parkeerbeleid bepalen, zoals zij ook heeft gedaan in het huishoudelijk reglement. Het Besluit stelt echter voorwaarden aan het gebruik van het Perceel []Uit de Statuten noch het huishoudelijk reglement blijkt dat de Vereniging de beslissingsbevoegdheid heeft om besluiten te nemen waarmee (onjuist) gebruik van eigendom van haar leden (zoals het Perceel) wordt gereguleerd.
Het voorgaande brengt met zich dat het Besluit geen statutaire basis heeft en daarmee op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig is." 



2De feiten

2.1.
[achternaam] heeft bij koopovereenkomst van 11 januari 2007 (hierna: de koopovereenkomst) een perceel grond met daarop een woonhuis aan het adres [straatnaam 1] [nummeraanduiding] te [woonplaats] gekocht (hierna: het Perceel) met daarbij twee appartementsrechten ter zake van nabij gelegen (ondergrondse) parkeerplaatsen (hierna: de Appartementsrechten). Het Perceel maakt – samen met 27 andere woningen – onderdeel uit van het gebied ‘ [naam] ’.
2.2.
Bij oprichtingsakte van 12 februari 2007 (hierna: de oprichtingsakte) is de Vereniging opgericht. In de statuten van de Vereniging (hierna: de Statuten) die in de oprichtingsakte zijn neergelegd, is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“(…)
het project:
het bouwplan genaamd “ [naam] ”, bestaande uit onder meer achtentwintig (28) eengezinswoningen, een binnengebied met weg en voetpad te [plaatsnaam] , [straatnaam 2] , alsmede het recht van opstal van het perceel grond met stallingsgarage met daarin drieëndertig (33) auto-opstalplaatsen en acht (8) bergingen (…)
het terrein
het tot gemeenschappelijk gebruik bestemde binnengebied aan de [straatnaam 2] te [plaatsnaam] , kadastraal bekend (…), met alle daarop en daarin aanwezige en daartoe behorende voorzieningen (…).
De vereniging heeft ten doel:
het in eigendom verkrijgen, beheren, onderhouden, instandhouden en zodanig vernieuwen van het terrein. (…)”.
2.3.
Bij akte van levering van 30 maart 2007 zijn het Perceel en de Appartementsrechten aan [achternaam] geleverd. Het Perceel is belast met een recht van vruchtgebruik ten behoeve van [eiseres sub 3] . [eiseres sub 3] is de moeder van [achternaam] en de feitelijk bewoner van het woonhuis.

10-08-18

Kerkelijke rechtspersoon of stichting?


Rb. Amsterdam 18  juli 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4933

Bij wijze van uitzondering, geen uitspraak over een vereniging, maar een verwijzing naar een uitspraak over een stichting. De stichting zou volgens het Bisdom van de R.K. Kerk een kerkelijke rechtspersoon zou zijn, meer in het bijzonder een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW. De rechtbank wijdt uitgebreide overwegingen aan deze vraag, en oordeelt dat de stichting dat  niet is, ondanks dat de statuten dat met zoveel woorden bepalen (de statuten hebben namelijk ook een considerans, die dat tegenspreekt). 

De zaak gaat echter eigenlijk om het besluit van de Bisschop om nieuwe bestuurders te benoemen. De Bisschop constateert namelijk dat hij volgens de statuten de benoeming van bestuurders moet bekrachtigen, en dat hij dit voor alle huidige bestuurders niet heeft gedaan (en ook niet geweigerd, er werd simpelweg al jaren  niet om bekrachtiging gevraagd). Daarom zijn er geen geldig benoemde bestuursleden, volgens de Bisschop, en maakt hij van zijn in de statuten toegekende recht gebruikt, om bij ontstentenis van bestuursleden, een nieuw bestuur aan te stellen. De rechtbank volgt dit betoog niet. De Bisschop heeft namelijk zijn recht op bekrachtiging verwerkt, door er geen gebruik van te maken. Volgens mij wordt het leerstuk van rechtsverwerking slechts bij hoge uitzondering toegepast in het Nederlands recht. De vervaltermijn van 1 jaar voor een beroep op vernietigbaarheid van besluiten (artikel 2:15 lid 5 jo. lid 1 sub a BW) lijkt mij eenvoudiger (addendum 18.08.2018: artikel 2:15 is van toepassing, omdat reeds besloten was dat de Stichting geen onderdeel was van een kerkgenootschap)
Omdat de benoeming van de zittende bestuursleden dus niet ongeldig was, was het niet zo dat er geen bestuursleden meer in functie waren, en had de Bisschop de nieuwe bestuursleden dus niet mogen benoemen. Daarmee zijn de concrete vorderingen afgedaan. 

Het belang van de voorvraag, of de Stichting een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap  is, lijkt overigens te zijn dat dergelijke 'zelfstandige onderdelen' worden geregeerd door hun eigen statuut (artikel 2:2 lid 2, eerste zin BW). Onder 'statuut'  moet worden begrepen "het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen", volgens de rechtbank, waaronder in dit geval de statuten van de Stichting alsmede het Kerkelijk Wetboek (Codex Iuris
A
ddendum 18.08.2018: Omdat de Stichting geen onderdeel is van een kerkgenootschap, kan de rechtbank in rov. 4.27 constateren dat aan het vereiste van nietigheid onder artikel 2:14 BW niet voldaan is; indien de Stichting wel een onderdeel was van een kerkgenootschap, dan had niet artikel 2:14 BW bepaalt of de eerdere benoemingen ongeldig waren, maar (in beginsel) kerkelijk recht. 

De rechtbank overweegt vervolgens (in rov. 4.27), dat bij de beoordeling van de (on)geldigheid van de benoemingen zonder bekrachtiging door de Bisschop, "dat hetgeen in de kerkelijke procedure is bepaald niet bindend is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de benoemingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is, is evenmin komen vast te staan dat partijen zich hebben geconformeerd aan de kerkelijke rechtsgang." 
Vermoedelijk wordt in die tweede zin bedoeld dat de Stichting (het Maagdenhuis) niet gebonden is aan de kerkelijke rechtsgang, omdat het Bisdom zich niet kan beroepen op artikel 2:2 lid 2, eerste zin, omdat niet is komen vast te staan dat de Stichting een (onzelfstandig) onderdeel van de R.K. Kerk als kerkgenootschap is (en het Bisdom de bewijslast daarvoor heeft). Indien de rechtbank 'geconformeerd hebben'  gebruikt in de zin van 'ingestemd hebben' met de kerkelijke rechtsgang (dus een vorm van arbitrage), dan is het al dan niet zijn van zelfstandig onderdeel natuurlijk niet relevant voor het (niet) feitelijk ingestemd hebben met die rechtsgang. M.a.w., zelfs als het Maagdenhuis een gewone Stichting is, dan kan het alsnog zo zijn dat het (feitelijk) ingestemd heeft met de kerkelijke rechtsgang, en daaraan op die grond (instemming) gebonden is. 


De feiten
 2.1 (De rechtsvoorganger van) het Maagdenhuis is in 1570 door twee katholieke vrouwen opgericht als weeshuis voor Rooms Katholieke weesmeisjes in Amsterdam. [...]
2.2.
In 1910 heeft het Maagdenhuis een (eerste) huishoudelijk reglement opgesteld. In 1932 is dit reglement herzien. In 1959 zijn de statuten van het Maagdenhuis voor het eerst op schrift gesteld. De statuten zijn nadien gewijzigd in 1962 en 1970. De laatste statutenwijziging vond plaats in 1983. Voorafgaand aan deze laatste statutenwijziging zijn er meerdere overleggen geweest tussen het Maagdenhuis, het Bisdom en de bisschop. 

2.9. De bisschop heeft bij decreet van 10 juli 2013 nieuwe bestuurders (hierna: de nieuwe bestuurders) benoemd. Het decreet luidt, voor zover relevant, als volgt:
Overwegende
·         dat Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis een publiekrechtelijke kerkelijke rechtspersoon is, [...]
·         dat op grond van art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis tevens een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is;

[...]
krachtens de mij in art. 3 lid 8 van de Statuten toegekende bevoegdheid met onmiddellijke ingang tot bestuurders van de Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis te benoemen:Op 22 juni 2017 is gedaagde [gedaagde sub 3] als bestuurder afgetreden.

3Het geschil
in conventie
3.1. Het  Bisdom vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis:
a.     voor recht te verklaren dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. kerkgenootschap;
b.    voor recht te verklaren dat geen van de gedaagden 2 en 4 t/m 7 het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;
c.     voor recht te verklaren dat de nieuwe bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;
d.    [...]

4.5.Het Bisdom verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een zelfstandig onderdeel in de eerste plaats naar de tekst van artikel 1 lid 3 van de statuten,

05-07-18

Uitnodigen ALV per email

Rb. Gelderland 25 juni 2018
ECLI:NL:RBGEL:2018:2793

De rechtbank oordeelt dat een lid geldig is opgeroepen voor een ALV per email, omdat het lid zich  niet heeft verzet tegen communicatie via email.
" [De vereniging heeft [het lid] per e-mail opgeroepen voor de algemene ledenvergadering. De statuten sluiten deze handelwijze niet uit. [Het lid] heeft zich niet tegen de communicatie met haar via e-mail verzet. In de rede ligt dan dat zij ook instemde met oproeping per e-mail. Een andersluidend standpunt heeft [het lid] in deze procedure niet ingenomen. Bij deze stand van zaken voldoet de oproeping aan de eisen die in art. 2:41 lid 5 BW aan bijeenroeping langs elektronische weg worden gesteld. Anders dan [het lid] betoogt levert de wijze van oproeping geen grond op voor vernietiging van de opzegging. " 
Ik denk dat deze uitspraak van de rechtbank wel praktisch is, maar niet juist is. Artikel 2:41 lid 5 BW bepaalt niet voor niets dat een lid kan worden opgeroepen voor een ALV via email " indien een lid [...] hiermee instemt". Dat is duidelijk iets anders dan "tenzij het lid bezwaar maakt". (Artikel 2:41 lid 5 bepaalt overigens dat de 'bijeenroeping' kan geschieden via email ("langs elektronische weg"), maar het is toch echt de oproeping van het betreffende individuele lid, waar de bepaling op ziet.

Dan over een lid dat brieven niet aanneemt: "Ter zitting heeft [het lid] verklaard dat zij de deur niet open doet voor vreemden, zoals de postbode. Aldus is aannemelijk dat de brieven van [de vereniging] [het lid] niet hebben bereikt als gevolg van een eigen handeling van [het lid]. Gelet op art. 3:37 lid 3 BW hebben deze brieven dan werking tegenover [het lid], zij wordt met de inhoud bekend verondersteld."

Tot slot, de rechter wijst de vordering van het lid, om toegelaten te worden tot haar volkstuin toe, hoewel er geen duidelijk bewijs is of de betreffende volkstuin nu wel of niet goed onderhouden was. Het lijkt mij dat in het algemeen, een gevorderde voorlopige voorziening zal worden afgewezen als de door de eiser gestelde feiten niet bewezen kunnen worden. Maar ik ben geen expert op het gebied van procesrecht.

Vonnis in kort geding van 25 juni 2018
in de zaak van
[Eiser] ,
tegen
de vereniging
VOLKSTUINVERENIGING [naam],
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam], haar voorzitter.
Partijen zullen hierna [Eiser] en [Gedaagde] worden genoemd.


2De feiten

2.1.
[Gedaagde= vereniging]] exploiteert 36 volkstuinen, gelegen op een perceel grond achter de [straatnaam] te Nijmegen die [Gedaagde] huurt van de gemeente Nijmegen. In de statuten van [Gedaagde] is vermeld dat een lid recht heeft op het gebruik van een tuin, dat per gezin of andere samenlevingsvorm slechts één tuin wordt uitgegeven, dat het lidmaatschap eindigt bij opzegging namens de vereniging en bij royement, en voorts dat de leden verplicht zijn hun tuin goed en regelmatig te onderhouden. Opzegging namens de vereniging is mogelijk als het lid niet meer voldoet aan de eisen door de statuten voor het lidmaatschap gesteld en geschiedt schriftelijk door het bestuur, met goedkeuring van de algemene vergadering, tegen het einde van het verenigingsjaar met een opzegtermijn van vier weken, zo is eveneens in de statuten bepaald.
2.2.
[Eiser] is op dit moment 76 jaar oud. Zij is meer dan 25 jaar lid geweest van [Gedaagde]. [Eiser] had de tuinen met nummers 13 en 29 in gebruik. Vanwege gezondheidsproblemen en ziekenhuisopnamen kon [Eiser] gedurende enige tijd niet meer zelf het onderhoud van haar tuinen verzorgen. In de loop van 2017 is tuin nummer 13 grotendeels bedekt met zwart landbouwplastic, dat er nu nog ligt.
2.3.
Op 2 juni en 9 oktober 2017 heeft [Gedaagde] de volkstuinen, waaronder die van [Eiser], door leden van haar schouwcommissie laten inspecteren.
2.4.
[Gedaagde] heeft onder meer e-mails en brieven in het geding gebracht met de volgende data en strekking:
• 18 oktober 2016, brief aan [Eiser], met het bericht dat geconstateerd is dat [Eiser] haar tuinen niet onderhoudt en dat het huren van twee tuinen niet is toegestaan.
• 27 juni 2017, brief aan [Eiser], waarin is vermeld dat de schouwcommissie heeft geconstateerd dat haar tuinen niet in gebruik zijn als moestuin omdat de een is bedekt met plastic en de ander is overwoekerd met onkruid en geen sprake is van teelt van gewassen, en waarin voorts wordt aangegeven dat de tuinen bij de volgende tuinschouw medio september weer op orde moeten zijn, bij gebreke waarvan de tuinhuur na accordering door de ledenvergadering zal worden opgezegd.
• 6 juli 2017, e-mailbericht gericht aan [Eiser] met als bijlage een Word-document en twee pdf’jes.
• Een ongedateerd e-mailbericht gericht aan [Eiser], met vijf bijlagen, waarin aan de brief van 27 juni 2017 is gerefereerd en waarin is aangegeven dat de bevindingen van de schouwcommissie en het verzoek om de tuinen op orde te brengen worden meegestuurd.
• 26 oktober 2017, brief bericht aan [Eiser], inhoudende dat de schouwcommissie op 9 oktober 2017 de tuinen voor de tweede keer heeft bekeken, dat de tuin van [Eiser] overwoekerd is met onkruid en daarom nog steeds niet in gebruik is als moestuin, en dat het bestuur van [Gedaagde] daarom, zoals aangekondigd in de brief van 27 juni 2017, op de ledenvergadering van 22 november 2017 goedkeuring zal vragen voor opzegging van de huur.
• Een brief aan [Eiser], gedateerd op 26 november 2017, met een inhoud gelijk aan de hierboven bedoelde brief, met dien verstande dat deze ziet op tuin 13 en daarin wordt gewezen op bedekking met plastic in plaats van overwoekering.
• 27 oktober 2017, e-mailbericht aan onder anderen [Eiser], waarin een ledenvergadering wordt aangekondigd op 22 november 2017, waarvoor een uitnodiging met een agenda zullen volgen.
• 15 november 2017, e-mail aan onder anderen [Eiser], met een uitnodiging en een agenda voor de ledenvergadering van 22 november 2017, met als een bijlage een Word-document met als titel, voor zover leesbaar, ‘uitnodiging ledenverg 22…’
• Een ongedateerde brief waarin het bestuur de leden van [Gedaagde] uitnodigt voor de algemene ledenvergadering van 22 november 2017, tevens bevattende de agenda, waarop als agendapunt is vermeld: ‘stemming opzeggen tuinhuur tuin 12, tuin 13 en tuin 29’.
2.5.
Tijdens de ledenvergadering van [Gedaagde] op 22 november 2017 is het bestuursbesluit tot opzegging van de huur van de tuinen 13 en 29 door de vergadering goedgekeurd.
2.6.
Bij e-mail van 30 november 2017 heeft [Gedaagde] twee, op het tuinnummer en de beschrijving van de feitelijke toestand van de tuin na, identieke brieven, gedateerd op 29 november 2017, aan [Eiser] verzonden met de volgende inhoud.
Het bestuur van [Gedaagde] heeft u in 2017 meerdere keren per brief dd. 27-06-2017 en 26-10-2017 en per verschillende mails opgedragen uw tuin nummer [13, respectievelijk 29, vzr] in gebruik te nemen als moestuin en als zodanig te onderhouden.
Helaas moeten wij constateren dat u hieraan geen gehoor hebt gegeven.
Het doel van onze vereniging is om als amateur- tuinier (sier)gewassen ,groenten en fruit te kweken in de gehuurde tuin.
Uw perceel is [sinds maart 2017 bedekt met landbouwplastic, respectievelijk overwoekerd met onkruid, vzr] en voldoet dus niet aan de regels zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement (Punt 05.01): De leden zijn verplicht de hun tot gebruik aangewezen tuin en opstallen goed en regelmatig te onderhouden.
Tijdens de ledenvergadering van 22 november jl. hebben de aanwezige leden ingestemd met het opzeggen van de huur per 01-01-2018 voor tuin nummer [13, respectievelijk 29, vzr] op het volkstuinencomplex [Gedaagde].
Met deze brief zeggen wij de huur per 01-01-2018 op. Dit betekent dat de tuin op deze datum zwart opgeleverd moet worden. (Bouwsels en planten moeten verwijderd zijn.)
2.7.
Sinds begin 2018 laat [Gedaagde] [Eiser] feitelijk niet meer toe tot de volkstuinen. Bij brief van 17 mei 2018 heeft [Eiser] [Gedaagde] bericht dat zij het opzeggingsbesluit vernietigt.

3Het geschil

3.1.
[Eiser] vordert dat de voorzieningenrechter [Gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad en versterkt met een dwangsom, zal gebieden de overeenkomst met [Eiser] na te komen door haar toegang te verlenen tot de door [Eiser] gehuurde tuinen 13 en 29 aan de [straatnaam] in Nijmegen, met veroordeling van [Gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[Gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.
In dit kort geding kan over de rechtsverhouding tussen partijen geen definitieve uitspraak worden gedaan. Of rechtsgeldig is opgezegd staat ter beoordeling van de rechter die over de zaak ten gronde zal hebben te oordelen. Nu is aan de orde of [Eiser] feitelijk toegang moet kunnen krijgen tot de tuinen 13 en 29 totdat de bodemrechter over de opzegging definitief heeft beslist. Daarbij is in de eerste plaats van belang of in deze procedure voldoende aannemelijk is geworden dat de opzegging in rechte zal standhouden. De voorzieningenrechter gaat er met partijen vanuit dat tuinhuur en lidmaatschap onlosmakelijk zijn verbonden, en voorts dat onvoldoende onderhoud een afdoende grond vormt voor opzegging. In dit laatste verband geldt ten aanzien van tuin 29 het volgende.
4.2.
[Gedaagde] heeft twee foto’s in het geding gebracht die volgens haar een goed beeld geven van de toestand van deze tuin in 2017. Met name de foto bij productie 4 geeft de indruk dat deze tuin niet goed wordt onderhouden. Op deze foto zijn hoog opgeschoten gewassen te zien, ogenschijnlijk in toevallige ordening, die niet, althans niet op de foto zijn te herkennen als gekweekt en waartussen bovendien verdorde bladeren liggen. Deze indruk wordt, blijkens de schouwformulieren, door de schouwers van de tuin onderschreven. Hier staat tegenover dat [Eiser] foto’s van de tuin heeft overgelegd waarop volgens haar de staat van de tuin in 2017 blijkt, en waarop de tuin in florissantere staat is afgebeeld. De indruk van onvoldoende onderhoud geven deze foto’s niet, zoals wordt ondersteund door de schriftelijke getuigenverklaringen die [Eiser] heeft ingebracht. Partijen hebben over en weer betwist dat de foto’s van de wederpartij een representatief beeld geven van de tuin in de relevante periode. De voorzieningenrechter kan in deze procedure niet vaststellen wat de toestand van de tuin in de tweede helft van 2017 precies is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een foto een momentopname is. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op de foto’s de tuin is te zien vlak voor ([Gedaagde]) en vlak na ([Eiser]) de onderhoudsbeurt die de tuin volgens [Eiser] heeft genoten. Hoe dan ook, bewijslevering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de tuin niet goed en regelmatig werd onderhouden.
In kort geding bestaat daarvoor in beginsel geen ruimte. Bij deze stand van zaken is onvoldoende komen vast te staan dat de tuin in 2017 niet goed werd onderhouden. In deze procedure kan dan niet worden aangenomen dat het lidmaatschap van de vereniging en de huur van tuin 29 terecht zijn opgezegd. [Gedaagde] zal [Eiser] tot deze tuin moeten toelaten totdat de bodemrechter definitief over de opzegging zal hebben beslist. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd op de hieronder vermelde wijze.
4.3.
Wat betreft tuin 13 is het volgende van belang. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de statuten van de vereniging bepalen dat per gezin of andere samenlevingsvorm slechts één tuin wordt uitgegeven. [Eiser] heeft dus op grond van haar lidmaatschap geen recht op deze tweede tuin. Te dien aanzien geldt de gewone opzeggingsbevoegdheid van voor onbepaalde tijd aangegane huur van een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is (art. 7:228 lid 2 BW), zij het dat daarbij een opzeggingstermijn in acht genomen moet worden, hetgeen is gedaan. Daar komt nog bij dat bij deze tweede tuin wel voldoende aannemelijk is geworden dat er ook inhoudelijk een goede grond voor opzegging was.
4.4.
Vast staat immers dat deze tuin in de loop van 2017 grotendeels is bedekt met zwart landbouwplastic. [Eiser] heeft aangegeven dat dit plastic daar enige maanden moest blijven liggen, zodat alle onkruid onder dat plastic vanzelf zou verdwijnen. Hoewel [Gedaagde] chemische onkruidbestrijding niet toestaat en [Eiser] een milieuvriendelijk alternatief heeft aangewend, heeft [Gedaagde] deze manier van onderhoud plegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter als onvoldoende kunnen bestempelen. Een volkstuin is bestemd om in te tuinieren, niet om braak te laten liggen zodat niet hoeft te worden gewied. Op de zitting heeft [Eiser] toegegeven dat deze tuin nog steeds met landbouwplastic was bedekt toen zij de tuin per 1 januari 2018 moest opgegeven. Dit betekent dat dat plastic daar meer dan een half jaar moet hebben gelegen. Het lag er immers in ieder geval al ten tijde van de schouw in juni 2017. Meer dan een half jaar braak laten liggen en geen onderhoud plegen aan de tuin kwalificeert niet als regelmatig onderhoud, zoals in de statuten van [Gedaagde] is voorgeschreven. Bedekt onder plastic ziet de tuin er bovendien niet uit als tuin; zij biedt een verwaarloosde aanblik. Dit raakt ook de belangen van de andere volkstuinders die [Gedaagde] zich heeft aan te trekken en ten opzichte van wie [Gedaagde] ook terecht beducht is voor precedentwerking. Hier komt bij dat [Gedaagde] en haar leden bij goed onderhoud van alle tuinen belang hebben omdat anders de huurovereenkomst met de gemeente op het spel kan komen te staan. Naar voorlopig oordeel is de huur van tuin 13 dan ook terecht opgezegd.
4.5.
Dan is aan de orde of [Gedaagde] [Eiser] zo tijdig van de dreigende opzegging op de hoogte heeft gebracht dat [Eiser] deze nog kon afwenden door het plastic te verwijderen en de tuin weer als volkstuin in te richten. Uitgaande van de hierboven in 2.4. bedoelde correspondentie moet die vraag bevestigend worden beantwoord, zoals [Eiser] op zichzelf ook niet weerspreekt. [Eiser] betwist wel de ontvangst van de brieven. Zij is door de e-mail van 30 november 2017 verrast, aldus [Eiser]. In dit verband geldt het volgende.
4.6.
Volgens [Gedaagde] zijn de brieven aangetekend verzonden naar de bij haar bekende postadressen van [Eiser], maar zijn brieven niet afgehaald van het postkantoor of retour ontvangen met de aantekening dat de ontvangst geweigerd was.
Ter zitting heeft [Eiser] verklaard dat zij de deur niet open doet voor vreemden, zoals de postbode. Aldus is aannemelijk dat de brieven van [Gedaagde] [Eiser] niet hebben bereikt als gevolg van een eigen handeling van [Eiser]. Gelet op art. 3:37 lid 3 BW hebben deze brieven dan werking tegenover [Eiser], zij wordt met de inhoud bekend verondersteld.
[Eiser] heeft haar handelwijze verklaard door te wijzen op een vervelende ervaring met een ongenode gast. Dat is gezien de leeftijd en gezondheidstoestand van [Eiser] wellicht voorstelbaar, maar gaat [Gedaagde] niet aan en doet daarom aan het voorgaande niet af. De ontvangst van de in 2.4. bedoelde e-mails heeft [Eiser] niet meer concreet betwist. In deze procedure moet dan worden aangenomen dat [Eiser] voldoende gelegenheid heeft gehad om opzegging af te wenden, en dat zij deze gelegenheid niet heeft benut.
4.7.
[Gedaagde] heeft [Eiser] per e-mail opgeroepen voor de algemene ledenvergadering. De statuten sluiten deze handelwijze niet uit. [Eiser] heeft zich niet tegen de communicatie met haar via e-mail verzet. In de rede ligt dan dat zij ook instemde met oproeping per e-mail. Een andersluidend standpunt heeft [Eiser] in deze procedure niet ingenomen. Bij deze stand van zaken voldoet de oproeping aan de eisen die in art. 2:41 lid 5 BW aan bijeenroeping langs elektronische weg worden gesteld. Anders dan [Eiser] betoogt levert de wijze van oproeping geen grond op voor vernietiging van de opzegging. De opzegging is ook overigens naar voorlopig oordeel regelmatig geschied. Een rechterlijk gebod tot toegang tot tuin 13 is dan ook in beginsel niet aan de orde.
4.8.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande zal [Eiser] feitelijk toegang moeten krijgen tot tuin 29. Met het gebruik van één tuin wordt aan de statuten voldaan. Aan de emotionele verbondenheid van [Eiser] met haar tuinen en de levensvreugde die het tuinieren haar biedt wordt met dit gebruik voldoende tegemoetgekomen. Wat tuin 13 betreft zal het gevorderde worden afgewezen.
4.9.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt [Gedaagde] om [Eiser] toegang te verlenen tot tuin nummer 29, gelegen aan de [straatnaam] te Nijmegen, totdat ten gronde over de opzegging zal zijn beslist,

01-07-18

Mondeling opzeggen

Rb. Amsterdam 25 juni 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4465

Een vereniging voert een rechtszaak om de contributie te innen. Het lid (althans, diens vader) heeft echter mondeling opgezegd. Het argument van de vereniging, dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd, slaagt niet. De vereniging heeft namelijk niet onderbouwd dat die regel zou gelden in de vereniging (en het is geen wettelijke regeling dat opzeggen alleen schriftelijk kan).

vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Amsterdamse Sportvereniging Fortius (A.S.V. Fortius)
nader te noemen: Fortius

t e g e n
[gedaagde]
nader te noemen: [gedaagde]

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[gedaagde] heeft zijn minderjarige zoon, [naam zoon] , in 2015 ingeschreven bij Fortius door middel van het invullen van een inschrijfformulier. Na de inschrijving kon de zoon van [gedaagde] deelnemen aan trainingen en wedstrijden.
1.2.
Op 1 oktober 2016 heeft Fortius een factuur opgesteld van € 185,00.
1.3.
[gedaagde] heeft de factuur niet betaald.

Vordering

2. Fortius vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 185,00 aan hoofdsom; [...]
3. Fortius stelt hiertoe, kort en zakelijk weergegeven, dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht en diensten heeft verleend die zien op het geven van trainingen aan de zoon van [gedaagde] en deelneming aan wedstrijden. [gedaagde] is in gebreke gebleven met betaling van de contributie. Uitschrijving kan enkel geschieden door schriftelijke opzegging bij de ledenadministratie. [gedaagde] heeft geen schriftelijke opzegging overgelegd. De mondelinge opzegging bij de jeugdcoördinator is niet rechtsgeldig. De jeugdcoördinator gaat bovendien niet over de ledenadministratie.

Verweer

4. [gedaagde] heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat hij het lidmaatschap voor zijn zoon mondeling heeft opgezegd bij de jeugdcoördinator ( [naam jeugdcoördinator] ). Aan [gedaagde] is nimmer kenbaar gemaakt dat hij enkel en alleen schriftelijk zou kunnen opzeggen bij de ledenadministratie. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat hem bij de ondertekening van het inschrijfformulier zou zijn medegedeeld dat hij zou instemmen met een lidmaatschap voor onbepaalde tijd. [gedaagde] ging er vanuit dat de inschrijving voor een seizoen zou zijn.

Beoordeling

5. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde factuur die ziet op contributie betwist, omdat hij de overeenkomst mondeling zou hebben opgezegd. De mondelinge opzegging wordt door Fortius niet betwist. Fortius stelt dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Deze stelling wordt door [gedaagde] betwist. Fortius heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Dit blijkt in ieder geval niet uit het inschrijfformulier. Gelet op het verweer van [gedaagde] had het op de weg van Fortius gelegen om de tussen partijen gesloten overeenkomst dan wel de eventueel toepasselijke (algemene) voorwaarden te overleggen. Dit heeft Fortius nagelaten. Hierdoor is niet vast komen te staan dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd en moet er vanuit worden uitgegaan dat het lidmaatschap ook door een mondelinge opzegging kan eindigen. De mondelinge opzegging van [gedaagde] heeft dan ook rechtsgeldig een einde gemaakt aan het lidmaatschap, nog los van het feit dat uit niets blijkt dat de inschrijving van [gedaagde] voor onbepaalde tijd zou zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling was dat de inschrijving voor één seizoen zou zijn. De enkele stelling van Fortius dat aan [gedaagde] ten tijde van de inschrijving zou zijn toegezegd dat ondertekening van het formulier een lidmaatschap van onbepaalde tijd teweeg zou brengen, is gelet op de betwisting door [gedaagde] onvoldoende om dat in rechte te kunnen vaststellen.
6. De door Fortius gevorderde factuur wordt gezien het voorgaande afgewezen.
7. Met de afwijzing van de hoofdvordering, dienen de gevorderde wettelijke rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten eveneens te worden afgewezen.
8. Fortius wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] .

BESLISSING

De kantonrechter:
I. wijst de vordering af;
II. veroordeelt Fortius in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

24-06-18

Vereniging noemt zich VvE

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19 juni 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2677


Een Boek 2 vereniging (winkeliersvereniging van een winkelcentrum) doet zich tegen een nieuwe eigenaar van een winkepand voor als Boek 5 VvE (met verplicht lidmaatschap). Daarna komt het niet meer goed. De winkelier betaalt 3 jaar lang de bijdrage, maar laat het na een verhoging uitzoeken en ontdekt dan dat de vereniging geen echte VvE is. Hij zegt zijn lidmaatschap op. Er volgt een rechtszaak, inclusief hoger beroep.

[Winkelier] heeft aangevoerd dat de Vereniging van Eigenaars Exploitatie Overkapping [het winkelcentrum] , onder welke naam [de vereniging] in eerste aanleg heeft geprocedeerd, een niet bestaande rechtspersoon is, althans niet de rechtspersoon is die rechthebbende zou zijn ten aanzien van de in het geding zijnde vorderingen.  (...) Het hof stelt vast dat in de aanduiding in deze procedure van [geïntimeerde] als procespartij kennelijk abusievelijk het woord “Eigenaars” is opgenomen en dat blijkens de in het geding gebrachte stukken met betrekking tot de vereniging de juiste aanduiding moet zijn: vereniging Vereniging Exploitanten Overkapping [het winkelcentrum] . " 

Het hof oordeelt dat de winkelier het lidmaatschap correct heeft opgezegd. Echter, het Hof oordeelt dat hij moet blijven meebetalen aan het onderhoud van de overkapping van het winkelcentrum, op grond van een rechtsverhouding die wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De winkelier hoeft echter niet mee te betalen aan de upgrading van het winkelcentrum. 


Arrest van 19 juni 2018
in de zaak van
[Reizen beheer] Reizen Beheer B.V., hierna aan te duiden als [appellante] ,
tegen Vereniging van Exploitatie Overkapping [het winkelcentrum] ,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 augustus 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/303765 / HA ZA 15-546 gewezen vonnis van 11 mei 2016.


6De beoordeling

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
1. Winkelcentrum [het winkelcentrum] te [vestigingsplaats] heeft een overkapping boven het voetgangersgebied van het winkelcentrum (hierna: de overkapping).
2. De eigenaren van de panden gelegen aan de overkapping zijn lid van [geïntimeerde] . Zij betalen aan [geïntimeerde] een kwartaalbijdrage. De bijdrage wordt berekend door de totale kosten van onder meer onderhoud en beheerte vermenigvuldigen met een breukdeel, welk breukdeel wordt vastgesteld op basis van de oppervlakte van het perceel van elk lid.
3. In de statuten van [geïntimeerde] staat dat zij onder meer het volgende doel heeft:
“het behartigen van de belangen, in de meest ruime zin des woords, van de eigenaren casu quo beperkt zakelijk gerechtigden van de overkapping van het voetgangersdomein van winkelcentrum [het winkelcentrum] te [vestigingsplaats] , welke overkapping met bestrating en alle bijkomende voorzieningen dienstig zijn aan de eigenaren die deel uitmaken van de vereniging van eigenaars Winkelcentrum [het winkelcentrum] en voorts [eigenaar 1] en [eigenaar 2] dan wel hun rechtsopvolgers”.
4. Op 8 juli 2011 is [appellante] eigenaar geworden van een pand gelegen aan de overkapping. Het betreffende pand behoorde daarvoor toe aan [eigenaar 2] . [appellante] drijft daarin een reisbureau. Het reisbureau heeft een ingang onder de overkapping en een ingang gelegen aan de andere kant van het pand, niet onder de overkapping. Na 8 juli 2011 zag [appellante] zich geconfronteerd met verzoeken van [geïntimeerde] tot betaling van de kwartaalbijdrage voor onderhouds- en beheerskosten.
5. Bij e-mail van 11 november 2011 heeft [appellante] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] bericht:
“De zaak heeft uiteraard een juridische en een praktische kant. Om maar met de praktische kant te beginnen, we hebben in ieder geval besloten deel uit te gaan maken van de VVE, ongeacht de juridische uitkomst. Dat betekent dat we ook de daarmee gepaard gaande verplichtingen per omgaande zullen voldoen. Ik heb een paar kleine vragen over de facturen die ik verderop in deze mail aan u zal stellen, maar dit slechts ter verduidelijking voor onze administratie.”
6. In de loop van 2014 ontving [appellante] facturen van [geïntimeerde] die hoger waren dan voorheen. Op navraag van [appellante] liet (de administrateur van) [geïntimeerde] weten dat er extra kosten waren gemaakt voor de overkapping en voor de ‘upgrading’ van het onder de overkapping gelegen winkelcentrum (hierna: het winkelcentrum).

22-06-18

Ruzie in vereniging

Rb. Midden-Nederland 20 juni 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:2795

Bij deze (erg kleine) politiek partij, zijn er op een gegeven moment maar twee bestuursleden, de voorzitter en de secretaris. De voorzitter roept een bestuursvergadering bijeen. De secretaris verschijnt niet. De voorzitter / de bestuursvergadering besluit dat de secretaris geschorst is. Later zegt het bestuur / de voorzitter het lidmaatschap van de secretaris op. Vervolgens verzoeken leden om een ALV. Voorzitter en secretaris roepen elk, apart, een ALV bijeen, allebei op 21 januari, maar in andere plaatsen. Op de ALV georganiseerd door de secretaris, wordt de voorzitter ontslagen. Op de door de voorzitter georganiseerde ALV wordt de secretaris ontslagen. De chaos is dan compleet en de rechter mag het uitzoeken.

De rechter oordeelt dat het besluit tot schorsing van de secretaris ongeldig is (omdat het bestuur niet kan besluiten tot schorsing van een bestuurslid als bestuurslid). De opzegging van het lidmaatschap is ook ongeldig. Omdat de secretaris dus nog bestuurslid was, kon de voorzitter dus niet overgaan tot bijeenroeping van zijn ALV op 21 januari, zodat de daar genomen besluiten ongeldig zijn. De rechtbank zwijgt over de geldigheid van de ALV bijeengeroepen door de secretaris op die dag.
Overigens had de KvK geweigerd om de bestuurswijzigingen van 21 januari in te schrijven (voor beide vergaderingen). Daarop hebben zowel voorzitter als secretaris een ALV bijeengeroepen op 4 maart, weer in andere plaatsen. De reden daarvoor is dat het gehele bestuur (nog voor de schorsing) had besloten dat op 4 maart een ALV zou worden gehouden. De rechtbank oordeelt dat ook die ALV's allebei ongeldig zijn, omdat de bijeenroeping wat anders is dan het vaststellen van de datum, en de bijeenroeping is niet door het bestuur gedaan.
Ook voor de latere ALV van 23 september georganiseerd door de voorzitter, oordeelt de rechter dat deze ongeldig is omdat de secretaris er niet aan heeft meegewerkt.

Naar mijn mening is het een gemiste kans dat de advocaten (blijkbaar)  niet om een voorlopige voorziening hebben gevraag die de rechter in staat zou stellen om een tijdelijke / neutraal bestuurslid aan te stellen of om anderszins de impasse te doorbreken. Ik kan me voorstellen dat de voorzitter en de secretaris nu gezamenlijk een ALV gaan organiseren.

De uitspraak van de rechtbank bevat een overweging die wel klopt, maar snel tot misverstanden kan leiden. Dat is dat " Tussen partijen staat vast dat met ‘partijbestuur’ in de zin van artikel 2:35 lid 2 BW alle bestuursleden gezamenlijk worden bedoeld (het gehele partijbestuur). Dat betekent dat alle bestuursleden het samen eens moeten zijn over de opzegging van het lidmaatschap. " Die stelling lijkt mij in het algemeen onjuist, het bestuur besluit met meerderheid tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. Daarbij gaat het om een meerderheid van de uitgebrachte stemmen in een geldig bijeengeroepen bestuursvergadering. Als bij een bestuur van 9 mensen, maar 3 bestuursleden op een geldige bestuursvergadering zijn, dan kan een besluit worden genomen met een meerderheid van 2 bestuursleden. De zes niet-aanwezige bestuursleden zien ten slotte zelf af van de uitoefening van hum stemrecht. Idem als ze wel aanwezig zijn, maar zich onthouden van stemming. Het echte probleem in deze zaak is dat als de secretaris niet geldig is geschorst als bestuurslid, de voorzitter hem had moeten oproepen in de bestuursvergadering waarin het voorstel tot opzegging van zijn lidmaatschap op de agenda stond. Dat is in deze zaak niet gedaan. Nu dit een probleem in de oproeping van de bestuursleden voor de bestuursvergadering betreft (niet de bijeenroeping, de voorzitter lijkt mij op zich bevoegd om alleen datum en tijd van bestuursvergaderingen vast te stellen), zorgt dit gebrek voor vernietigbaarheid van het besluit tot opzegging van het ldimaatschap (artikel 2:15 lid 1 sub a BW). Dat betekent dat de vervaltermijn van 1 jaar geldt om  de vernietiging van het besluit te vorderen (bij de rechter), artikel 2:15 lid 4 BW.

De uitspraak bevalt ook (volgens mij) een verschrijving, waar de rechtbank overweegt dat:
"Uitgangspunt is dat de bevoegdheid om een bestuurder te schorsen en ontslaan toekomt aan het orgaan dat het bestuur heeft benoemd (2:37 lid 6 BW). Die benoeming wordt gedaan door het bestuur (artikel 2:37 lid 1 en 2 BW). Van die regeling kan in de statuten worden afgeweken. In het geval van De Groenen staat in de statuten dat het bestuur wordt benoemd door het congres (zie 2.3 van dit vonnis). Uitgangspunt is dus ook dat de bevoegdheid om een bestuurslid te schorsen en ontslaan toekomt aan het congres van De Groenen."
Artikel 2:37 lid 2 bepaalt echter dat het bestuur wordt benoemd door de algemene vergadering (ALV), bij deze vereniging heet de algemene vergadering 'Congres'. Artikel 2:37 bepaalt niet dat bestuursleden worden benoemd door het bestuur.  Artikel 2:37 lid 7 bepaalt wel dat het bestuur uit zijn midden de voorzitter en secretaris (en penningmeester) aanwijst. Mogelijk bepalen de statuten van deze vereniging dat voorzitter, secretaris en penningmeester in functie worden benoemd door het Congres (dus door de ALV). Zo niet, dan zou het bestuur wel de voorzitter kunnen schorsen als voorzitter (naar mijn mening) maar niet als bestuurslid.

Tot slot. Het dictum van het vonnis is onder meer dat nietig worden verklaard ' de in productie XI bij procesopleiding opgesomde besluiten van 21 januari 2017, 4 maart 2017 en 23 september 2017'. Ik ben geen kenner van het procesrecht, maar het lijkt mij onwenselijk om zo te verwijzen naar een productie van de 'procesinleiding' (voorheen dagvaarding), die volgens mij geen deel uit maakt van het vonnis. Dat eiser dit zo vorderde, doet daar niet aan af, lijkt mij. (En dit is trouwens de eerste uitspraak op die weblog die onder het nieuwe ' KEI'  procesrecht is gewezen).
Vonnis van 20 juni 2018

in de zaak van

[eiser] , tegen

de vereniging
VERENIGING DE GROENEN,

2De feiten


2.1.
De Groenen is een politieke partij.
2.2.
In de statuten van De Groenen is onder meer bepaald:
“Het partijbestuur is bevoegd een lid te schorsen. Hiermee schort het alle rechten van het lidmaatschap op.” (artikel 5 lid 7)
“Het congres kiest een partijbestuur van ten minste drie personen (…).” (artikel 8 lid 1)
2.3.
In het Huishoudelijk Reglement van De Groenen staat dat bestuursleden door de algemene ledenvergadering (“het congres”) worden benoemd voor de duur van maximaal twee jaar.
2.4.
Vanaf 24 september 2016 is mevrouw [A] (verder: [A]) uitgeschreven als (derde) bestuurslid. Daarna bestond het bestuur van De Groenen nog maar uit twee bestuursleden: de heer [B] (verder: [B]) als voorzitter en [eiser] als secretaris.
2.5.
In oktober 2016 wilde [B] een bestuursvergadering houden met [eiser]. [eiser] wilde pas weer vergaderen als er een derde kandidaat voor het bestuur was gevonden. Op 15 december 2016 heeft [B] alsnog een uitnodiging aan [eiser] verstuurd voor een bestuursvergadering op 17 december 2016. [eiser] is niet op deze vergadering verschenen. In de notulen van de vergadering van 17 december 2016 (waarbij [B] de enige aanwezige bestuurder was) staat dat [B] met instemming van de aanwezige gasten besluit om [eiser] tot 4 maart 2017 te schorsen als bestuurslid van De Groenen.

18-06-18

MC Satudarah verboden

Uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2018:7183



  • De rechtbank overweegt dat er sprake is van een 'werkzaamheid' van Satudarah die leidt tot strijd met de openbare orde. Dat is het geval, volgens de rechtbank.
  • Er is sprake van strijd met de openbare orde: "Op basis van deze voorbeelden, die slechts een beperkt deel vormen van de voorbeelden waarop het OM zich onder verwijzing naar de bijlagen bij het verzoekschrift beroept, moet de rechtbank de conclusie trekken dat een groot aantal leden van Satudarah gedurende een reeks van jaren betrokken is bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Daarbij is voor de beoordeling van het verzoek met name van belang dat het hier in veel gevallen gaat om misdrijven waarvan derden het slachtoffer zijn. Bovendien hebben deze gedragingen door hun frequentie en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als Satudarah uitgaat, uitstraling naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers."
  • Deze (criminele) gedragingen kunnen ook aan de vereniging worden toegerekend: "De rechtbank komt tot de slotsom dat de eerder geconstateerde inbreuken op de openbare orde door leden van Satudarah aan Satudarah kunnen worden toegerekend in die zin dat geoordeeld moet worden dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde en sprake is van (dreigende) ontwrichting van de samenleving. Die conclusie wordt in het bijzonder gerechtvaardigd door, zo vat de rechtbank samen, de betrokkenheid bij strafbare gedragingen van bestuurders/leidinggevenden van Satudarah, door deze zelf te begaan of hieraan leiding te geven, door het door bestuurders/leidinggevenden scheppen van een klimaat waarin het plegen van strafbare feiten als respectabel handelen in verenigingsverband wordt ervaren en aldus de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd, alsmede door het plegen van strafbare feiten door leden van Satudarah waarbij zij duidelijk het belang van Satudarah beogen te dienen."

Beschikking van 18 juni 2018
in de zaak van
het OPENBAAR MINISTERIE (Landelijk Parket),
[...]  verzoekster, hierna ook te noemen: OM,
tegen
de informele vereniging
SATUDARAH MOTORCYCLECLUB,
tevens naar buiten tredend als ‘Black and Yellow Nation’,
zonder bekende vestigingsplaats,
verweerster,
hierna ook te noemen Satudarah,

1De procedure


2De beoordeling

2.1.
Het OM verzoekt Satudarah, daaronder ook te begrijpen Supportcrew 999, Saudarah en Yellow Snakes MC, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad verboden te verklaren en te ontbinden, dit op grond van het bepaalde in artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW).
Satudarah
2.2.
Satudarah is een motorclub die in 1990 in Moordrecht is opgericht. Satudarah kent lokale afdelingen, zogenoemde chapters, in Nederland en daarbuiten. Naast de chapters zijn er ook drie “support clubs”: Supportcrew 999, Saudarah en Yellow Snakes MC.
2.3.
Het OM voert aan dat sprake is van een informele – dat wil zeggen niet bij notariële akte opgerichte – vereniging (artikel 2:30 BW) waarvan de chapters en support clubs (Supportcrew 999, Saudarah en Yellow Snakes MC) onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uitmakende, onderdelen zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt dat van één rechtspersoon sprake is verwijst het OM in het bijzonder naar:
  • -
    het gebruik van uniforme clubkleding,
  • -
    de presentatie op door Satudarah onderhouden websites,
  • -
    gezamenlijk uitgevoerde activiteiten,
  • -
    de hiërarchische structuur (waarbij bestuursleden op nationaal niveau een bepalende invloed hebben op het beleid van de verschillende chapters),
  • -
    de interne regels en de verplichting tot afdracht van contributie door chapters aan de landelijke vereniging.
2.4.
Satudarah betwist niet dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging. De rechtbank zal daar dan ook vanuit gaan. Satudarah heeft wel weersproken dat de support clubs onderdeel zijn van de vereniging waartegen het verzoek van het OM is gericht.
Op de positie van de support clubs zal de rechtbank later, in r.o. 2.36-2.38 van deze beschikking, afzonderlijk aandacht besteden; zij blijven voorlopig buiten beschouwing.
Vrijheid van vereniging, artikel 2:20 BW; juridisch kader
2.5.
De vrijheid van vereniging is een grondrecht dat gewaarborgd is in artikel 8 van de Grondwet en in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); het is een fundamenteel recht in een democratische rechtstaat.
Artikel 8 van de Grondwet staat toe dat dit grondrecht wordt beperkt, maar dat kan uitsluitend bij wet in formele zin, mits die beperking geschiedt in het belang van de openbare orde.